ECLI:NL:RBNNE:2026:4097

ECLI:NL:RBNNE:2026:4097

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 28-09-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer 18.044119.26
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Veroordeling van een 50-jarige man voor een opzetaanranding tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18.044119.26

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

28 september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 september 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S.H. Lek, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H.P. Polstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 oktober 2024 te Veendam, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten door

- die [slachtoffer] bij haar al dan niet bedekte benen/been en/of borst(en) en/of bil(len) en/of vagina te betasten

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld

en/of bedreiging, door de deur van het kleedhok op slot te draaien zodat die [slachtoffer] niet naar buiten kon en/of voor de deur van het kleedhok te gaan staan zodat die [slachtoffer] niet naar buiten kon en/of die [slachtoffer] onverhoeds bij haar al dan niet bedekte benen/been en/of borst(en) en/of bil(len) en/of vagina te betasten;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 oktober 2024 te Veendam, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten door

- die [slachtoffer] bij haar al dan niet bedekte benen/been en/of borst(en) en/of bil(len) en/of vagina te betasten

terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

Beoordeling van het bewijs

17 februari 2025, opgenomen op pagina 38 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van
14 januari 2025, opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft integrale vrijspraak gevorderd van het ten laste gelegde feit, wegens het ontbreken van overtuigend bewijs

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Zij heeft daartoe primair aangevoerd dat de verklaring van aangeefster onbetrouwbaar is. Aangeefster heeft volgens de verdediging niet consistent verklaard, is beïnvloedbaar en uit het dossier blijkt dat zij vaker liegt.

Subsidiair dient volgens de raadsvrouw vrijspraak te volgen omdat zich in het strafdossier onvoldoende steunbewijs bevindt. De belastende verklaringen ten aanzien van verdachte zijn uit één bron afkomstig, namelijk de aangeefster.

Indien en voor zover de rechtbank voorbijgaat aan de voornoemde verweren, verzoekt de raadsvrouw om rechtspsycholoog Vredeveldt te benoemen als deskundige om de door aangeefster afgelegde verklaringen te laten beoordelen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. ​De door verdachte ter zitting van 14 september 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Mijn roepnaam is [verdachte] . Ik ben op 28 oktober 2024 met aangeefster naar het zwembad geweest in Veendam, ik heb haar thuis opgehaald met de auto. We hebben samen gezwommen. Op de bankjes in het water is zij op mijn hand gaan zitten met haar kont, ik zat daar toen al. Dat ging per ongeluk. Nadat wij klaar waren met zwemmen zijn wij samen in één kleedhokje gegaan. Ik heb aangeefster daarna weer thuis afgezet.

Ik heb aangeefster een keer een string gegeven, dit was voor haar verjaardag.

2. ​ ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 januari 2025, opgenomen op pagina 15 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024296284 d.d. 4 februari 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :

V: Dan willen wij je nu vragen om alles te vertellen over wat jou is overkomen?

A: Hij vroeg zo van of we binnenkort een keer konden zwemmen. Hij ging een gezinshokje in. Ik zei: "ik ga niet met jou omkleden." Ik zei dat dat raar was. Tijdens het zwemmen zat hij de hele tijd aan mijn kont. Ik ging de hele tijd opschuiven. Hij schoof dan mee. Uiteindelijk gingen mijn suikers heel erg hoog. Hij vroeg of ik naar huis wilde. Ik zei: "Ja, graag." Hij had weer mijn spullen in zijn tas gedaan. Ik dacht dat ik er wel weer tussenuit zou komen. Hij had snel het hokje op slot gedaan en toen kwam ik er niet meer uit. Ik dacht het heeft geen zin meer. Dus ik pakte mijn shirt en daarna wilde ik pas mijn bh uit doen, mijn topje. Hij probeerde mijn topje los te maken en daarna deed ik snel mijn shirt uit. Ik was bozig en zei: "dit kan ik zelf." Ik wilde mij verder afdrogen zeg maar. Mijn broekje omwisselen. Hij pakte een string eruit en ik dacht ik ga er niet op in. Ik dacht als ik hem aandoe en dan kan ik daarna zo snel mogelijk uit het hokje. Ik ging afdrogen en wilde mijn broekje pakken. Hij pakte met beide handen mijn zwembroekje vast en hij wilde deze naar beneden doen. Ik duwde hem met beide handen weg. Uiteindelijk stopte hij. Ik heb het uiteindelijk zelf gedaan. Hij ging naar mij kijken en zei dat die string mij wel goed stond. Toen heb ik snel mijn broek aangedaan.

We gingen uiteindelijk in de auto. Onder het rijden ging hij aan mijn borsten zitten. Ik zei: "Die zijn van mij, ik ben minderjarig. Wat doe jij." Hij zei dat hij mij wel mocht plagen. Ik ging uit het raam kijken en zat achterover. Ik wilde mijzelf afleiden. Hij deed zijn hand op mijn been. Hij ging met zijn pink en ringvinger bij mijn clitoris. Over mijn broek, niet bij mijn broek in. Hij probeerde mijn knoopje los te maken. Uiteindelijk vroeg hij: "vind je het wel fijn wat ik doe?" Ik zei: "Nee, ik heb liever niet wat je doet." Hij ging verder. We waren uiteindelijk bij het huis. Ik liep haastig de auto uit. Hij vroeg of ik nog wel leuke fotootjes ging sturen van dat ik die string aan had. Ik had het genegeerd en liep naar binnen toe. Er was niemand thuis en ik heb een vriend opgebeld of ik naar hem toe kon. Toen ik hem zag moest ik huilen en heb ik het uitgelegd.

V: Je komt vandaag aangifte doen tegen [verdachte] . Wie is hij?

A: Hij was een familievriend. Ik heb altijd aangeleerd dat je vrienden van papa en mama aanspreekt als oom.

V: Je vertelt dat hij in het zwembad aan jou zat. Vertel daar eens over?

A: Je hebt zo'n stroming in het zwembad. Je hebt daarna een half rondje waar je kan zitten. Ik ben niet groot genoeg om daar te zitten, dus ik drijf een beetje. Hij ging toen met zijn hand onder mij door. Hij ging met zijn hand onder mijn kont. Zit aan mijn kont en schud die een beetje.

V: Je vertelt dat je een paar keer opschuift. Waar vindt dat plaats?

A: Ook daar in die halve ronde. Hij raakt mij meerdere keren aan bij mijn kont als we daar zijn. Als ik wegschuif dan heeft hij zijn hand even niet onder mijn kont. Maar daarna zit hij weer aan mijn kont.

V: Daarna zijn jullie het zwembad uit gegaan. Jouw spullen zit (sic).

A: Mijn spullen in zijn tas. Ik kon niet eens mijn eigen schoenen pakken. Toen deed hij dat kluisje op slot, van dat hokje. Toen pakte hij mijn spullen eruit. Ik kon alleen mijn shirt eruit pakken.

V: Waar was dat?

A: In zo'n gezinshokje.

V: Kan die op slot?

A: Ja. Hij kan op slot gedraaid worden.

V: Je zei eerder dat het geen zin meer had, wat had geen zin meer? A: Om eruit te komen. Hij stond namelijk voor de deur.

V: Hij stond voor de deur. Hoeveel deuren waren er? A: Er is één deur. Ik kon nergens anders eruit.

V: Jullie staan in de dat hokje. Je pakt je shirt en wilde daarna pas je topje uit doen. Hoe gaat dat?

A: Ik wilde dat shirt over mij heen doen. Ik voelde wat achter. Het is een bh slotje en die kan ik met één hand opendoen. Ik voelde wat en draaide mij om. Alsof er iemand aan het slotje van mijn bikinitopje zat. Ik draaide mij om en zei boos: Dat kan ik zelf.

V: Hij pakte jou zwembroekje vast. Hoe gaat dit?

A: Ik was mij aan het afdrogen en stond naast hem. Hij probeerde met beide handen mijn zwembroekje naar beneden te doen. Ik duwde hem van mij af met beide handen. Ik trok zelf mijn zwembroek naar beneden en deed de string aan. Toen ik die string aanhad toen trok hij de voorzijde nog meer naar voren. Hij ging toen spieken en grinnikte er smerig bij.

V: Wat zei je tegen hem in het omkleedhokje?

A: Dat ik het zelf kon en dat hij van mij af moest blijven V: Hoe vaak heb je dit gezegd?

A: Meerdere keren. Misschien wel tien keer. V: Hoe reageerde hij daarop?

A: Hij deed alsof hij mij niet hoorde.

V: Dan hebben wij de situatie nog in de auto. Jullie zitten samen in de auto en hij zit aan jouw borsten? A: Een beetje prikkend, met twee vingers. Hij kneep er ook in, bij mijn tepel. Aan mijn linker tepel.

V: Je vertelde net over zijn pink en ringvinger. Wat deed hij daarmee? A: Hij maakte daarmee rondjes.

O: Ik zie dat [slachtoffer] kleine rondjes maakt met haar pink en ringvinger. V: Hoe reageerde jij daarop?

A: Ik probeerde eerst zijn handen weg te drukken, maar op een gegeven moment lukte dat niet meer en toen hield ik op. Ik besloot toen maar uit het raam te kijken.

V: Uiteindelijk ging je haastig de auto uit en hij zei ga je nog wel leuke fotootjes sturen. Wat zei hij daarover?

A: Dat zei ik er net nog bij. Of ik leuke foto's ging sturen van die string. Dat was het moment waarop ik al de auto uit liep.

V: Wie was de vriend die je als eerste opbelde? A: [getuige] .

3. ​ ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d.

[getuige] :

V: Wat heb je met [slachtoffer] besproken over de aangifte die ze heeft gedaan?

A: Ik zat naast haar terwijl ze de politie belde en haar verhaal had uitgelegd. Ze vertelde dat ze met een oom naar het zwembad was gegaan en dat hij haar had aangeraakt op plekken waar ze niet aangeraakt wilde worden Hij is snel bij [slachtoffer] in het kleedhokje gestapt.

()

A: Ze zei hij heeft mij hier aangeraakt, bij mijn vagina en bij mijn clitoris. Ze had gezegd “hou op" en "blijf van mij af. Ze had ook dingen gezegd als: “ik kan dat zelf wel”.

V: Wat vertelde ze toen precies. Kun je ons daar eens over vertellen?

A: Nou, ze belde mij op. Ik ben toen naar de ijsbaan gefietst. Ze kwam naar mij toe en zei: “ik ben bijna verkracht”. Ze zei: We moesten per se met zn tweeën in een kleedhokje. Toen had hij geprobeerd mij uit te kleden en aan te raken." Ze waren uitgekleed en gingen zwemmen. Totdat haar suiker niet goed was, te laag of hoog. Ze gingen toen weer omkleden en toen ging die man weer proberen om [slachtoffer] aan te raken. En geprobeerd om haar topje los te doen. Dat is niet gelukt en [slachtoffer] heeft hem weggeduwd. Uiteindelijk zaten ze in de auto. Hij probeerde heel rustig bij de vagina van [slachtoffer] te zitten. Bij de clitoris. [slachtoffer] heeft geprobeerd om zijn hand weg te drukken. Dat aanraken ging, volgens mij, die hele rit zo door. Hij had haar afgezet en nog iets meegegeven van strings en gevraagd om deze aan te trekken, fotos ervan te maken en naar hem door te sturen. Dat is wat ik er nog van kan herinneren.

V: Wat kon je aan haar merken toen ze het vertelde?

A: Dat ze bang was, omdat het gebeurd is. Ze was bang voor die meneer. Ze trilde en ze moest huilen.

4. ​ ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d.

Op maandag 28 oktober 2024 kreeg ik verbalisant een zip bestand toegestuurd vanuit het e-mailadres [mailadres] . In het TXT bestand is onderstaande chat terug te lezen: 8/12/24, 9:30AM - [verdachte] : Hey hoe is ie met je

8/12/24, 10:24?AM - [slachtoffer] ?: Goed hoor

8/12/24, 10:44?AM - [verdachte] : Hoe is ie met je vrijer 8/12/24, 10:44?AM - [slachtoffer] ?: Ook goed

8/12/24, 10:48?AM - [verdachte] : Vandaag nog wat doen dan

8/12/24, 10:50?AM - [verdachte] : Of lig je heel de dag in je blote billen 8/12/24, 11:22?AM - [verdachte] : ??

8/12/24, 11:22?AM - [verdachte] : Of heb je je mooie jurk weer aan 8/12/24, 11:22?AM - [slachtoffer] ?: Nee moet oppassen op een huis

8/12/24, 11:25?AM - [verdachte] : Maar heb je die ene van mij al ooit is aan gehad 8/12/24, 11:26?AM - [slachtoffer] ?: ?

8/12/24, 11:26?AM - [verdachte] : Die string

8/12/24, 11:26?AM - [slachtoffer] ?: Voor jou een vraag voor mij een weet 8/12/24, 11:27?AM - [verdachte] : ??

()

8/13/24, 7:48?PM - [verdachte] : Maar ruzies helpen niet echt he 8/13/24, 7:48?PM - [slachtoffer] ?: Nee klopt

8/13/24, 7:51?PM - [verdachte] : Of moet ik je wat voor je blote kont geven

8/13/24, 8:00?PM - [verdachte] : Of moet ik even bij je komen 8/13/24, 8:06?PM - [slachtoffer] ?: Nee hoor hoeft niet

8/13/24, 8:07?PM - [verdachte] : Wat deel dat voor je blote kont of naar je toe komen 8/13/24, 8:18?PM - [slachtoffer] ?: Beide

8/13/24, 8:18?PM - [verdachte] : Oke

8/13/24, 8:18?PM - [verdachte] : Ene vind ik wel jammer ()

8/15/24, 4:03?PM - [verdachte] : Zien we er nog een beetje leuk uit vandaag dan 8/15/24, 4:04?PM - [slachtoffer] ?: Ja hoor

8/15/24, 4:04?PM - [verdachte] : Nou ben ik wel benieuwd 8/15/24, 4:18?PM - [verdachte] : En en en

8/15/24, 4:29?PM - [slachtoffer] ?: Gwn zwart topje wit broekje 8/15/24, 4:30?PM - [verdachte] : Ow klinkt wel goed

8/15/24, 4:42?PM - [verdachte] : Maar mooier om het te zien ?? 8/15/24, 5:24?PM - [slachtoffer] ?: Tja

8/15/24, 5:39?PM - [verdachte] : Foto ()

9/5/24, 7:23?PM - [verdachte] : Hey string lady hoe word. ()

9/26/24, 3:07?PM - [verdachte] : Hoe is die met je vrijer

9/26/24, 3:08?PM - [verdachte] : Hoe is die met je toekomstige ex 9/26/24, 4:46?PM - [slachtoffer] ?: Goed he

()

10/6/24, 12:20?PM - [verdachte] : En hoe is het met de liefde 10/11/24, 1:26?PM - [verdachte] : En met je vriendje 10/11/24, 1:26?PM - [slachtoffer] ?: Is uit

10/11/24, 1:27?PM - [verdachte] : Oke

10/11/24, 1:45?PM - [verdachte] : Maar goed jij kunt weer veder 10/11/24, 1:45?PM - [verdachte] : Word het nu een oude fiets 10/11/24, 1:48?PM - [slachtoffer] ?: Nee geen zin in jongens 10/11/24, 4:16?PM - [slachtoffer] ?: Als je string maar goed zit 10/11/24, 5:42?PM - [verdachte] : Das heel belangrijk

10/11/24, 6:19?PM - [verdachte] : En mooi

Bewijsoverweging

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Juridisch kader in zedenzaken

De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich vaak kenmerken doordat het ten laste gelegde feit zich heeft afgespeeld in een situatie waarin alleen het vermeende slachtoffer en de vermeende dader aanwezig waren. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat

de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden gebaseerd op de verklaring van één getuige.

Het antwoord op de vraag of aan dit bewijsminimum is voldaan en sprake is van voldoende steunbewijs, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat de ontuchtige handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal.1 Het kan voldoende zijn dat de verklaring van de aangever, indien deze betrouwbaar wordt bevonden, op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan het slachtoffer. In ieder geval mag tussen de verklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband.

Aanvullend bewijsmateriaal dat alleen de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer ondersteunt, is in het licht van artikel 342, tweede lid, Sv onvoldoende. Een verklaring van een getuige die slechts weergeeft wat het slachtoffer hem of haar heeft verteld, biedt daarom in beginsel geen zelfstandig steunbewijs. Dat kan anders zijn als die getuige ook uit eigen waarneming verklaart over de emotionele of fysieke toestand van het slachtoffer tijdens of kort na het ten laste gelegde feit. Een dergelijke waarneming kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval en het verband met het ten laste gelegde feit, voldoende steunbewijs opleveren voor het bewezenverklaarde.2

De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster en vervolgens zal de rechtbank de vraag beantwoorden of de verklaring van aangeefster in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijs.

Betrouwbaarheid verklaring aangeefster

De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. De rechtbank stelt vast dat zij op hoofdlijnen en op de voor het ten laste gelegde doorslaggevende punten consistent heeft verklaard. Dat tussen de eerste melding, het informatief gesprek zeden en de aangifte op detailniveau verschillen bestaan, doet aan die betrouwbaarheid naar het oordeel van de rechtbank niet af. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de eerste melding en het informatief gesprek slechts summier zijn vastgelegd en niet hebben plaatsgevonden in een verhoorsetting waarbij aangeefster door gecertificeerde zedenrechercheurs werd ondervraagd. Tot slot is de rechtbank uit niets gebleken dat aangeefster haar verklaring heeft verzonnen of heeft willen aandikken. De rechtbank bezigt daarom de verklaringen van aangeefster voor het bewijs.

Steunbewijs

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster. De rechtbank stelt allereerst vast dat de verklaringen van aangeefster en verdachte op belangrijke onderdelen overeenkomen voor wat betreft de context waarin de door aangeefster beschreven seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Verdachte heeft aangeefster thuis opgehaald, waarna zij samen in de auto naar het zwembad zijn gegaan. Tijdens het zwemmen heeft verdachte de billen van aangeefster in ieder geval eenmaal aangeraakt. Volgens verdachte gebeurde dit per ongeluk. Na het zwemmen hebben zij zich in hetzelfde hokje omgekleed. Na het bezoek aan het zwembad heeft verdachte aangeefster met de auto weer thuisgebracht.

Voor de ten laste gelegde seksuele handelingen vindt de rechtbank daarnaast steun in de verklaring van getuige [getuige] . Vrijwel direct nadat verdachte haar thuis had afgezet, heeft aangeefster telefonisch contact met deze getuige opgenomen en zij heeft vervolgens gelijk met hem afgesproken. Zij heeft toen, zo blijkt uit de getuigenverklaring, op gedetailleerde wijze beschreven welke concrete en specifieke gedragingen seksuele handelingen verdachte bij haar heeft verricht. Deze handelingen komen overeen met de handelingen waarover aangeefster in haar aangifte heeft verklaard. De getuige heeft daarnaast uit

eigen waarneming verklaard over de toestand van aangeefster op dat moment. Deze waarneming is kort na het ten laste gelegde incident gedaan en ondersteunt daarmee de verklaring van aangeefster over wat even daarvoor is gebeurd. Aangeefster heeft vervolgens in aanwezigheid van de getuige contact opgenomen met familieleden, de politie en Jeugdbescherming Noord.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. De rechtbank acht het bovendien niet aannemelijk dat aangeefster het verhaal heeft verzonnen om verdachte valselijk te beschuldigen. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat zij al kort na het incident haar familie en een vriend hierover heeft benaderd en contact heeft gezocht met politie en hulpverlening.

Overtuiging

De rechtbank heeft op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen ook de overtuiging dat het ten laste gelegde heeft plaatsgevonden. Die overtuiging wordt versterkt door de aard van het contact tussen verdachte en aangeefster, zoals uit het dossier naar voren komt.

Zo heeft verdachte, die destijds ongeveer 50 jaar oud was, aan de 15- of 16-jarige aangeefster een string cadeau gedaan voor haar verjaardag hetgeen naar het oordeel van de rechtbank getuigt van verdachtes ontuchtige bedoelingen. Ook uit de WhatsApp-gesprekken tussen verdachte en aangeefster blijkt, dat verdachte met enige regelmaat seksueel getinte of suggestieve opmerkingen tegen haar maakte. Daarbij valt op dat aangeefster niet meegaat in de toespelingen van verdachte, maar deze juist afhoudt. Ook in zoverre ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het standpunt van de verdediging dat aangeefster verdachte ten onrechte heeft beschuldigd of haar verklaringen heeft aangedikt.

Conclusie

De rechtbank komt tot de conclusie dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de seksuele handelingen, en daarmee een opzetaanranding, heeft gepleegd. Uit de verklaring van aangeefster blijkt dat zij meermaals heeft aangegeven niet van de aanrakingen gediend te zijn, zij heeft verdachte van zich af geduwd, van hem weg bewogen en heeft onder andere “nee”, “niet doen” en “blijf van mij af” gezegd. Daarmee was voor verdachte duidelijk dat zij de seksuele handelingen niet wilde. De dwang volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de omstandigheid dat verdachte de aangeefster onverhoeds ontuchtig heeft betast en haar daarmee heeft overrompeld. Daarnaast heeft verdachte haar in haar fysieke vrijheid beperkt door het kleedhokje waarin zij zich bevonden op slot te doen en de deur te versperren.

Datzelfde geldt voor de handelingen die gedurende de autorit hebben plaatsgevonden waarbij de fysieke vrijheid van aangeefster was beperkt. In beide situaties heeft verdachte voor aangeefster een situatie gecreëerd waarin zij zich niet aan de seksuele handelingen kon onttrekken.

Voorwaardelijk verzoek benoemen rechtspsycholoog

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het benoemen van een deskundige op het gebied van de rechtspsychologie die zich kan uitlaten over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster, indien de rechtbank deze verklaringen betrouwbaar acht en deze tot het bewijs bezigt.

De rechtbank is van oordeel dat het noodzaakcriterium van toepassing is, gelet op het moment van indienen, en hanteert dit criterium dan ook als maatstaf. Het uitgangspunt is dat de selectie en waardering van het bewijs volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voorbehouden aan de feitenrechter. Dit geldt dus ook voor oordelen over de (on)betrouwbaarheid van bepaald bewijsmateriaal. Daarbij is de rechter niet verplicht om zich over de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal door een deskundige te laten voorlichten.3 De rechtbank ziet, gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster, geen noodzaak tot het benoemen van een

rechtspsycholoog om de verklaringen van de aangeefster nader te toetsen en zal het (voorwaardelijke) verzoek van de raadsvrouw afwijzen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 28 oktober 2024 te Veendam met [slachtoffer] seksuele handelingen heeft verricht, te weten door

- die [slachtoffer] bij haar al dan niet bedekte benen en borsten en billen en vagina te betasten

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door en vergezeld van dwang, door de deur van het kleedhok op slot te draaien zodat die [slachtoffer] niet naar buiten kon en voor de deur van het kleedhok te gaan staan zodat die [slachtoffer] niet naar buiten kon en die [slachtoffer] onverhoeds bij haar al dan niet bedekte benen en borsten en billen en vagina te betasten.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair opzetaanranding voorafgegaan door en vergezeld van dwang.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich, gelet op het verzoek om integrale vrijspraak, niet uitgelaten over de vraag welke straf aan de verdachte opgelegd zou moeten worden.

Standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsvrouw verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden en daarom aan verdachte geen gevangenisstraf, maar een taakstraf op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gekwalificeerde opzetaanranding. Door zo te handelen heeft verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van aangeefster. Zijn handelen was telkens plotseling en onvoorspelbaar, waardoor de aangeefster werd overrompeld en zich niet of nauwelijks aan zijn handelen konden onttrekken.

Aangeefster was op dat moment nog maar 16 jaar oud en vertrouwde erop dat ze een leuk dagje uit zou gaan met een familievriend. Iemand van wie zij op dat moment afhankelijk was en iemand bij wie zij zich veilig heeft mogen wanen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij het vertrouwen van aangeefster in hem heeft geschaad. Dat het voor aangeefster een angstige en bedreigende situatie is geweest, acht de rechtbank goed voorstelbaar. Uit het dossier blijkt ook dat aangeefster ten gevolge van het feit paniekaanvallen heeft waarvoor zij professionele hulp heeft gezocht. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij de persoonlijke grenzen van aangeefster heeft genegeerd en zich daarbij kennelijk onvoldoende heeft bekommerd om de impact van zijn handelen. De rechtbank is van oordeel dat voor feiten als de onderhavige in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is.

Persoonlijke omstandigheden

Uit de reclasseringsrapportage van 14 mei 2026 volgt dat verdachte over het algemeen een relatief stabiel leven leidt. De reclassering ziet wel als risicofactoren de houding van verdachte ten aanzien van seksueel (on)toelaatbaar gedrag, zijn seksuele impulscontrole en psychosociaal functioneren, met name in situaties waarin sprake is van een machtsverhouding. Daarom vindt de reclassering het, in geval van veroordeling, van belang dat verdachte inzicht krijgt in zijn delict gedrag en leert wat seksueel ongepast gedrag is. De reclassering heeft daarom geadviseerd een meldplicht en een gedragsinterventie als bijzondere voorwaarde aan een voorwaardelijk strafdeel te verbinden.

De rechtbank vindt het zorgelijk dat verdachte onvoldoende inzicht heeft getoond in de grensoverschrijdende aard van zijn handelen. Ter zitting heeft verdachte hierover verklaard dat de gang van zaken wellicht achteraf niet handig is geweest. Uit deze reactie blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte niet daadwerkelijk inziet hoe ongepast en grensoverschrijdend zijn handelen is geweest. Dit gebrek aan inzicht sluit aan bij de door de reclassering genoemde risicofactoren. De rechtbank vindt het daarom noodzakelijk bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen.

De op te leggen straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de voor soortgelijke feiten geldende LOVS-oriëntatiepunten en op de straffen die in vergelijkbare zedenzaken worden opgelegd.

Daarbij geldt als uitgangspunt dat voor feiten als de onderhavige een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is.

De rechtbank zal ten voordele van verdachte rekening houden met het tijdsverloop vanaf het gepleegde feit en de persoonlijke omstandigheden die blijken uit het reclasseringsadvies en door de raadsvrouw ter zitting naar voren zijn gebracht. De rechtbank zal daarom een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van drie maanden, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 241 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee (2) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde(n) dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. drs. J.V. Nolta en mr. E. Dussel, rechters, bijgestaan door mr. M. Raven, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 september 2026.

1. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452.

2 HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1117.

3 ECLI:NL:PHR:2024:398, en het daaropvolgende arrest van de Hoge Raad van 18 juni 2024,

ECLI:NL:HR:2024:902.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S. Zwarts
  • mr. drs. J.V. Nolta
  • mr. E. Dussel

Griffier

  • mr. M. Raven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand