ECLI:NL:RBNNE:2026:411

ECLI:NL:RBNNE:2026:411

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 17-02-2026
Datum publicatie 16-02-2026
Zaaknummer 18.406326.24
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

veroordeling artikel 247 (oud). ontucht met iemand die in staat van verminderd bewustzijn verkeerde bewezen. Een 37-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Toewijzing van de vordering benadeelde partij.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18.406326.24

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 februari 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. I. Djordjevic, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Houwink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks 30 december 2018 tot en met 14 oktober 2019 te [plaats] en/of [plaats] , in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening

en/of verstandelijke handicap leed dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd van het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Daartoe is op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord in de kern het volgende aangevoerd.

Hoewel verdachte heeft erkend aangeefster te hebben aangeraakt aan haar borsten, billen en buik, kan volgens de verdediging niet worden vastgesteld dat aangeefster ten tijde van die handelingen verkeerde in een toestand van bewusteloosheid, lichamelijke onmacht of verminderd bewustzijn. Uit de verklaring van aangeefster blijkt immers dat zij wakker was, zich bewust was van de aanwezigheid en handelingen van verdachte en de duur en het tijdstip daarvan kon waarnemen. Evenmin volgt uit de feiten dat sprake was van een stoornis van de geestvermogens. Daarnaast heeft de raadsvrouw erop gewezen dat de verklaringen van aangeefster niet consistent zijn. Gelet op het voorgaande ontbreekt volgens de verdediging voldoende wettig en overtuigend bewijs voor het ten laste gelegde, zodat vrijspraak dient te volgen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Bewijsmiddelen

1. De door verdachte ter zitting van 03 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Op oudjaarsavond van 2018 waren wij met familie op wintersport. Ik ben s avonds naar de slaapkamer van mijn dochter en van de aangeefster gegaan, om hen wakker te maken. Ik heb toen aan de borsten van aangeefster gezeten. Ik dacht dat zij sliep. Het zou kunnen dat ik ook met mijn vingers om haar tepels

rondjes heb gedraaid. Het is inderdaad niet bij die ene avond gebleven. Ik ben, ook toen wij terug waren in Nederland, meerdere keren naar boven gegaan en op haar slaapkamer geweest. Dit is gestopt toen aangeefster in oktober 2019 ergens anders is gaan wonen.

Ik heb meerdere keren aan de borsten, de buik en de billen van aangeefster gezeten. Ik ging weg als aangeefster wakker werd. Ik heb mij vaak afgevraagd wat ik aan het doen was. Ik heb soms zelfs een poos staan wachten op de trap, omdat ik twijfelde. Het klopt dat ik dan toch ben doorgegaan en naar de slaapkamer van aangeefster ging. Ik dacht dat ze sliep. Ik heb pas later begrepen dat aangeefster met kleren aan is gaan slapen, om te voorkomen dat ik haar zou aanraken. Op dat moment zelf had ik dat niet door.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 mei 2024, opgenomen op pagina 22 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024088075 d.d. 23 december 2024, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :

V: Je komt vandaag aangifte doen tegen [verdachte] . Wie is hij? A: Mijn ex zwager, de ex-man van [naam] .

V: Wanneer ben je daar gaan wonen?

A: Na de skivakantie in december 2018. Ik denk dat het in februari 2019 was. V: Tot wanneer heb je daar gewoond?

A: Tot 14 oktober 2019.

V: Dan beginnen we met de ski vakantie. Wat kun je ons daarover vertellen?

A: Het was met oud en nieuw van 2018 naar 2019. Ik ging slapen en [verdachte] ging mij wakker maken. Toen zat hij aan mijn borsten.

V: Je vertelde dat [verdachte] je wakker maakte en je borsten aanraakte.

A: Dat voelde ik. Ik denk dat hij met zijn vingers om mijn tepel rondjes aan het draaien was. V: Wat voelde je daarbij toen [verdachte] je borst aanraakte?

A: Ik werd daar wakker van. [verdachte] zei toen: "Kom je naar beneden want het is zo 00.00 uur. V: Hoe stopte het aanraken van jouw borst?

A: Dat ik wakker werd. Mijn ogen open. Of ik draaide eerst een beetje en dat ik toen mijn ogen open deed.

V: Vorige keer vertelde je al dat [verdachte] meerdere keren op je slaapkamer is geweest en je aangeraakt heeft op plekken van je lichaam die je niet fijn vond. Hoe vaak is dat gebeurd?

A: Vaak denk ik. Niet 1 of 2 keer.

V: Wat kun je vertellen over de keer die je je het beste kunt herinneren?

A: Toen lag ik te slapen. Ik denk dat ik wel onbewust wakker werd. Ik weet niet of ik bleef slapen omdat ik bang was. Hij probeerde toen mijn dekens af te doen en ging toen aan mij zitten.

V: Hoe vaak gebeurde dit?

A: Ik denk dat het later elke week gebeurde. V: Wat raakt [verdachte] aan?

A: Mijn billen. En toen ik op mijn rug ging liggen raakte hij mijn buik en borsten aan. V: [verdachte] heeft jouw billen, jouw borsten en jouw buik aangeraakt.

A: Klopt. Dat is wat ik weet. Bij mijn billen ging hij onder de kleding. Dat was huid op huid. Het aanraken op de borsten en buik was over mijn kleding.

V: Wanneer heb je het aan je zus verteld?

A: Dat was op een avond. Ik vertelde haar dat als ik lag te slapen dat [verdachte] dan op mijn kamer kwam.

Bewijsoverweging

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat aangeefster op oudjaarsavond 2018 met meerdere familieleden verbleef in een vakantiewoning in [plaats] en daar sliep op een kamer met de dochter van verdachte.

Aangeefster heeft verklaard dat zij in bed lag en voelde dat haar borst werd aangeraakt en dat er rondjes om haar tepels werden gedraaid. Dit stopte op het moment dat zij wakker werd, waarna zij zag dat verdachte gehurkt naast haar bed zat. Dit was de eerste keer dat aangeefster door verdachte zou zijn aangeraakt. De rechtbank leidt uit deze verklaring van aangeefster, anders dan de raadsvrouw van verdachte, af dat verdachte haar bij haar borsten aanraakte juist toen aangeefster nog sliep. Aangeefster heeft voorts verklaard dat zij van februari 2019 tot en met oktober 2019 bij haar zus en verdachte in huis woonde en dat verdachte in die periode meermalen per week in de nacht haar slaapkamer is binnengekomen en haar heeft aangeraakt bij haar billen, borsten en buik. Over de gebeurtenis die zij zich het beste herinnert, heeft zij verklaard dat zij lag te slapen en onbewust wakker werd terwijl verdachte haar aanraakte. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat ook de incidenten na oudjaarsavond 2018 hebben plaatsgevonden terwijl aangeefster sliep. De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat de aangeefster ten tijde van de aanrakingen in een verminderde staat van bewustzijn verkeerde en gaat voorbij aan het verweer van de raadsvrouw.

Voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde kan niet uitsluitend worden afgegaan op de verklaring van aangeefster. De door haar gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende steun te vinden in ander bewijsmateriaal, waarbij niet is vereist dat elk onderdeel van de tenlastelegging in ander bewijsmateriaal steun vindt. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en vervolgens of deze voldoende steun vindt in het overige bewijs.

De rechtbank acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar. In afwijking van het standpunt van de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangeefster gedetailleerd en consistent is, waarbij deze op belangrijke onderdelen bevestiging vindt in hetgeen verdachte zowel ter zitting als bij de politie heeft verklaard. Dat er op detailniveau verschillen bestaan, doet aan de betrouwbaarheid daarvan niet af. Uit niets is de rechtbank gebleken dat aangeefster haar verklaring heeft verzonnen of heeft willen aandikken.

De rechtbank overweegt voorts dat de verklaring van aangeefster voldoende steun vindt in de verklaring die verdachte heeft afgelegd. Verdachte heeft bekend dat hij aangeefster meermalen heeft aangeraakt aan haar borsten, buik en billen, terwijl hij ervan uitging dat zij sliep. Hij verklaarde zelfs dat hij wegging zodra de aangeefster wakker werd. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het handelen van verdachte er juist op was gericht dat aangeefster zich in slapende toestand bevond en derhalve in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. De rechtbank concludeert dat aangeefster tijdens haar slaap geen weerstand heeft kunnen bieden aan het handelen van de verdachte en de verdachte heeft daar bewust misbruik van gemaakt.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij omstreeks 30 december 2018 tot en met 14 oktober 2019 te [plaats] en [plaats] , met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van verminderd bewustzijn verkeerde ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het strelen en wrijven over de borsten, en

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert ontuchtige handelingen plegen.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het feit ingrijpende gevolgen hebben gehad voor alle betrokkenen, waaronder verdachte zelf, die tot op heden schaamte en spijt ervaart. Bij de strafoplegging moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft verantwoordelijkheid genomen en zich vrijwillig laten behandelen. Volgens de reclassering zijn toezicht of interventies daarom niet noodzakelijk. Daarnaast heeft verdachte co-ouderschap over zijn drie kinderen, een vaste baan en een koopwoning, zodat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook grote gevolgen voor zijn gezin en bestaanszekerheid zou hebben. De raadsvrouw heeft daarom verzocht, indien tot een veroordeling wordt gekomen, te volstaan met een gevangenisstraf van één dag, eventueel in combinatie met een taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij zijn slapende schoonzusje, aangeefster, die gedurende langere tijd in zijn woning verbleef. De rechtbank weegt met betrekking tot de ernst van het feit mee dat verdachte maandenlang, elke week en in de nacht de slaapkamer van aangeefster binnenging om haar te betasten. Zelfs het feit dat aangeefster met extra kleding aan ging slapen om dit te voorkomen, heeft verdachte daarvan niet weerhouden. Met zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit van aangeefster. Daarbij acht de rechtbank het bijzonder zwaarwegend dat het misbruik heeft plaatsgevonden in de woning van verdachte, waar aangeefster juist onderdak had gevonden nadat haar eigen thuissituatie niet langer houdbaar was. Zoals verdachte zelf ter zitting treffend heeft verwoord, heeft hij een situatie die veilig had moeten zijn, onveilig gemaakt. Verdachte heeft zich bij zijn handelen geen rekenschap gegeven van de belangen en gevoelens van aangeefster, maar uitsluitend gehandeld ter bevrediging van zijn eigen (lust)gevoelens. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan.

Wat aangeefster is overkomen heeft een grote impact op haar gehad, zoals onder meer blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring die zij ter terechtzitting heeft overgelegd. De rechtbank heeft daaruit goed kunnen opmaken dat de situatie voor aangeefster bijzonder beklemmend moet zijn geweest. Zij bevond zich in een afhankelijke positie binnen het gezin van haar zus en moest leven met de voortdurende angst dat verdachte s nachts opnieuw haar slaapkamer zou binnenkomen. Tegelijkertijd werd zij geconfronteerd met de ingrijpende gevolgen die het openbaar maken van het misbruik zou hebben voor de onderlinge familieverhoudingen. Dat aangeefster door het handelen van verdachte in deze situatie is gebracht, rekent de rechtbank hem eveneens zwaar aan.

Persoonlijke omstandigheden

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 6 januari 2026, waaruit blijkt dat verdachte voorafgaand aan onderhavig feit niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van een reclasseringsrapportage van 14 april 2025, waaruit blijkt dat de leefsituatie stabiel is. Er is sprake van hulpverlening vanuit Elios en op geen van de leefgebieden bestaan vanuit de reclassering noemenswaardige zorgen. De reclassering schat de kans op recidive als laag en adviseert daarom bij veroordeling een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.

Conclusie

Alles overwegende en rekening houdende met haar oriëntatiepunten voor straftoemeting in soortgelijke zaken, legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren op.

De rechtbank wijkt naar beneden af van de eis van de officier van justitie en heeft daarbij ten voordele van verdachte rekening gehouden met het tijdsverloop vanaf het feit.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij werd ter zitting bijgestaan door mr. B. Sprengers, advocaat te Utrecht. Gevorderd wordt een bedrag van 7.834,93 ter vergoeding van materiële schade en 10.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij geheel moet worden toegewezen. Naar zijn mening is voldoende aannemelijk en onderbouwd dat de benadeelde partij de gestelde schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de door haar bepleite vrijspraak. Subsidiair is de vordering op verschillende punten betwist.

Zij heeft onder meer aangevoerd dat de benadeelde partij ten aanzien van het materiële deel van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu het causaal verband onvoldoende is onderbouwd en de beoordeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het gedeelte van de materiële schade dat ziet op het coachtraject af te wijzen, dan wel de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw verzocht het gevorderde bedrag te matigen, omdat dit naar haar oordeel, mede in het licht van de relevante jurisprudentie, niet passend is.

Oordeel van de rechtbank

Materieel

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat de benadeelde partij in het materiële deel van de vordering niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard wegens het ontbreken van voldoende causaal verband dan wel een onevenredige belasting van het strafgeding. Gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat voldoende causaal verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de gevorderde materiële schade, zodat kan worden aangenomen dat deze schade rechtstreeks daardoor is veroorzaakt. Van een zodanige complexiteit dat behandeling van dit deel van de vordering het strafgeding onevenredig zou belasten, is naar het oordeel van de rechtbank eveneens geen sprake.

Uit de vordering, de toelichting daarop en de nadere toelichting ter zitting blijkt verder dat de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit coachsessies bij Vrouwzeker heeft gevolgd. Uit de stukken blijkt tevens dat de psychische gevolgen voor de benadeelde partij vanaf maart 2024 het zwaarst tot uiting zijn gekomen. Voor de rechtbank staat vast dat de coaching is aangevangen naar aanleiding van het

bewezenverklaarde en zich in overwegende mate richt op het reduceren en beheersbaar houden van de psychische gevolgen van de bewezenverklaarde feiten. De daarvoor tot op heden gemaakte kosten acht de rechtbank daarom noodzakelijk en in voldoende verband staand met het bewezenverklaarde. Het meer subsidiaire verzoek tot afwijzing dan wel niet-ontvankelijkverklaring van dit deel van de vordering wordt eveneens verworpen.

Immateriële schade

Ook het verzoek van de raadsvrouw tot matiging van de immateriële schadevergoeding wordt verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden die rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde. Met inachtneming van de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend en de zogenoemde Rotterdamse schaal, in het bijzonder de categorie posttraumatische stressstoornis (PTSS) onder paragraaf 14.2, aanhef en onder c, acht de rechtbank een vergoeding van 10.000,- billijk.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 oktober 2019.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, 5 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt om aan [slachtoffer] te betalen:

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 17.834,93 (zegge: zeventienduizend achthonderdvierendertig euro en drieënnegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2019 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 7.834,93 aan materiële schade en

10.000,00 aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 114 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Kielman, voorzitter, mr. H.J. Schuth en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door M. Raven, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 februari 2026.

Mr. E.P van Sloten en mr. H.H. Kielman zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.H. Kielman
  • mr. H.J. Schuth
  • mr. E.P. van Sloten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?