RECHTBANK Noord-Nederland
Team Insolventie
Zittingsplaats Groningen
zaaknummer: C/18/26/1267 R
Vonnis van 7 september 2026
op het verzoek van
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
voorheen handelend onder de namen: [bedrijf 1] ,
voorheen gevestigd te [adres] ,
KvK nummer: [nummer] en [bedrijf 2] ,
voorheen gevestigd te [adres] ,
KvK-nummer: [nummer] ,
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
[verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank wijst het verzoek toe.
1. De procedure
De procedure bestaat uit:
- het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen;
- de zitting van donderdag 3 september 2026, waarbij aanwezig waren:
- [verzoeker] ;
- Mw. [schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener, werkzaam bij de Groningse Kredietbank.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker/verzoekster in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat [verzoeker] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker/verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn/haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
In verband hiermee overweegt de rechtbank als volgt. [verzoeker] heeft een totale schuldenlast van € 58.332,08. Een aantal van de schulden zijn nog heel recent. Zo bestaat bij het CJIB een vordering ter hoogte van € 519,00 betreffende een drietal verkeersboetes van november 2024 en maart en augustus 2025. Daarnaast heeft [verzoeker] een drietal vorderingen van de tandarts onbetaald gelaten, ontstaan in augustus 2025. Blijkens de door de [verzoeker] overgelegde bankafschriften wordt door [verzoeker] regelmatig geld overgemaakt naar familieleden in Kameroen. In de maanden januari t/m juli 2026 een totaalbedrag van ruim € 3.200,00. Daarnaast ontvangt [verzoeker] maandelijks diverse bedragen via tikkies van derden.
Ter zitting is door [verzoeker] verklaard dat hij regelmatig klusjes voor anderen deed waarvoor hij met een tikkie betaald kreeg. [verzoeker] heeft echter sinds medio augustus een nieuwe baan en die klusjes doet hij niet meer. Hij heeft nu nog een nul-uren contract, maar wordt eigenlijk iedere dag ingezet.
Ten aanzien van de financiële bijdrage aan familie in het buitenland heeft [verzoeker] verklaard dat hij dat sinds ongeveer anderhalf jaar doet. Hij heeft een afspraak met zijn moeder dat zij de boodschappen doet voor [verzoeker] en zijn kinderen en ook het eten verzorgd. In ruil daarvoor maakt [verzoeker] geld over naar zijn familie in Kameroen.
De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat het budget stabiel is. Het budgetbeheer loopt goed, [verzoeker] werkt heel goed mee en de gevraagde stukken worden snel aangeleverd.
De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt. De rechtbank verwijst als eerste naar de nog recent ontstane boetes van het CJIB die naar hun aard als niet te goede trouw moeten worden aangemerkt. Daarnaast constateert de rechtbank dat [verzoeker] onder meer de rekeningen van de tandarts onbetaald heeft gelaten, maar ondertussen wel forse bedragen heeft overboekt naar zijn familie in het buitenland. Wat er ook zij van de afspraak van die [verzoeker] heeft gemaakt met zijn moeder, het budget van [verzoeker] was op dat moment niet toereikend om deze overboekingen te doen. Dit maakt dat [verzoeker] niet te goeder trouw is ten aanzien van het onbetaald laten van deze vorderingen.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin [verzoeker] nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. De rechtbank overweegt daartoe dat [verzoeker] sinds december 2025 in budgetbeheer zit. Sindsdien is zijn financiële situatie stabiel en ontstaan er geen nieuwe schulden meer. Verder heeft [verzoeker] ter zitting verklaard dat hij is gestopt met het doen van ‘klusjes’ tegen betaling en nu in loondienst werkt. Ten aanzien van de afspraak met zijn moeder en het geld wat hij maandelijks naar familie stuurt, heeft de rechtbank geconstateerd dat [verzoeker] dit op dit moment doet vanuit zijn vrij te laten bedrag. Dit staat naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aan toelating tot de wsnp in de weg, het verzoek zal dan ook worden toegewezen. Wel wijst de rechtbank [verzoeker] op de strenge regels van de Wsnp. [verzoeker] dient met de te benoemen bewindvoerder te bespreken of en op welke wijze de afspraak met zijn moeder kan worden voortgezet.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen. [verzoeker] heeft enige tijd niet gewerkt en gedurende deze periode ook geen sollicitaties verricht. Om die reden is een eerdere ingangsdatum niet aan de orde.
3. De beslissing
De rechtbank:
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:[verzoeker] ,geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ;,
stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op de achttien maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak;
benoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga;
benoemt tot bewindvoerder [bewindvoerder] , [adres] ;
geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoeker] in te zien totdat de schuldsaneringsregeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden;
bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag opnemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de schuldsaneringsregeling loopt en voor zover de boedel toereikend is;
stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen.
Dit is de beslissing van mr. M.C. Groenewegen, rechter, bijgestaan door de griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2026.