RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaken tussen
[eiser], uit [plaats 2], eiser in LEE 25/2130
Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/2130 en LEE 25/2131
en
[eiseres] , uit [plaats 2], eiseres in LEE 25/2131
en
(gemachtigden: mr. L. Sijbrandij-Leyten en mr. R.L. Gritter).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eisers voor vergoeding van immateriële schade. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de bestreden besluiten in stand blijven. Eisers krijgen geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Eisers hebben ieder afzonderlijk een aanvraag ingediend voor vergoeding van immateriële schade. Het Instituut heeft deze aanvragen met afzonderlijke besluiten van 17 februari 2025 afgewezen. Daarbij heeft het Instituut – op basis van het juridisch kader voor het vergoeden van immateriële schade en de methodiek die het Instituut gebruikt en de afwegingen die zijn gemaakt bij de totstandkoming hiervan – overwogen dat er in de situatie van eisers onvoldoende concrete aanwijzingen zijn om een persoonsaantasting aan te nemen. Met de twee bestreden besluiten van 28 april 2025 op de bezwaren van eisers is het Instituut bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
Eisers hebben ieder afzonderlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
Het Instituut heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 14 januari 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigden van het Instituut.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden van dit geval
3. Eisers zijn woonachtig in [plaats 1] wanneer zij eind 2020 eigenaar worden van een woning in [plaats 2]. Het betreft de voormalige woning van de oma van eiser. Volgens eisers kwam hiermee de vervulling van een lang gekoesterde wens in beeld, om echt buiten te gaan wonen.
4. De woning in [plaats 2] maakt onderdeel uit van de versterkingsoperatie. Op 3 oktober 2021 heeft vanuit de NCG een opname plaatsgevonden om te beoordelen of het gebouw veilig was. Bij besluit van 2 oktober 2023 heeft de NCG aan eisers meegedeeld dat de woning voldoet aan de veiligheidsnorm en dat de woning niet hoeft te worden versterkt. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit op bezwaar van 3 oktober 2024 heeft de NCG het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5. Eisers hebben naar voren gebracht dat hun planning was om hun woning in [plaats 2] in 2022 te (ver)bouwen en in de loop van dat jaar daarnaartoe te verhuizen, maar dat de plannen moesten wachten op uitsluitsel van de versterkingsopgave. De frustratie hierover heeft zich volgens eisers geuit in afvlakken en minder geïnteresseerd zijn, een toename van het gevoel van werkdruk en geen zin meer hebben in het uitoefenen van hobby’s.
6. Eisers hebben inmiddels een nieuwe woning gerealiseerd op het perceel in [plaats 2]. Uit de Basisregistratie Personen (BRP) volgt dat eisers sinds 1 november 2025 in [plaats 2] wonen.
7. Op 10 januari 2025 hebben eisers ieder afzonderlijk een aanvraag ingediend voor vergoeding van immateriële schade. Hoewel op de aanvragen het adres in [plaats 1] is vermeld, hebben eisers aangegeven dat het de bedoeling is om een aanvraag in te dienen voor het adres in [plaats 2].
8. Op 17 februari 2025 heeft het Instituut de aanvragen van eisers om vergoeding van immateriële schade (IMS) afgewezen. Het Instituut heeft daarbij getoetst of verblijf in de woning in [plaats 1] heeft gezorgd voor immateriële schade. Tegen deze besluiten hebben eisers bezwaar gemaakt. In de bestreden besluiten van 28 april 2025 is het Instituut bij de afwijzing gebleven. Daarbij is uitgelegd dat binnen de regeling IMS alleen wordt gekeken naar adressen waar eisers vanaf 16 augustus 2012 tot de indiening van de aanvragen hebben gewoond. Daarom is de woning in [plaats 2] niet meegenomen in de beoordeling.
Juridisch kader
9. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
10. Het Instituut heeft, gelet op het grote aantal aanvragen, een methode ontwikkeld waarbij de persoonsaantasting niet door de aanvrager hoeft te worden aangetoond, maar het Instituut dit op basis van objectieve gegevens en een Persoonlijke Impact Analyse (PIA) vaststelt en een forfaitair bedrag toekent als een persoonsaantasting kan worden aangenomen.
Standpunten van partijen
11. Eisers betogen dat het Instituut ten onrechte de woning in [plaats 2] niet heeft betrokken bij de besluitvorming. Daartoe voeren zij aan dat zij in [plaats 1] zijn blijven wonen, in afwachting van het versterkingstraject in [plaats 2]. De onzekerheid die eisers hebben ervaren over de afwikkeling van dit traject heeft tot frustratie en stress en daarmee tot een sterke negatieve impact op hun persoonlijke levenssfeer geleid. Eisers stellen dat dit ook tot uiting zou moeten komen in bouwsteen 2 (de veiligheidssituatie) van de methodiek van het Instituut. Volgens eisers houdt het Instituut ten onrechte vast aan het criterium van het woonadres. Eisers verwijten het Instituut systeemdenken.
12. Het Instituut stelt zich op het standpunt dat tegemoetkomen aan de beroepen van eisers zou leiden tot een wijziging van de regeling die in de visie van het Instituut niet valt te rijmen met de opzet ervan. Bouwsteen 2 van de regeling (over de veiligheidssituatie van de woning) levert geen aanwijzing voor persoonsaantasting op. Volgens het Instituut is de achtergrond van bouwsteen 2 dat objectieve indicatoren voor de onveiligheid van een woning aanleiding kunnen zijn om te veronderstellen dat de bewoners zich onveilig voelen over het verblijf in hun woning. Bij bouwsteen 2 wordt gekeken naar de aanwezigheid van objectieve indicatoren voor onveiligheid in relatie tot de woning, aan de hand waarvan onveiligheidsgevoelens van bewoners in verband met bodembeweging kunnen worden geobjectiveerd. De aanwezigheid van een dergelijke objectieve aanknopingspunt vormt dan een aanwijzing voor het bestaan van een aantasting van de persoonlijke levenssfeer en woonsituatie van de bewoner. Met deze bouwsteen wordt verondersteld dat een aanvrager zich in enige mate tot in zeer ernstige mate onveilig voelt over het verblijf in zijn woning.Het Instituut wijst erop dat eisers voor en tijdens de aanvraag in een woning (in [plaats 1]) woonden die geen onderdeel uitmaakte van de versterkingsoperatie. Ook de door het Instituut op 26 april 2021 uitgekeerde vergoeding van € 17.324,63 aan fysieke schade voor de woning in [plaats 2] is niet bij de beoordeling betrokken, omdat eisers destijds daar niet woonden. Alleen de gebouwen die gelden (of golden) als het hoofdverblijf van de aanvrager kunnen input vormen voor de gestandaardiseerde methode. Met de gestandaardiseerde methode heeft het Instituut invulling gegeven aan de vraag welke (combinatie van) (concrete) omstandigheden ertoe kunnen leiden dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zó voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Met betrekking tot het standpunt over het hoofdverblijf wijst het Instituut op rechtspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Wat de hinder door het wachten op uitsluitsel over de eventuele versterking betreft, voert het Instituut aan dat navraag bij de NCG leert dat eisers vanuit de NCG recht hebben op een eenmalige vergoeding van € 2.500,-.
Oordeel van de rechtbank
13. Op grond van artikel 4.2, eerste lid, van de Procedure en werkwijze, worden alleen adressen betrokken waarop de aanvrager blijkens de BRP woonachtig is geweest in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot de dag van ontvangst van de aanvraag. Dit brengt mee dat alleen de adressen waarop de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft (gehad) input kunnen vormen voor de gestandaardiseerde methode. Dit geldt ook voor bouwsteen 2. In artikel 4.4, eerste lid, van de Procedure en werkwijze is vermeld dat er een lichte aanwijzing (1) geldt als de woning van de aanvrager onderdeel uitmaakt of onderdeel heeft uitgemaakt van de versterkingsoperatie van de NCG in de periode dat de aanvrager op dit adres woonachtig was. Een en ander heeft zich in het geval van eisers vertaald in de volgende beoordeling van de immateriële schade.
14. Het geschil spitst zich toe op de vraag of bij de beoordeling van de verzoeken van eisers om immateriële schadevergoeding toe te kennen, anders dan de gestandaardiseerde methode voorschrijft, rekening moet worden gehouden met (de omstandigheden betreffende) de woning in [plaats 2] die deel uitmaakt van de versterkingsoperatie en waarvan de afwikkeling door het beroep van eiser tegen het NCG-besluit nog steeds niet definitief is afgerond.
Als het gaat om bouwsteen 2 heeft het Instituut in het onder 12. aangehaalde verweerschrift uiteengezet welke keuzes zijn gemaakt en waarom de feitelijke woonsituatie van belang is als het om het gevoel van onveiligheid gaat. De keuze om een koppeling te maken tussen onveiligheidsgevoelens van de aanvrager en de (dagelijkse) aanwezigheid van de aanvrager in een pand dat onderdeel uitmaakt van de versterkingsoperatie is deugdelijk gemotiveerd. Eisers hebben geen argumenten ingebracht die kunnen afdoen aan deze keuze of anderszins moeten leiden tot het oordeel dat het Instituut de woning in [plaats 2] ten onrechte niet bij de beoordeling heeft betrokken. Eisers hebben de beoordeling van de overige bouwstenen door het Instituut niet bestreden.
Uit de door eiser geschreven stukken, alsook de toelichting ter zitting, blijkt duidelijk de frustratie over (de doorlooptijden van) het versterkingstraject. Eisers hebben geschreven hun lang gekoesterde wens om echt buiten te gaan wonen te hebben uitgesteld vanwege dat traject en hebben ter zitting naar voren gebracht erg gefrustreerd te zijn over de gang van zaken. In het verweerschrift is (op blz. 11) gewezen op de eenmalige vergoeding van de NCG (per adres) van € 2.500,- voor “de overlast van het lange wachten en de onzekerheid over de versterking.” Het Instituut ziet in dat wat eisers schrijven geen grondslag om zelf een vergoeding toe te kennen. In de bestreden besluiten is hierover (op blz. 3) opgemerkt dat de door eisers genoemde omstandigheden als onzekerheid en onduidelijkheid zijn meegewogen in de PIA, die in de situatie van eisers heeft geleid tot profiel 3 (ernstig ervaren leed). Bij twee punten (zoals hier het geval is) en een PIA met profiel 3 levert dit voor de toegepaste Procedure en Werkwijze evenwel geen vergoeding op. Pas bij drie punten en een PIA met profiel 2, 3 of 4 wordt een vergoeding van € 1.500,- toegekend.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat het IMG in de -in de Procedure en werkwijze neergelegde- regeling de ondergrens voor toekenning van immateriële schadevergoeding terecht hoger heeft gelegd dan bij twee punten. De rechtbank ziet in de door eisers gegeven onderbouwing geen aanleiding om, in weerwil van de regeling, te bepalen dat het Instituut wel dient over te gaan tot toekenning van immateriële schade aan eisers wegens de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.
Conclusie en gevolgen
15. De rechtbank ziet in hetgeen eisers naar voren hebben gebracht geen juridische basis om te bepalen dat het Instituut aan eisers in de bestreden besluiten immateriële schadevergoeding had dienen toe te kennen. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvragen van eisers in stand blijven. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzitter, en mr. M.R. Gans en mr. P. van der Stroom, leden, in aanwezigheid van mr.R.A. Schaapsmeerders, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.