ECLI:NL:RBNNE:2026:4089

ECLI:NL:RBNNE:2026:4089

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer S.18/26/1202-1203-1204
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Surseance. Beschikking ex artikel 268a Fw. De rechter-commissaris stelt het akkoord vast als ware het aangenomen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Team Insolventie

Zittingsplaats: Groningen

Zaaknummers: S.18/26/1202-1203-1204

Beschikking van 28 augustus 2026 ex artikel 268a van de Faillissementswet (Fw) van de rechter-commissaris in de voorlopige surséance van betaling van

Noor Groningen V.O.F.,

bezoekadres aan de Zuiderweg 38, 9745 AD te Groningen,

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer 61l8777l,

alsmede haar vennoten

[naam 1] , geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats]

en

[naam 2] , geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],

beiden wonende te [adres]

hierna te noemen: [schuldenaren]

bewindvoerder: mr. J.J. Reiziger.

1. Procedure

Bij beschikking van deze rechtbank van 22 juni 2026 is ten aanzien van Noor c.s. een voorlopige surséance van betaling uitgesproken.

Op 24 augustus 2026 heeft een crediteurenvergadering plaatsgevonden waarbij tevens het op 22 juni 2026 door Noor c.s. ingediende akkoord is behandeld.

Ter vergadering hebben 23 van de 26 schuldeisers, middels volmacht voor het akkoord gestemd. De overige schuldeisers, te weten de heer [naam 3] en mevrouw [naam 4], hun onderneming [bedrijf] B.V. (hierna samen te noemen [naam 3 en 4]) en Hanos hebben tegen gestemd. [naam 3 en 4] en Hanos vertegenwoordigen samen ruim 89% van de totale schuldenlast.

De rechter-commissaris heeft ter vergadering vastgesteld dat het akkoord niet is aangenomen. [schuldenaren] heeft met een beroep op artikel 268a van de Faillissementswet (Fw) verzocht het akkoord vast te stellen als ware het aangenomen.

2. Overwegingen

Aanbod

[schuldenaren] heeft haar schuldeisers een akkoord aangeboden dat kort gezegd inhoudt dat zij haar bevoorrechte erkende schuldeisers volledig voldoet, evenals de kosten van de surseance, waaronder het salaris van de bewindvoerder. [schuldenaren] betaalt op de vorderingen van haar concurrente schuldeisers over bedragen van € 0,00 t/m € 500,00 een percentage van 100% en over bedragen boven € 500,00 een percentage van 25%, tegen finale kwijting van het restant. [schuldenaren] betaalt op de vordering van haar achtergestelde schuldeisers over bedragen van € 0,00 t/m € 500,00 een percentage van 100% en over bedragen van boven € 500,00 een percentage van 0%, tegen finale kwijting van het restant.

De rechter-commissaris heeft op de vergadering van 24 augustus 2026 geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de in artikel 268 Fw genoemde eisen voor het aannemen van het akkoord. Aan de vereiste meerderheid van de ter vergadering verschenen schuldeisers is voldaan, maar deze schuldeisers vertegenwoordigen niet ten minste de helft van het bedrag van de erkende en toegelaten schuldvorderingen.

Ingevolge artikel 268a Fw kan de rechter-commissaris in afwijking van artikel 268 Fw op verzoek van de schuldenaar of de bewindvoerder bij gemotiveerde beschikking een aangeboden akkoord vaststellen als ware het aangenomen, indien:

drie vierde van de ter vergadering verschenen erkende en toegelaten schuldeisers voor het akkoord hebben gestemd; en

de verwerping van het akkoord het gevolg is van het tegenstemmen van een of meer schuldeisers die, alle omstandigheden in aanmerking genomen en in het bijzonder het percentage dat die schuldeisers, zou de boedel worden vereffend, naar verwachting aan betaling op hun vordering zullen ontvangen, in redelijkheid niet tot dit stemgedrag hebben kunnen komen.

De rechter-commissaris constateert dat aan het vereiste van artikel 268a onder a Fw wordt voldaan, nu 88,46% van de ter vergadering verschenen erkende en toegelaten schuldeisers via volmacht voor het akkoord hebben gestemd. Ten aanzien van het criterium van artikel 268a onder b Fw overweegt de rechter-commissaris als volgt.

Standpunt [schuldenaren]

Door [schuldenaren] is ter onderbouwing van het verzoek – samengevat – het volgende aangevoerd. In 2025 wordt het de vennoten met behulp van een nieuwe financieel adviseur en accountant duidelijk dat de onderneming te weinig winst genereert om naast een fatsoenlijk inkomen voor de vennoten, de huurprijs en de aflossingen te kunnen voldoen. Om die reden hebben de vennoten de huurovereenkomst opgezegd. Bij afwijzing van het akkoord zal een faillissement volgen en zullen de vennoten een Wsnp doorlopen. Dit zal resulteren in een uitkering aan de schuldeisers van maximaal 20%. Van het ontbreken van goeder trouw aan de zijde van de [schuldenaren] is geen sprake. Door [schuldenaren] wordt aan haar crediteuren een bedrag aangeboden van tenminste 25%. Onder die omstandigheden hebben [naam 3 en 4] en Hanos niet in redelijkheid tot weigering van het aangeboden akkoord kunnen komen. Voor wat betreft de achtergestelde vordering van [naam 3 en 4] bestaat wat [naam 1] betreft geen discussie, dit betreft een achterstelling ten opzichte van alle vorderingen en niet slechts een achterstelling ten opzichte van de vordering van de Rabobank.

Standpunt Hanos

Door Hanos is – samengevat – aangevoerd dat zij heeft tegengestemd omdat zij goederen leverde aan [schuldenaren] en deze de samenwerking heeft beëindigd nadat bleek dat Hanos niet aan het akkoord wilde meewerken.

Standpunt [naam 3 en 4]

Door [naam 3 en 4] is – samengevat – aangevoerd dat zij kosten noch moeite heeft gespaard om [schuldenaren] in de gelegenheid te stellen haar droom waar te maken door het doen van investeringen, het ter beschikking stellen van het pand, het adviseren bij de bedrijfsvoering en het omzetten van huurachterstanden in leningen. [naam 3 en 4] is van mening dat zij op enig moment haar investeringen terug dient te ontvangen en door het opzeggen van de huurovereenkomst en de sanering wordt haar die kans door [schuldenaren] ontnomen. Tegelijkertijd probeert [schuldenaren] met behulp van een nieuwe investeerder na sanering van de schulden opnieuw te beginnen. [naam 3 en 4] stelt zich op het standpunt dat van een verlieslatende onderneming geen sprake is en dat voor het opzeggen van de huurovereenkomst geen enkele noodzaak bestond. Deze keuze is onverantwoord en onacceptabel, zeker nu dat betekent dat [naam 3 en 4] met het akkoord meer dan € 300.000,- van haar vorderingen zou moeten prijsgeven. Bovendien blijkt uit niets dat het voorgestelde akkoord het maximaal haalbare is. [naam 3 en 4] kan het akkoord dan ook in alle redelijkheid afwijzen.

Standpunt bewindvoerder

De bewindvoerder heeft aangegeven dat hij geen omstandigheden heeft aangetroffen die aan het aannemen van het akkoord in de weg staan. Bovendien zal het alternatief, een faillissement naar schatting eindigen in een maximale uitkering van ongeveer 4% en ingeval van een Wsnp regeling van de vennoten, een uitkering van maximaal 20% voor de concurrente schuldeisers.

3. Beoordeling

Bij de beantwoording van de vraag of de tegenstemmende schuldeisers in redelijkheid tot hun weigering van het akkoord hebben kunnen komen, komt in het bijzonder gewicht toe aan een vergelijking tussen hun positie onder het aangeboden akkoord en de positie waarin zij bij vereffening van de boedel naar verwachting zou verkeren. Deze vergelijking vormt, gelet op de uitdrukkelijke verwijzing in artikel 268a Fw naar de bij vereffening te verwachten uitkering, een zwaarwegend gezichtspunt bij de beoordeling, zonder dat daaraan een zelfstandige of doorslaggevende betekenis toekomt.

De rechter-commissaris stelt voorop dat zij op basis van hetgeen door de bewindvoerder is gesteld tot uitgangspunt neemt dat afwijzing van het akkoord het faillissement van Noor v.o.f. en het faillissement dan wel de Wsnp van de vennoten tot gevolg zal hebben.

[naam 3 en 4] heeft gesteld dat [schuldenaren] niet te goeder trouw is ten aanzien van het onbetaald laten van haar schulden. Zij stelt dat de financiële situatie van [schuldenaren] niet zodanig slecht is dat dit rechtvaardigt dat zij de huurovereenkomst tussentijds heeft opgezegd en de stekker uit haar onderneming heeft getrokken. De rechter-commissaris volgt dit standpunt niet. [schuldenaren] stond voor de keuze om de huurovereenkomst voor opnieuw vijf jaar voort te zetten, terwijl de onderneming blijkens het advies van haar adviseur op dat moment onvoldoende inkomsten genereerde om haar aflossingsverplichtingen na te komen, daarnaast de huurprijs te voldoen en een redelijke arbeidsbeloning toe te kennen. Hoewel er het nodige valt af te dingen op de gepresenteerde overzichten en cijfers en er door [naam 3 en 4] terecht kritische kanttekeningen zijn gemaakt, is de rechter-commissaris van oordeel dat wel voldoende duidelijk is geworden dat de onderneming zwaar overgefinancierd was en de keuze van [schuldenaren] om zich niet nogmaals voor vijf jaar te committeren in dat licht niet onbegrijpelijk is. De rechter-commissaris ziet dan ook geen aanleiding om een toelating tot de Wsnp op die grond op voorhand uit te sluiten.

Vergelijking

Voor de vergelijking of de schuldeisers beter af zijn bij een afwijzing van het akkoord zal daarom rekening worden gehouden met de situatie waarin sprake is van een faillissement met aansluitend dan wel gelijktijdig een schuldsaneringsregeling van de vennoten. Die zal, zo is door [schuldenaren] en de bewindvoerder becijferd, leiden tot een uitkering aan de concurrente crediteuren van maximaal 20%.

[naam 3 en 4] heeft aangegeven dat door de bewindvoerder wordt uitgegaan van een te lage omzet, gezien de omzetten in het verleden. De rechter-commissaris overweegt echter dat het faillissement van Noor V.O.F. en schuldsaneringsregeling van de vennoten tot gevolg zal hebben dat de onderneming wordt gestaakt en beide vennoten op zoek zullen moeten naar een loondienstbetrekking. Rekening houdend met de standaard looptijd van de schuldsaneringsregeling van achttien maanden is het echter uiterst onzeker of een uitkering van 20% daadwerkelijk zal worden behaald en is dit naar het oordeel van de rechter-commissaris te optimistisch. Daar komt bij dat het akkoord een uitdeling op korte termijn betreft, terwijl in het alternatieve scenario het pas op zijn vroegst over 18 maanden tot een uitkering zal komen.

Maximale aanbod

Ten aanzien van het standpunt van [naam 3 en 4] dat niet is komen vast te staan dat het door de derde ter beschikking gestelde bedrag het maximaal haalbare is, acht de rechter-commissaris van belang om vast te stellen dat de aan de schuldeisers aangeboden uitkering voldoende is onderbouwd en dat geen redelijkerwijs te verwachten hogere opbrengst voor de schuldeisers onbenut blijft. Daarbij is niet vereist dat wordt vastgesteld dat de derde tot het uiterste van zijn financiële mogelijkheden bijdraagt. Het gaat erom of aannemelijk is dat, gelet op de beschikbare middelen van [schuldenaren], de opbrengst bij een eventuele vereffening en de van derden verkregen financiering, het aangeboden akkoord een voor de schuldeisers maximaal redelijkerwijs haalbaar resultaat biedt. Door [naam 3 en 4] is hier onvoldoende tegenin gebracht en er is de rechter-commissaris ook niet gebleken van een reële, voldoende onderbouwde mogelijkheid om een hoger bedrag voor de schuldeisers beschikbaar te krijgen.

Achtergestelde vordering

[naam 3 en 4] heeft naast de erkende concurrente vordering ook nog een contractueel achtergestelde vordering op [schuldenaren] Deze vordering is, voor wat betreft de aflossingen, achtergesteld als bedoeld in artikel 3:277 lid 2 BW bij vorderingen van derden op de schuldenaren. Partijen verschillen van mening of de achterstelling slechts heeft te gelden ten opzichte van de Rabobank of dat sprake is van een achterstelling op alle vorderingen. De rechter-commissaris is van oordeel dat uit de overgelegde stukken niet met zekerheid kan worden afgeleid dat de achterstelling enkel geldt ten opzichte van de vordering van de Rabobank, zodat de rechter-commissaris voor de beoordeling van de voorliggende rechtsvraag uitgaat van een achterstelling ten opzichten van alle vorderingen. Gelet op deze achterstelling is het bij vereffening door middel van faillissement en Wsnp niet aannemelijk dat op deze vordering een uitkering zal plaatsvinden, nu de hoger gerangschikte schuldeisers naar verwachting niet volledig zullen worden voldaan. Het akkoord voorziet ook ten aanzien van deze achtergestelde vordering in een uitkering tegen finale kwijting. De achtergestelde positie van deze vordering vormt daarom geen omstandigheid die maakt dat [naam 3 en 4] bij vereffening naar verwachting een gunstiger positie inneemt dan onder het akkoord.

Conclusie

Bij de beoordeling of [naam 3 en 4] in redelijkheid tot haar tegenstem heeft kunnen komen, komt betekenis toe aan de omvang van haar vordering. Zij vertegenwoordigt ruim 89% van de totale schuldenlast. Dit is een zwaarwegende omstandigheid. Het enkele feit dat een schuldeiser een zeer groot deel van de schuldenlast vertegenwoordigt, is evenwel niet doorslaggevend. Artikel 268a Fw verlangt immers een beoordeling van alle omstandigheden.

De rechter-commissaris onderkent dat [naam 3 en 4] door het akkoord een aanzienlijk deel van haar vorderingen prijsgeeft. Dit vormt op zichzelf een reëel belang bij haar tegenstem. Dit belang moet echter worden afgezet tegen het resultaat dat zij bij verwerping van het akkoord naar verwachting zal behalen. Daarbij weegt mee dat de onder het akkoord geboden uitkering gegarandeerd is, terwijl de verwachte uitkering bij vereffening onzeker is en de gehanteerde 20% reeds als een (te) optimistische prognose moet worden beschouwd. Bovendien weegt de rechter-commissaris mee dat de overige 23 schuldeisers voor het akkoord hebben gestemd. Weliswaar hebben die schuldeisers lagere vorderingen dan [naam 3 en 4], maar zij hebben ook belang bij het ontvangen van een hogere uitkering.

Ook ten aanzien van Hanos geldt dat aanneming van het akkoord haar een gunstiger financieel resultaat biedt dan het alternatief van vereffening. De door Hanos ter rechtvaardiging van haar weigering aangevoerde omstandigheden wegen, mede gelet op dit verschil in verwachte uitkering, naar het oordeel van de rechter-commissaris onvoldoende zwaar.

Van andere, voldoende zwaarwegende belangen die de tegenstem zouden kunnen rechtvaardigen, is niet gebleken. De rechter-commissaris is daarom van oordeel dat Hanos en [naam 3 en 4] in redelijkheid niet tot hun weigering van het akkoord hebben kunnen komen. Nu is voldaan aan de vereisten van artikel 268a Fw en zal het akkoord worden vastgesteld als ware het aangenomen.

4. De beslissing

De rechter-commissaris:

stelt het aangeboden akkoord vast als ware het aangenomen;

bepaalt dat de homologatie van het akkoord zal worden behandeld op16 september 2026 om 13:15 uur.

Deze beschikking is gegeven op 28 augustus 2026 door mr. M.C. Groenewegen,rechter-commissaris (plv.).

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.C. Groenewegen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand