ECLI:NL:RBNNE:2026:4087

ECLI:NL:RBNNE:2026:4087

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 24-08-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer NL:TZ:2615701:R-RK
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Afwijzen verzoek moratorium ex art 278b Fw na eerder moratorium en wsnp die tussentijds beëindigd.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Team Insolventie

Zittingsplaats Groningen

Rekestnummer: NL:TZ:2615701:R-RK

Uitspraak van

In de zaak van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

verzoeker, hierna te noemen [verzoeker],

tegen

Stichting Lefier, vertegenwoordigd door Flanderijn Gerechtsdeurwaarders,

Spoorbaan 2, 9901 DD Appingedam

hierna te noemen de verhuurder,

tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet (Fw).

Samenvatting

[verzoeker] heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.

De rechtbank wijst het verzoek af.

1. De procedure

Het verloop van de procedure bestaat uit:

- het verzoek voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 van de Fw inclusief bijlagen, waaronder het ontruimingsvonnis van 7 februari 2023 en het exploot van 10 juni 2026 waarin de ontruiming is aangezegd tegen 7 juli 2026, ingediend samen met een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling;

- het tussenvonnis van de rechtbank van 6 juli 2026, waarbij de aangezegde ontruiming (voorlopig) is verboden onder de voorwaarde dat de lopende verplichtingen door [verzoeker] worden nagekomen;

- het verweerschrift van de verhuurder van 19 augustus 2026

- de e-mailberichten van [verzoeker] van 20 en 23 augustus 2026

- de zitting van maandag 24 augustus 2026, waarbij aanwezig waren:

- [verzoeker];

- [naam 1], namens Flanderijn;

- [naam 2] en [naam 3], namens Lefier;

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2. Het verzoek

[verzoeker] verzoekt de rechtbank om te verbieden over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis van 7 februari 2023. [verzoeker] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat zij probeert tot een minnelijke schuldregeling met haar schuldeisers te komen.

Op 13 augustus 2026 heeft de schuldhulpverlener tussentijds verslag gedaan. Hieruit blijkt dat de schuldeisers zijn aangeschreven met het verzoek hun vordering aan te geven. Er zijn diverse schuldeisers die hebben aangegeven bij voorbaat al niet akkoord te willen gaan met het minnelijke traject omdat de Wsnp recentelijk is beëindigd zonder de schone lei. Het minnelijke traject moet dan ook als mislukt beschouwd worden waardoor er een beroep moet worden gedaan op de wsnp. [verzoeker] gaf in eerste instantie aan dat zij beschermingsbewind zou aanvragen. De stukken voor de aanvraag zijn ook voorbereid. Later gaf [verzoeker] aan dat zij dit verzoek pas wil indienen op het moment dat het moratorium is toegewezen.

[verzoeker] heeft bij e-mail berichten van 20 en 23 augustus aangegeven dat zij geen vertrouwen meer heeft in de schuldhulpverlener en het voorgestelde beschermingsbewind via dit kantoor. [verzoeker] geeft aan dat met haar onvoldoende is besproken hoe haar financiële situatie onder beschermingsbewind praktisch zou worden ingericht. [verzoeker] geeft de voorkeur aan beschermingsbewind via de GKB in Groningen. [verzoeker] wil haar schulden graag aflossen en heeft geprobeerd afspraken te maken. Het eerdere Wsnp-traject is beëindigd omdat toen ook de ondertoezichtstelling van haar kinderen speelde. Daarvoor moest zij verplicht verschillende trajecten volgen en afspraken nakomen en lukte het niet om aan de verplichtingen uit de Wsnp te voldoen. [verzoeker] is bereid om verantwoordelijkheid te nemen en de schulden op te lossen. Het verlies van haar woning zou grote gevolgen hebben. Beide kinderen van [verzoeker] hebben een ontwikkelingsachterstand en hebben grote behoefte aan stabiliteit, structuur en een vertrouwde woonomgeving. [verzoeker] is bereid om onder begeleiding en toezicht haar financiële situatie structureel op orde te brengen.

Ter zitting heeft [verzoeker] herhaald dat zij geen vertrouwen meer heeft in haar schuldhulpverlener. Om die reden is zij ook niet bij de zitting aanwezig. [verzoeker] wilde wachten met de aanvraag tot beschermingsbewind tot een definitief moratorium was afgegeven. De beschermingsbewindvoerder kon zich volgens [verzoeker] vinden in deze keuze.

3. Het verweer

De verhuurder stelt zich op het standpunt dat het verzoek van verzoeker dient te worden afgewezen. De verhuurder stelt voldoende coulant te zijn geweest. Het ontruimingsvonnis dateert van 7 februari 2023 en alle hulp is tot nu toe beëindigd, dan wel mislukt door toedoen van het handelen (of juist gebrek aan handelen) van [verzoeker]. Op 20 februari 2025 heeft [verzoeker] een eerder moratorium toegewezen gekregen voor de uur van zes maanden. Toewijzing van een nieuw moratorium maakt dat de maximale termijn wordt overschreden. De verhuurder heeft er geen enkel vertrouwen in dat [verzoeker] haar financiële situatie onder controle kan brengen. Zij heeft al diverse mislukte pogingen gehad tot de Wsnp en er lijkt nog geen zekerheid te zijn dat beschermingsbewind wordt uitgesproken. Voor de verhuurder is de maat vol.

Mevrouw Schuil voert ter zitting namens de verhuurder voorts aan dat de achterstanden als sinds 2017 bestaan. In maart 2023 is een tweede kans beleid gestart. Het opgestarte budgetbeheer is in februari 2024 echter stopgezet. Vervolgens heeft [verzoeker] opnieuw hulp gezocht en is in 2025 een moratorium toegewezen en is uiteindelijk ook een Wsnp uitgesproken. Dit is echter al snel weer beëindigd. Ondertussen loopt de huurachterstand alleen maar verder op. De verhuurder heeft wel begrip voor de door [verzoeker] geschetste omstandigheden, maar heeft de afgelopen tien jaar voldoende geduld betracht, terwijl [verzoeker] steeds haar afspraken niet nakomt. Daar komt bij dat [verzoeker] ook nog eens veel overlast veroorzaakt. Voor de verhuurder is de maat echt vol.

4. De beoordeling

De gevraagde voorlopige voorziening strekt naar haar aard tot het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw. In het tweede lid van het genoemde artikel is – kort gezegd – bepaald dat de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis wordt opgeschort voor de duur van de schuldsaneringsregeling, mits de lopende huurpenningen tijdig worden voldaan.

De rechtbank overweegt dat beslissend is de vraag of de gevraagde voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is teneinde verzoeker in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming met de schuldeisers te komen over een minnelijke schuldregeling. Met betrekking tot de vraag of de voorziening gerechtvaardigd is overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals door de verhuurder terecht aangevoerd spelen de financiële problemen van [verzoeker] al geruime tijd. In het verleden heeft zij diverse malen hulp gehad bij het oplossen ervan, maar dit is tot op heden niet gelukt. [verzoeker] heeft eerder een moratorium gehad voor zes maanden en heeft kort geleden een Wsnp gehad, die tussentijds is beëindigd. De huurachterstand is gedurende die tijd nog verder opgelopen. De rechtbank houdt rekening met de door [verzoeker] gestelde omstandigheden waaronder het belang om een stabiele woonomgeving voor haar kinderen te behouden, maar is desondanks van oordeel dat van de verhuurder niet langer gevergd kan worden dat zij de woning aan [verzoeker] ter beschikking stelt zonder over enige waarborgen te beschikken dat de maandelijkse huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. De rechtbank is van oordeel dat beschermingsbewind in deze situatie aangewezen en ook noodzakelijk is gezien de mislukte pogingen in het verleden om tot een oplossing van de schulden te komen en het verder oplopen van de schulden. Nu [verzoeker] ervoor heeft gekozen deze aanvraag (nog) niet in te dienen, kan van de verhuurder niet langer gevraagd worden dat zij pas op de plaats maakt.

De gevraagde voorziening zal dan ook worden afgewezen.

[verzoeker] dient binnen twee weken na heden aan te geven of zij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling handhaaft. Indien [verzoeker] niet binnen twee weken reageert, zal zij niet-ontvankelijk worden verklaard ten aanzien van dit verzoek.

4. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Dit is de beslissing van mr. M.C. Groenewegen, rechter, bijgestaan door de griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.C. Groenewegen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand