ECLI:NL:RBNNE:2026:4094

ECLI:NL:RBNNE:2026:4094

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 28-09-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer 18.017924.26
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Assen

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt verdachte voor het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde: opzetverkrachting en bedreiging met verkrachting. Gelet op het advies van de deskundigen acht de rechtbank het noodzakelijk dat de reclassering de mogelijkheid en de haalbaarheid van het opleggen van een terbeschikkingstelling met voorwaarden onderzoekt en hierover een maatregelrapport opstelt. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de rechtbank de feiten wettig en overtuigend bewezen acht. Gelet hierop zal de rechtbank het onderzoek heropenen en schorsen.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 september 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.S. Kessel, advocaat te Dordrecht. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door J.G.F. van Boven.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 14 november 2025 te Hoogeveen, althans in Nederland,

met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

2

hij op of omstreeks 3 januari 2026 te Hoogeveen en/of Zwolle en/of (elders) in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met

- de misdrijven omschreven in de artikelen 241 en 243 Wetboek van Strafrecht, te weten opzetverkrachting door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen:

"Vieze slettehoer dat je bent. Je neukt iedereen maar mij niet. Kankerhoer. Ik neuk je. Ik verkracht je weer in je kont. Je wil het, je houdt ervan. Je wou dit altijd. Ik neuk je

nog een keer in je kont.",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 en feit 2.

Hij heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat aangeefster consistent, gedetailleerd en betrouwbaar heeft verklaard. Steunbewijs voor haar verklaringen is aanwezig in de appberichten tussen verdachte en aangeefster en het voicemailbericht van verdachte met dreigende teksten. Verder ondersteunen de kort na het incident door de politie waargenomen emoties van aangeefster haar verklaring dat zij is verkracht.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat voldoende is komen vast te staan dat verdachte het bedreigende voicemailbericht heeft ingesproken en dat dit bij aangeefster gevoelens van angst teweeg heeft gebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 en feit 2.

Hij heeft daartoe ten aanzien van feit 1 primair aangevoerd dat de tenlastegelegde handelingen niet hebben plaatsgevonden. De verklaring van aangeefster wordt niet ondersteund door voldoende stevig steunbewijs zoals objectieve sporen of objectiveerbare bevindingen. Het NFI rapport van 17 augustus 2026 ondersteunt op geen enkele wijze dat tussen verdachte en aangeefster seksueel contact heeft plaatsgevonden op de tenlastegelegde datum. Het voicemailbericht van 3 januari 2026 kan niet tot

steunbewijs dienen nu dit bericht het rechtstreeks gevolg is van een manische episode bij verdachte.

Subsidiair stelt de raadsman dat verdachte niet wist noch ernstige reden had om te vermoeden dat bij aangeefster de wil ontbrak om seks te hebben. Aangeefster heeft dit niet tegen hem gezegd en zij heeft zich niet fysiek tegen hem verzet. Verdachte heeft niet gezien of gehoord dat aangeefster moest huilen. Er was derhalve geen sprake van opzet- dan wel schuldverkrachting.

De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 2 op het standpunt gesteld dat verdachte het voicemailbericht heeft ingesproken terwijl hij zich in een manische episode bevond en dat hij op grond hiervan, dient te worden vrijgesproken dan wel, bij bewezenverklaring, dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte ter zitting van 14 september 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde:

Ik kan mij herinneren dat ik op 14 november 2025 naar de woning van [slachtoffer] ben gegaan. Het klopt dat we wel eens ruzie hadden. We hadden een knipperlicht relatie.

Mijn vader was in november 2025 heel erg ziek. Ik sliep daardoor bijna niet en ik nam in die periode ook mijn medicatie niet. Ik heb mijn medicatie laten staan om voor mijn vader te zorgen. Dat was een bewuste keuze omdat ik anders niet op tijd wakker zou worden. Ik ben daardoor erg ontregeld geraakt. Ik gebruikte quetiapine als slaapmedicatie en methylfenidaat voor mijn ADHD. Het zou best kunnen dat ik in die periode dat ik steeds heen en weer reisde tussen mijn vader in Rotterdam en mijn woning in [plaats] al psychotisch was. Eerder ben ik ook door psychoses in de problemen geraakt. Als ik psychotisch ben dan vergeet ik alles. Ik weet dan alleen wat ik op dat moment moet doen. Voor 14 november 2025 was ik psychotisch en op 14 november 2025 ook. Toen ik in januari werd aangehouden was ik ook nog steeds ontregeld.

Ik ben op 14 november 2025 naar de woning van [slachtoffer] gegaan om mijn dochter te zien. Dat was ook nooit een probleem tussen ons. De relatie was toen wel uit. Ik kan mij ook herinneren dat ik bij [slachtoffer] heb schoongemaakt.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde:

Ik heb het voicemailbericht zelf niet gehoord maar ik ga ervan uit dat ik degene ben die het bericht heeft ingesproken als dat uit het onderzoek blijkt. Ik herken het taalgebruik ook. Ik zat op dat moment in de PI en ik weet dat ik [slachtoffer] een paar keer heb gebeld.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte (met bijlagen) d.d. 20 november 2025, opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025309570 (onderzoek Salie) opgemaakt en gesloten op 20 januari 2026, voor zover inhoudend als verklaring van aangeefster [slachtoffer] :

V: Wat is jouw relatie met [verdachte] ?

A: Wij hebben samen een dochter. Het gaat op dit moment niet goed tussen ons.

V: Wanneer is jullie relatie beëindigd? A: Halverwege juli 2025.

V: Hoe is deze relatie beëindigd?

A: Na een heftige ruzie heb ik besloten dat het niet meer kon. Wij hebben daarna wel veel contact gehouden, soort aan/uit relatie tot 2/3 weken geleden. Toen was er weer een incident. Ik heb toen definitief de relatie verbroken. De laatste weken wilde ik meer een soort omgangsregeling samen, dat we contact hadden over wanneer hij de kleine wilde en kon zien. Hier luisterde hij niet naar, hij kwam gewoon wanneer hij daar zin in had.

V: Wanneer was de laatste keer dat jullie seks hadden, vrijwillig? A: Kan ik mij niet meer herinneren.

O: Aangeefster wordt emotioneel.

A: Ik had al een poosje seks met hem terwijl ik dat niet wilde... nu ik het zo uitspreek doet me dat verdriet.

V: En onvrijwillig de laatste keer (voor het incident van vrijdag)?

A: Twee weken geleden. Toen wilde ik eigenlijk niet maar deed ik voor hem. V: Wat heeft hij gedaan wat je niet hebt gewild?

A: Hij heeft seksueel gebruik van mij gemaakt, zonder mijn toestemming. V: Wanneer is dit geweest?

A: Afgelopen vrijdag. Ik weet de datum niet precies. Het was rond 10:30-10:45 uur.

Free Recall

Toen begon het... [verdachte] benaderde mij seksueel... Wij stonden samen in de slaapkamer van onze dochter. [verdachte] stond achter mij en ging onder mijn trui en raakte mijn borsten aan. [verdachte] duwde mij zachtjes op het bed van onze dochter. Hij ging in mijn broek en raakte mijn vagina aan. Daarna ging hij met zijn vingers erin. Later ging hij met zijn vingers naar mijn anus en raakte hij dat aan. Toen zei ik dat ik dat niet wilde. [verdachte] stopte toen. Toen liep hij geïrriteerd weg, omdat ik hem afwees.

Ik had om 11:45 uur een afspraak bij de fysio dus ik moest mij gaan klaarmaken. Ik ben naar de badkamer gegaan met mijn kleding. Ik deed de deur op slot en ik ben gaan douchen. Ik heb mij aangekleed. Ik kwam in de woonkamer en [verdachte] was daar ook. [verdachte] kwam naar mij toe en hij duwde mij naar de slaapkamer van onze dochter. Ik gaf aan dat ik niet wilde, dat ik het echt niet wilde.

Hij deed mijn broek naar beneden en duwde mij op het bed. Toen drukte hij zijn penis in mijn vagina. Ik zei een aantal keren "nee". Ik begon te huilen. Op een gegeven moment bevroor ik en kon ik geen nee meer zeggen, ik huilde alleen. [verdachte] bleef doorgaan, ik voelde dat ik wat omhoog kon komen maar hij duwde mij dan terug.

[verdachte] pakte mijn linkerhand en deed deze op mijn rug. Ik voelde mij helemaal slap en het lukte niet om mijn hand weg te halen. [verdachte] haalde daarna zijn penis uit mijn vagina en deed zijn penis in mijn anus. Dit deed pijn. Dit duurde een aantal seconden denk ik. Hij haalde zijn penis er uit en hij zei dat we moesten praten.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden

d.d. 16 november 2025, opgenomen op pagina 7 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Op vrijdag 14 november 2025 hebben wij verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] een informatief gesprek gehouden met: [slachtoffer] .

Vandaag, op vrijdag 14 november 2025 zou volgens [slachtoffer] het volgende gebeurd zijn: Ze maakte om 07.30 uur de kleine wakker. Om 09.30 uur had ze haar weer naar bed gebracht.

Rond 10.00 uur werd er aan de voordeur gebeld. [slachtoffer] deed de deur open en ze zag [verdachte] staan met tassen vol boodschappen. Ze sprak hem aan waarom hij onaangekondigd bij haar langs kwam. Ze was verrast waarna ze hem binnen liet. Ze liet hem binnen zodat hij zijn dochtertje ook kon zien. [slachtoffer] vond hem verward. Zo zou hij zijn gaan opruimen tot omstreeks 10.45 uur. Hierop zou hij haar benaderd hebben. Hij begon haar aan te raken bij haar borsten. Ze had kleren aan, maar droeg geen

bh. Hij zou onder haar trui zijn gegaan met zijn handen en had haar borsten gekneed. Vervolgens zou hij haar richting het bed hebben geduwd. Ze had 6/7 keer gezegd dat ze dit niet wilde.

Toen ging hij met zijn vingers in haar vagina en in haar anus. [slachtoffer] zei vervolgens weer dat zij dit niet wilde waarop hij stopte. Ze zag dat hij geagiteerd was.

[slachtoffer] zag vervolgens dat hij weer ging schoonmaken. Hij maakte onder andere de kattenbak schoon. Hij was geïrriteerd dat ze hem niet hielp.

Om 11.45 uur had [slachtoffer] een afspraak bij de fysio. Ze ging zich klaar maken, ze had

zich opgefrist. Om 10.30 uur had ze zich gedoucht. Daarna had ze een kop koffie gehaald uit de keuken. Toen ze naar de woonkamer liep glimlachte hij naar haar, wilde haar kussen. Ze wilde dit niet maar werkte wel mee. Ze keerde haar wang toe echter kuste hij haar meerdere keren op de mond. Eerste kus was normaal, 2e en 3e kussen voelde zij dat hij dit passievol deed, ze voelde dat hij meer wilde waarop zij hem weg drukte van haar.

Hierna benaderde hij haar opnieuw met zijn hand. Hij drukte haar weer richting de slaapkamer toe. Ze heeft een paar keer gezegd dat zij dit niet wilde. Hij drukte haar naar het bed toe en vingerde haar in haar vagina. Hierna ging hij met zijn penis in haar en bewoog heen en weer. Ze zei 9/10 keer dat hij moest stoppen.

Hij had toen één hand van haar op haar rug gedaan en kuste haar hand. Toen hij dit deed kneep ze hem in zijn wang. Niet hard genoeg om een afdruk achter te laten.

Hierop deed hij zijn vingers in haar anus. Zijn piemel deed hij uit haar vagina en stak deze kort in haar anus. Ze voelde pijn terwijl hij dit deed. Ze moest huilen. Hij was niet klaar gekomen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 november 2025, opgenomen op pagina 39 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Op vrijdag 14 november, omstreeks 15.30 uur, kwam [slachtoffer] aan het

politiebureau te Hoogeveen. Ik zag dat [slachtoffer] emotioneel was en somber omlaag keek.

Ik zag dat [slachtoffer] oogcontact vermeed. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat ze aangifte wilde doen. Ik vroeg waarvan waarop [slachtoffer] zei dat ze dit liever niet wilde vertellen omdat er andere mensen in de wachtruimte zaten. Toen de andere bezoekers uit de wachtruimte waren vroeg ik naar een korte versie van het verhaal. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat ze tegen haar wil in seks gehad heeft. In de ruimte van de aangiftes in bureau Hoogeveen hoorde ik [slachtoffer] het volgende verklaren:

Ik heb vanmorgen tussen 10.30 uur en 10.45 uur onvrijwillige seks gehad met mijn ex-partner [verdachte] . (...)

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 januari 2026, opgenomen op pagina 95 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

() op vrijdag 23 januari 2026 telefonisch contact gehad met aangeefster [slachtoffer] . Ik heb haar gevraagd om screenshots van het chatgesprek van vrijdag 14 november 2025, datum van de verkrachting, tot en met woensdag 19 november 2025. Op vrijdag 23 januari 2026 heb ik van aangeefster [slachtoffer] screenshots ontvangen van hun chat met de data.

Deze screenshots (9 stuks) zijn bij dit proces verbaal gevoegd.

6. Een schriftelijk bescheid, te weten de in de bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 januari 2026 opgenomen screenshots van Whatsapp berichten van verdachte aan aangeefster, opgenomen op pagina 96 e.v. van voornoemd dossier onder meer inhoudend:

15 november 2025:

Verdachte: [slachtoffer] . Mag ik [naam] zien. En kunnen we naar Duitsland heb geen tabak meer.

Aangeefster: Nee en nee, niet na wat er gisteren gebeurd is. Ik heb ruimte nodig, app en bel me voorlopig even niet alsjeblieft.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 januari 2026, opgenomen op pagina 47 van voornoemd dossier, voor zover inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Op zaterdag 03 januari 2026 om 11:43 uur werd de voicemail van aangeefster [slachtoffer] ingesproken door [verdachte] . [verdachte] zat op dat moment in de Penitentiaire Inrichting nadat hij was aangehouden.

[slachtoffer] herkende zijn stem maar ook door de dingen die hij zei weet ze heel zeker dat de voicemail is ingesproken door haar ex [verdachte] .

Op zaterdag 03 januari 2026 om 16:43 uur heeft ze het voicemailbericht naar mij, verbalisant [verbalisant] , doorgestuurd. Ik heb dit geluidsbestand hieronder letterlijk uitgewerkt:

[verdachte] = [verdachte]

: "Ik hou van je. Vieze slettehoer dat je bent. Je neukt iedereen maar mij niet. Kankerhoer. Ik neuk je. Ik verkracht je weer in je kont. Je wil het, je houdt ervan. Je wou dit altijd. Ik neuk je nog een keer in je kont. ()"

Hierna werd het bericht beëindigd.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 5 maart 2026, opgenomen op pagina 105 van voornoemd dossier, voor zover inhoudend als verklaring van aangeefster:

V: Op zaterdag 03 januari 2026 om 11:43 uur werd jouw voicemail ingesproken. Wie heeft dit bericht ingesproken?

A: Dat was [verdachte] . Ik herken zijn stem. V: Ik ga jou het voicemailbericht voorlezen () O: Wij zien dat aangeefster emotioneel wordt. A: Ik krijg paniek. (...)

V: Je hebt net het bericht gelezen. Zit er in dit bericht een bedreiging? A: Dat denk ik wel.

V: Welke bedreiging lees jij in dit voicemailbericht?

A: Dat hij het weer zou doen. Dan doel ik op de verkrachting. (...)

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 januari 2026, opgenomen op pagina 93 van voornoemd dossier, voor zover inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] en [verbalisant] :

Op donderdag 22 januari 2026 hebben wij, verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , afzonderlijk van elkaar het voicemailbericht beluisterd. Dit betrof het voicemailbericht van aangeefster [slachtoffer] welke was ingesproken op zaterdag 03 januari 2026 om 16:43 uur.

Toen wij het voicemailbericht terug luisterden herkenden wij beiden voor 100% de persoon die het bericht insprak. Wij hoorden dit aan zijn stem, zijn accent, zijn woordkeuze en zijn manier van communiceren. De man die het bericht insprak was verdachte [verdachte] .

Bewijsmotivering ten aanzien van feit 1

Bewijs in zedenzaken

Voorop staat dat zedenzaken vaak gekenmerkt worden door beperkt bewijs. Bij de veronderstelde seksuele handelingen zijn immers meestal slechts twee personen aanwezig, te weten het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Getuigen zijn er meestal niet. Indien de verdachte het ten laste gelegde ontkent, is doorgaans de verklaring van het slachtoffer over de seksuele handelingen het enige bewijsmiddel. Op grond van artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige.

Vaste rechtspraak is dat de rechter alleen tot een bewezenverklaring kan komen als de (betrouwbaar geachte) verklaring van het slachtoffer voldoende wordt ondersteund door ander bewijs. Alleen de verklaring van aangeefster/aangever - ook als die betrouwbaar wordt geacht - is dus onvoldoende. Die ondersteuning hoeft niet te gelden voor alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat in elk geval een deel van de feiten en omstandigheden die in de aangifte worden genoemd, ondersteuning vinden in één of meer andere bewijsmiddelen.

Dit bewijs moet dan wel afkomstig zijn uit een andere bron dan de belastende verklaring en een voldoende duidelijk verband houden met de verklaring van het slachtoffer. In een zedenzaak kan dus een geringe mate van steunbewijs in combinatie met betrouwbare verklaringen van het slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren.

Aan de rechtbank ligt dus ter beantwoording voor of de verklaring van aangeefster betrouwbaar is, en zo ja, of deze voldoende ondersteund wordt door ander bewijs. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Betrouwbaarheid verklaring aangeefster

Aangeefster heeft een informatief gesprek, een aangifte, en een aanvullend verhoor bij de politie afgelegd. De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen redenen om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster.

De rechtbank is van oordeel dat aangeefster in haar verhoren steeds consistent en specifiek heeft verklaard over de seksuele handelingen (waaronder het seksueel binnendringen) die de verdachte bij haar zou hebben verricht en de omstandigheden waaronder deze zouden hebben plaatsgevonden. Aangeefster benoemt concrete gebeurtenissen en omstandigheden zoals de twee verschillende momenten waarop de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, dat verdachte tussendoor aan het opruimen en schoonmaken was en zij vermeldt daarbij details over de psychische ontregeling van verdachte die bewuste dag.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van aangeefster betrouwbaar en neemt zij deze verklaring als uitgangspunt voor de bewijsvoering.

Het verweer van de verdediging dat bij aangeefster mogelijk alternatieve motivationele aspecten een rol speelden omdat zij wilde dat er hulp kwam voor verdachte, vindt geen steun in het procesdossier.

Steunbewijs

De rechtbank is verder van oordeel dat de verklaring van aangeefster in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijs, zodat aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv wordt voldaan. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster draagt bij dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij op 14 november 2025 met twee tassen naar de woning van aangeefster is gegaan, zoals aangeefster ook heeft verklaard, dat hij in de woning van aangeefster aanwezig was om zijn dochter te zien en dat hij zich herinnert dat hij bij aangeefster heeft schoongemaakt, hetgeen aangeefster ook heeft verklaard. Hij heeft ook verklaard dat hij in die periode zijn medicatie niet innam en dat hij hierdoor erg ontregeld was geraakt.

Uit het proces-verbaal van de politie (verbalisant [verbalisant] ) van 14 november 2025 blijkt dat aangeefster emotioneel was toen zij die middag op het politiebureau vertelde dat zij aangifte wilde doen omdat zij tegen haar wil seks had gehad met haar ex-partner.

Verder wordt de aangifte ondersteund door het Whatsappgesprek van 15 november 2025 tussen verdachte en aangeefster (“Nee en nee, niet na wat er gisteren gebeurd is.”).

Verdachte ontkent voorts niet dat het op 3 januari 2026 verstuurde voicemailbericht, waarin hij zegt dat hij haar weer zal verkrachten in haar kont, van hem afkomstig is.

Het verweer van de verdediging dat het voicemailbericht niet kan dienen als steunbewijs omdat de bewoordingen in dat voicemailbericht in de relatie tussen verdachte en aangeefster dienen te worden aangemerkt als “normaal spraakgebruik”, wordt verworpen nu dit niet blijkt uit de overige berichten in het dossier. Bovendien blijkt dit ook niet uit de reactie van aangeefster op het voorlezen van dit bericht, zij reageerde emotioneel en gaf aan paniek te voelen.

Tussenconclusie

Gelet op wat hiervoor is overwogen over de verklaring van aangeefster en over het steunbewijs acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de onder 1 ten laste gelegde seksuele handelingen heeft verricht.

De vervolgvraag is of de verdachte wist dan wel ernstige reden had om te vermoeden dat aangeefster de seksuele handelingen niet wilde. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Juridisch kader onder de Wet seksuele misdrijven

Sinds 1 juli 2024 is de Wet seksuele misdrijven van kracht, als gevolg waarvan de strafbaarstelling van seksuele misdrijven in het Wetboek van Strafrecht (Sr) is gewijzigd. De strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld is verruimd. Verkrachting kan nu gekwalificeerd worden als (gekwalificeerde) opzetverkrachting of schuldverkrachting.

Voor beide varianten van verkrachting is vereist dat de wil tot het plegen of dulden van de seksuele handelingen bij het slachtoffer ontbreekt.

Bij opzetverkrachting is strafbaar degene die seksuele handelingen verricht die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl diegene daadwerkelijk weet dat de wil van de ander daartoe ontbreekt. Het gebruik van dwang, geweld of bedreiging is geen voorwaarde voor strafrechtelijke aansprakelijkheid, maar een strafverzwarende delictsvorm van de opzetvariant.

Ontbrak bij aangeefster de wil tot seksuele handelingen en wist verdachte dat?

De rechtbank overweegt dat uit de verklaring van aangeefster blijkt dat zij de seks niet wilde. Zo heeft zij meerdere keren tegen verdachte gezegd dat zij dit niet wilde, heeft zij zich fysiek proberen te verzetten door hem weg te duwen en in zijn wang te knijpen, en zij heeft verklaard dat zij moest huilen. Deze hoorbare en zichtbare uitingen moeten kenbaar geweest zijn voor verdachte en daarmee moet verdachte hebben geweten dat bij aangeefster de wil ontbrak tot het hebben van seks. Desondanks is verdachte doorgegaan.

Het verweer van de verdediging dat verdachte die dag ernstig ontregeld was en dat derhalve geen sprake kan zijn van opzet- of schuldverkrachting wordt verworpen nu niet is vast komen te staan dat bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken.

Conclusie

De rechtbank acht de onder 1 ten laste gelegde opzetverkrachting wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsmotivering ten aanzien van feit 2

Gelet op de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 september 2026 en de hiervoor onder 7, 8 en 9 opgenomen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan bedreiging met verkrachting gepleegd tegen [slachtoffer] op 3 januari 2026 zoals is tenlastegelegd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1

hij op 14 november 2025 te Hoogeveen, met een persoon, te weten [slachtoffer] , seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

2

hij op 3 januari 2026 in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met

- de misdrijven omschreven in de artikelen 241 en 243 Wetboek van Strafrecht, te weten opzetverkrachting door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen:

"Vieze slettehoer dat je bent. Je neukt iedereen maar mij niet. Kankerhoer. Ik neuk je. Ik verkracht je weer in je kont. Je wil het, je houdt ervan. Je wou dit altijd. Ik neuk je

nog een keer in je kont."

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. opzetverkrachting;

2. bedreiging met verkrachting.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De rechtbank moet de vraag beantwoorden in hoeverre de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend. Verschillende deskundigen hebben zich over deze vraag uitgelaten en hierover geadviseerd. De rechtbank zal de opgemaakte rapportages hier bespreken.

Het advies van de deskundigen

De Pro Justitia-rapportage van 8 september 2026, opgesteld door J. Wiersma, psychiater (onder supervisie van T.W.D.P. van Os, psychiater) houdt onder meer het volgende in:

Er is bij verdachte sprake van een bipolaire I stemmingsstoornis, laatste episode manisch psychotisch, inmiddels in volledige remissie, een stoornis in het gebruik van cannabis en een posttraumatische-stressstoornis.

De bipolaire stoornis en de posttraumatische stressstoornis bestonden ook ten tijde van hetgeen verdachte ten laste wordt gelegd, indien bewezen. Onduidelijk is of er sprake was van het gebruik van cannabis. Ten tijde van de tenlastelegging was sprake van een manisch psychotische episode.

Verdachte heeft niet willen spreken over de hem tenlastegelegde feiten. Hierdoor hebben de onderzoekers geen zicht gekregen op de gevoelens, de gedachten en de handelswijze van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde, indien bewezen. Een subjectieve delictanalyse kon hierdoor niet worden opgesteld. Meer uitzoomend kan worden gesteld dat er in de periode van de hem ten laste gelegde feiten sprake was van een manisch-psychotische ontregeling. Dat is met voldoende zekerheid vast te stellen uit de informatie uit deze periode. Onduidelijk is of er sprake was van cannabisgebruik. Onduidelijk is of de posttraumatische stressstoornis nog een rol heeft gespeeld met de daarmee samenhangende slaapproblemen en paniekreacties.

Onderzoekers komen tot het advies om verdachte de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, verminderd toe te rekenen. Het is niet uit te sluiten dat verdachte het ongeoorloofde van de tenlastegelegde feiten, indien bewezen, geheel niet kon inzien noch zijn wil kon bepalen. In dat geval zou geadviseerd worden om de hem tenlastegelegde feiten, indien bewezen, niet toe te rekenen. Bij bewezenverklaring had verdachte door de manische psychose zeer waarschijnlijk sterk beperkte psychische mogelijkheden om zijn wil in vrijheid te bepalen.

De Pro Justitia-rapportage van 11 augustus 2026, opgesteld door drs. J.A.M. Gresnigt, klinisch psycholoog, houdt onder meer het volgende in:

Het psychologisch onderzoek laat zien dat er bij verdachte sprake is van een

psychische stoornis, zijnde een bipolaire-I-stoornis met stemmingscongruente psychotische kenmerken, nu in detentie in vroege remissie. Voorts is er sprake van een stoornis in het gebruik van cannabis, in remissie binnen detentie. Daarnaast is er sprake van een posttraumatische stressstoornis.

Ten tijde van de tenlastegelegde feiten onder 1 en 2 was er een gelijktijdigheidsverband tussen de beschreven psychiatrische problematiek, relatieproblemen met zijn ex-partner en het tenlastegelegde.

Verdachte zelf erkent dat hij na het overlijden van zijn vader is gedecompenseerd. In januari 2026 is in PPC [locatie] vastgesteld dat er sprake is van een “recidief manische episode met psychotische kenmerken bij een bekende bipolaire-I-stoornis” en dat “de ontregeling vermoedelijk is geluxeerd door therapieontrouw en het overlijden van zijn vader in november 2025”.

Omdat verdachte het ten laste gelegde feit onder 1 ontkent, wordt het niet duidelijk wat de causale relatie is tussen de vastgestelde problematiek van verdachte en het tenlastegelegde (indien bewezen). Er is geen zicht op de relatie tussen de vastgestelde psychopathologische -en/of persoonlijkheidsfactoren en/of zijn toestandsbeeld in relatie tot en ten tijde van het tenlastegelegde. Hierdoor is het niet mogelijk de relatie in de zin van causaliteit en daarmee de mate van toerekenen te bepalen.

Het is voorstelbaar dat hij de bedreigende uitspraken (feit 2) naar aangeefster, zijn ex-partner, heeft gedaan in een manisch en mogelijk psychotisch ontregelende toestand en dat hij in deze ontremde toestand zijn gedrag (uitspraken) en emoties (boosheid op aangeefster) niet goed heeft kunnen reguleren. Zijn emotieregulatie is naar alle waarschijnlijkheid door zijn manie verstoord geraakt waardoor hij in verminderde mate grip had op zijn emoties (agressie en woede). Als gevolg van zijn - in de weken voor het ten laste gelegde - opgebouwde manische en mogelijk psychotische ontregeling was onderzochte in sterk verminderde mate in staat tot regulering van zijn emoties (woede naar partner) en gedrag.

Medicatieontrouw en het overlijden van zijn vader en slaapdeprivatie hebben deze ontregeling naar alle waarschijnlijkheid in gang gezet. Hij ontkent dat middelengebruik hierbij een rol heeft gespeeld, al is dit niet uit te sluiten omdat dit eerder wel heeft geleid tot een manisch-psychotische ontregeling. Als gevolg van de manisch- en mogelijk psychotische ontregeling kan onderzochte ten tijde van het ten laste gelegde niet volledig verantwoordelijk worden gesteld voor zijn handelen ten tijde van het ten late gelegde onder

2. Dit alles afwegend geeft rapporteur de rechtbank in overweging om onderzochte het ten laste gelegde onder 2 in verminderde mate toe te rekenen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich gelet op voornoemde adviezen van de deskundigen op het standpunt gesteld dat de beide feiten verminderd aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het advies van de deskundigen niet betwist.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt de deskundigen in hun conclusies ten aanzien van de stoornissen en geestesgesteldheid van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte volledig uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

De rechtbank zal verdachte wel voor beide feiten verminderd toerekeningsvatbaar verklaren, waardoor de bewezenverklaarde feiten hem niet geheel kunnen worden toegerekend.

Het verweer dat strekt tot ontslag van alle rechtsvervolging wordt derhalve verworpen.

Motivering van de straffen en maatregelen

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat hij zich aansluit bij hetgeen de pro Justitia rapporteurs hebben gerapporteerd ten aanzien van de verminderde toerekenbaarheid van verdachte, het hoge recidiverisico en het advies dat de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden aangewezen is. Nu een maatregelenrapport van de reclassering ontbreekt, heeft de officier van justitie gevorderd dat het onderzoek ter terechtzitting wordt aangehouden om de reclassering een maatregelenrapport op te laten maken.

De officier van justitie heeft voorts aangegeven dat de voorlopige hechtenis moet voortduren nu de ernstige bezwaren en gronden, die tot het verlenen van het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid, nog steeds bestaan.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 en 2 gepleit voor vrijspraak.

De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 subsidiair gepleit voor ontslag van alle rechtsvervolging gelet op de psychotische toestand waarin verdachte op dat moment verkeerde.

Indien een terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt overwogen schrijft de wet een maatregelenrapport voor en dient het onderzoek ter terechtzitting te worden aangehouden om deze te laten opmaken door de reclassering.

De raadsman heeft voorts verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen subsidiair te schorsen.

Oordeel van de rechtbank

Heropening van het onderzoek ter zitting

Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting is tijdens de beraadslaging in raadkamer gebleken dat het onderzoek ten aanzien van de persoon van verdachte niet volledig is geweest, zodat het onderzoek moet worden heropend. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit de Pro Justitia rapportages komt ten aanzien van het risico op het nogmaals plegen van ernstige strafbare feiten door verdachte naar voren dat dit risico door de psychiaters hoog wordt ingeschat als verdachte niet wordt behandeld. De psycholoog komt tot een matig risico op recidive in seksuele en/of agressieve delicten met name in een manisch-psychotisch ontregelde toestand.

Door zowel de psychiaters als de psycholoog wordt geadviseerd om aan verdachte een gedwongen klinische behandeling op te leggen in een gespecialiseerde, gesloten forensische setting, teneinde het risico op gewelddadig en/of grensoverschrijdend (seksueel) gedrag duurzaam te verlagen. Een zorgvuldig resocialisatietraject zal onderdeel moeten zijn van de interventie.

Indien de rechtbank een behandeling in een strafrechtelijk kader aangewezen acht, adviseren de onderzoekers om aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Alleen deze vergaande juridische maatregel lijkt voldoende garantie te geven om het gevaar terug te dringen en behandeling en resocialisatie te realiseren. Onderzoekers hebben overwogen of behandeling in een minder stringent kader mogelijk is teneinde het recidivegevaar en het niet uit te sluiten verdere escalatiegevaar tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen, maar zien hiertoe vanwege het eerdere gebrek aan inzicht in de risicofactoren van verdachte, gecombineerd met de hoge kans op een herhaling van het tenlastegelegde, geen mogelijkheden. Onderzoekers zijn van mening dat een behandeling in

het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden wel voldoende garanties en behandelmogelijkheden biedt.

Ook een zorgmachtiging komt niet tegemoet aan de lange duur die voor behandeling nodig is, met daarnaast te weinig garanties dat het gevaarzettend gedrag wordt behandeld. Onderzoekers achten het beveiligingsniveau van een FPA-afdeling afdoende.

Tevens is geadviseerd om verdachte een Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (GVM) conform artikel 38z Sr op te leggen, zodat de reclassering verdachte in de toekomst kan blijven volgen zolang als dat nodig is en direct kan worden ingegrepen als hij zich niet aan de voorwaarden houdt.

Samengevat stelt de rechtbank vast dat verdachte wordt veroordeeld voor een ernstig zedenfeit, terwijl hij eerder is veroordeeld voor ernstige geweldsdelicten. Er is bij verdachte sprake van een psychische stoornis en er lijkt sprake van een matig tot hoog recidiverisico. De gedragsdeskundigen hebben geadviseerd om aan verdachte een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen.

Verdachte is voorts in het verleden eerder veroordeeld voor geweldsfeiten. Dit betroffen weliswaar geen zedendelicten, maar wel agressief delictgedrag, ook in de relatie met aangeefster.

De rechtbank overweegt voorts dat uit het emailbericht van 11 september 2026 van Reclassering Nederland volgt dat de reclassering, gelet op de leverdatum van de pro Justitia rapportages, onvoldoende tijd had om voor de terechtzitting van 14 september 2026 een maatregelenrapport op te maken. Voor het opmaken van een maatregelenrapport staat normaal gesproken 8 weken levertijd.

Dit alles heeft ertoe geleid dat de rechtbank, bij beraadslaging in raadkamer, tot het oordeel is gekomen dat zij zich onvoldoende voorgelicht acht over de persoon van verdachte. Gelet op het advies van de deskundigen acht de rechtbank het noodzakelijk dat de reclassering de mogelijkheid en de haalbaarheid van het opleggen van een terbeschikkingstelling met voorwaarden onderzoekt en hierover een maatregelrapport opstelt. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de rechtbank de feiten wettig en overtuigend bewezen acht, zoals hiervoor overwogen.

Daartoe zal de rechtbank de stukken in handen van de officier van justitie stellen, teneinde zorg te dragen voor de uitvoering van het hiervoor bedoelde onderzoek.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen en schorsen.

Voorlopige hechtenis

Ter terechtzitting van 14 september 2026 heeft de raadsman verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen subsidiair te schorsen. De rechtbank heeft deze verzoeken op 14 september 2026 afgewezen. Hiervan is een aparte beslissing opgemaakt.

Beslissing

De rechtbank:

- heropent het onderzoek ter terechtzitting;

- stelt de stukken in handen van de officier van justitie, teneinde zorg te dragen dat de reclassering de mogelijkheid en de haalbaarheid van het opleggen van een terbeschikkingstelling met voorwaarden onderzoekt en hierover een maatregelrapport opstelt;

- schorst het onderzoek voor een langere dan de in artikel 282, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn van één maand, maar niet langer dan drie maanden, om de klemmende reden dat bedoeld onderzoek niet binnen een maand kan worden voltooid;

- beveelt de oproeping van verdachte tegen een nader te bepalen dag en tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat, met kennisgeving daarvan aan de raadsman van verdachte en aan de benadeelde partij.

Dit tussenvonnis is gewezen door mr. H.R. Eising, voorzitter, mr. E.P. van Sloten en

mr. S.R. Huisman, rechters, bijgestaan door mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 september 2026.

Mr. Van Sloten, mr. Huisman en de griffier zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.R. Eising
  • mr. E.P. van Sloten
  • mr. S.R. Huisman
  • mr. Huisman

Griffier

  • mr. A.D. Vermeer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand