RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-040046-26
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 21-003090-22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.
23. + september 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 september 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K.B. Spoelstra, advocaat te Groningen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Pitstra.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 7 februari 2026 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
subsidiair
hij op of omstreeks 7 februari 2026 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar met beide handen bij haar keel gegrepen heeft en dat hij haar keel heeft dichtgeknepen. Zij heeft ook verklaard dat zij bijna geen adem meer kon halen en dat zij een bepaalde druk naar haar hoofd voelde gaan. Zij dacht dat ze dood zou gaan. Ook in een spraakbericht naar haar moeder zegt aangeefster dat ze bijna was vermoord door verdachte. Het letsel bij de hals en de keel past bij haar verklaring. De handelingen van verdachte, zowel in kracht, intensiteit als duur, waren geëigend om de dood te bewerkstelligen. Naar de uiterlijke verschijningsvorm was het opzet van verdachte hierop ook gericht.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde omdat er onvoldoende overtuigend bewijs is. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte ontkent de keel van aangeefster dicht te hebben geknepen. Aangeefster heeft aangegeven haar aangifte in te willen trekken. Zij heeft verklaard dat haar aangifte vals is en dat zij het letsel zelf heeft toegebracht. Het door de forensisch arts geconstateerde letsel zou ook passen binnen het scenario waarin aangeefster het letsel zelf heeft toegebracht. Bovendien zijn de camerabeelden niet congruent met de aangifte.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 februari 2026, opgenomen op pagina 34 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026033791 d.d. 20 april 2026, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :
Plaats delict: [adres 2] Pleegdatum: 7 februari 2026
Ik zag dat mijn partner naar mij toe kwam en voelde dat hij mij met beide handen bij mijn keel greep. Ik voelde dat hij mijn keel dichtkneep. Ik kon toen nog een aantal keer zeggen dat hij hiermee moest ophouden. Ik voelde dat hij dit niet deed. Dit duurde volgens mij een aantal minuten. Toen voelde ik dat hij mijn keel losliet en mij vervolgens aan mijn linkerarm helemaal op ons bed sleurde. Ik voelde vervolgens dat zijn beide handen weer om mijn keel zaten. Ik voelde dat hij bovenop mij zat. Ik voelde dat zijn knie in mijn buik drukte en voelde dat mijn keel dichtgedrukt werd. Ik voelde dat ik bijna geen adem meer kon halen. Ik voelde een soort van druk naar mijn hoofd toe gaan. Ik kon geen geluid meer uit mijn mond krijgen. Ik wilde zeggen dat hij moest stoppen, maar ik kon dat niet meer. In mijn beleving duurt het ongeveer tien minuten voordat hij zijn handen van mijn keel afhaalde.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 februari 2026, opgenomen op pagina 43 e.v. van voorgenoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :
Verbalisant 2: 16:36 uur, dan komt hij uit de wc denk ik en dan gaat hij naar boven. Aangeefster: ja, toen is het gebeurd.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 8 februari 2026, opgenomen op pagina 185 e.v. van voorgenoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten:
Kort daarop kwam het slachtoffer naar beneden, zij droeg een hoofddoek. Desondanks zagen wij onmiddellijk dat zij donkere striemen had in haar hals.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2026, opgenomen op pagina 90 e.v. van voorgenoemd dossier, inhoudende de beschrijving van de camerabeelden:
De verdachte en aangeefster zijn dan van 16:37 tot en met 16:46 uur kennelijk beiden boven.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 februari 2026 opgenomen op pagina 114 van voorgenoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam] en de daarbij behorende fotos:
Met betrekking tot het incident op zaterdag 7 februari verklaarde [naam] het volgende verloop:
23:32 uur: Telefonisch contact waarin [slachtoffer] verklaarde dat [verdachte] haar had geprobeerd te wurgen. [slachtoffer] gaf aan [naam] door dat ze direct de politie moest bellen.
23:36 uur: Ontvangst van een bericht met de locatiegegevens: [adres 3]
23:38 uur: Ontvangst van een bericht met de tekst "Alles was ik zeg verwijder ik voor me zelf dus niet terug reageeren" inclusief een foto van de opgelopen verwondingen.
6. Een geneeskundige verklaring, op 10 maart 2026 opgemaakt en ondertekend door [arts] , forensisch arts, voor zover inhoudend als zijn/haar geneeskundige verklaring en de daarbij behorende fotos van het letsel:
Typering letsel hals links: het betreft twee in de huid gelegen bloeduitstortingen. Typering letsel hals rechts: het betreft vier in de huid gelegen bloeduitstortingen.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster
Nu de aangifte en de verklaring van verdachte uiteenlopen over de feiten die hebben plaatsgevonden en aangeefster haar verklaring over de feiten op een later moment heeft gewijzigd, ziet de rechtbank zich in het kader van de feitenvaststelling allereerst voor de vraag gesteld of de door aangeefster in de aangifte en het verhoor van 9 februari 2026 afgelegde verklaringen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt.
Aangeefster heeft kort na het ten laste gelegde uitvoerig en gedetailleerd verklaard welke handelingen op welke manier hebben plaatsgevonden. Op 9 februari 2026 is aangeefster opnieuw gehoord en heeft zij een verklaring afgelegd die op essentiële onderdelen overeenkomt met haar aangifte. De verklaring van aangeefster wordt tevens op - belangrijke onderdelen ondersteund door de bevindingen van de politie die ter plaatse heeft gezien dat aangeefster letsel aan haar hals had. Dit letsel wordt later door de forensisch arts omschreven als meerdere bloeduitstortingen in de hals, hetgeen weer past bij de oorspronkelijke verklaring van aangeefster dat verdachte haar met twee handen bij de keel heeft gegrepen en haar keel heeft dichtgedrukt. Ook wordt de aangifte ondersteund door de berichten van aangeefster naar haar moeder waarin zij schrijft dat verdachte haar heeft gewurgd en de fotos van het letsel die zij hierbij stuurt. Tot slot bevestigt de beschrijving van de camerabeelden dat verdachte en aangeefster zich samen op de bovenverdieping bevonden op het moment dat aangeefster verklaart dat het feit zich heeft voorgedaan.
Hoewel aangeefster na het doen van aangifte, meermalen heeft aangegeven haar aangifte te willen intrekken, maakt dit niet dat de inhoudelijke verklaringen van aangeefster over het ten laste gelegde daarmee onbetrouwbaar of niet waarheidsgetrouw zijn. Integendeel. Aangeefster stelde al direct dat verdachte zou pogen de geloofwaardigheid van haar verklaring in twijfel te trekken door te wijzen op haar geschiedenis van automutilatie. Aangeefster ontkende evenwel met klem dat daarvan in dit geval sprake was. In het licht van bovenstaande is de verklaring die verdachte ter zitting heeft afgelegd naar het oordeel van de rechtbank dan ook volstrekt ongeloofwaardig.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van aangeefster zoals opgenomen in de aangifte en het verhoor van 9 februari 2026 betrouwbaar zijn.
Feitelijke gedragingen
De rechtbank stelt op basis van voorgenoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte aangeefster twee keer kort achter elkaar met beide handen bij haar keel heeft gepakt en haar keel dicht heeft geknepen. De tweede keer dat verdachte de keel van aangeefster dicht heeft geknepen, zat verdachte bovenop haar en drukte toen zijn knie in haar buik. Bij aangeefster zijn hierdoor in haar hals meerdere bloeduitstortingen ontstaan.
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden hoe het handelen van verdachte moet worden gekwalificeerd.
Poging tot doodslag
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van aangeefster. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in het procesdossier
om te kunnen vaststellen dat verdachte vol opzet heeft gehad om aangeefster te doden door haar te wurgen.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangeefster. Het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende informatie over onder meer de kracht, intensiteit en duur van het dichtknijpen van de keel en of deze combinatie een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. Ook de forensisch arts heeft hierover geen uitsluitsel kunnen geven. Daarom is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat door het handelen van verdachte er sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster.
De primair ten laste gelegde poging tot doodslag kan daarom niet worden bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
Poging tot zware mishandeling
De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of verdachte het (voorwaardelijk) opzet had om zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster toe te brengen.
Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de hals kwetsbare en vitale organen bevinden zoals de luchtpijp, het strottenhoofd en de halsslagader. Het dichtdrukken van de keel kan leiden tot een (tijdelijke) belemmering van de bloedtoevoer, waarin naar algemene ervaringsregels ernstige risicos voor de hersenfuncties besloten liggen. Ook kan het dichtknijpen van de keel gedurende slechts enkele seconden leiden tot zuurstofgebrek, wat weer direct kan leiden tot een gebrek aan zuurstof in de hersenen en daarmee tot hersenletsel. Het moet ook voor verdachte duidelijk zijn geweest dat het tot twee keer toe, kort achter elkaar en met beide handen dichtknijpen van de keel van aangeefster, de aanmerkelijke kans in het leven riep dat zij daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Verdachte heeft die kans blijkens zijn wijze van handelen ook welbewust aanvaard.
De rechtbank acht daarom de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 7 februari 2026 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
- poging zware mishandeling
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering en de vordering tot tenuitvoerlegging
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, onder de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de bij het arrest van 6 juni 2025 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 19 dagen, ten uitvoer wordt gelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafoplegging. Hij heeft gelet op de bepleite vrijspraak verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. Daarnaast heeft de raadsman verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen en de onmiddellijke invrijheidsstelling van verdachte te gelasten.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 28 april 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling van zijn echtgenoot door haar tweemaal bij de keel vast te pakken en deze dicht te knijpen. De feiten hebben zich voorgedaan in de gezamenlijke woning waar de vier jonge kinderen van verdachte en aangeefster aanwezig waren.
Verdachte heeft met handelen de lichamelijke integriteit van aangeefster ernstig geschonden binnen de
relatie en op de plek waar iemand zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen: het huwelijk en de echtelijke woning. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.
Bij het bepalen van de hoogte van die straf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Voor een voltooide zware mishandeling zonder gebruik te maken van een wapen geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. De rechtbank is van oordeel dat bij deze poging tot zware mishandeling en hogere straf passend is, nu de gedraging heeft plaatsgevonden in de woning, er kinderen aanwezig waren en het de levenspartner van verdachte betreft.
In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank tevens mee dat verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden. Verdachte lijkt de problematiek die speelt binnen de relatie te bagatelliseren en legt de verantwoordelijkheid hiervoor volledig bij aangeefster.
De rechtbank zal een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, bij wijze van stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw (gewelds)delicten pleegt. De duur van het voorwaardelijke strafdeel is ingegeven door het feit dat het de wens van verdachte en aangeefster is om de relatie voort te zetten en de rechtbank in het dossier aanwijzingen ziet voor intieme terreur.
De rechtbank acht alles overwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 80 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden. De rechtbank zal aan deze voorwaardelijke straf de voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de te stellen voorwaarden en het daarop door de reclassering uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, nu het risico op herhaling van huiselijk geweld matig tot hoog wordt ingeschat en verdachte en aangeefster ter zitting te kennen hebben gegeven de relatie voort te willen zetten.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk arrest van 6 juni 2025 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 30 dagen, waarvan 19 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 6 januari 2026. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vordering van 17 augustus 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf. Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf (een gedeelte, groot 80 dagen), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:
zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start na aanmelding en zodra er plek is. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is in eerste instantie voornamelijk gericht op de relatie met zijn partner;
3. dat veroordeelde meewerkt aan de betrokken hulpverlening, waaronder op dit moment in ieder geval Veilig Thuis en het WIJ-team, en de reclassering toestemming geeft om deze partijen te raadplegen als referent, indien de reclassering dit nodig vindt.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat veroordeelde:
Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
21. 003090-22:
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 juni 2025, te weten: een gevangenisstraf van 19 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. S. Zwarts en mr. A.L.J.M.A. Janssens, rechters, bijgestaan door mr. S.G. Martire, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 september 2026.