RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
Zaak-/rekestnummer: C/18/252534 / FA RK 26-768
Beslissing over een klacht ex artikel 10:7 lid 1 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)
Beschikking van 7 juli 2026,
op het ingediende verzoekschrift van
[klaagster],
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],
thans verblijvende bij Arkin te Amsterdam,
hierna te noemen betrokkene,
advocaat mr. L.M.A. Schwartz, kantoorhoudende te Amsterdam,
ter verkrijging van een beslissing over een klacht die door betrokkene is ingediend op 6 januari 2026 bij De Regionale Klachtencommissie Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg Drenthe (hierna: de klachtencommissie).
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
Stichting GGZ Drenthe,
gevestigd te Assen,
hierna te noemen: de zorgaanbieder
advocaat: mr. M.J. Groenhof-Jager.
1. Het procesverloop
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het beroepschrift met bijlagen van betrokkene, ontvangen op 6 februari 2026;
- de beslissing van de geneesheer-directeur om het uitvoeren van de zorg met betrekking tot betrokkene over te dragen aan een andere zorgaanbieder, te weten Arkin, van 2 maart 2026, ontvangen op 4 maart 2026;
- het verweerschrift, tevens tegenverzoek van de zorgaanbieder, ontvangen op 9 maart 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 10 maart 2026 ten overstaan van de meervoudige kamer, in het gebouw van de rechtbank te Assen. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van betrokkene;
- mr. M.J. Groenhof-Jager, advocaat bij de zorgaanbieder.
- G. van Kranenburg, GZ-psycholoog en zorgverantwoordelijke;
- K.A.J. Busz, psychiater;
- E.J.G. Heller, psychiater.
2. De feiten
Aan betrokkene wordt door de zorgaanbieder verplichte zorg verleend krachtens de beschikking van deze rechtbank van 31 maart 2025, waarbij ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging is verleend tot en met uiterlijk 31 maart 2026.
Betrokkene is op 5 januari 2026 binnen GGZ Drenthe tijdelijk overgeplaatst (naar schatting voor de duur van zes tot twaalf weken) van Duurzaam Verblijf De Heuve naar de forensische high & intensive care (FHIC).
Betrokkene heeft op 6 januari 2026 bij de klachtencommissie een klacht ingediend tegen de overplaatsing naar de FHIC.
De klachtencommissie heeft op 20 januari 2026 een beslissing genomen op de klacht van betrokkene. Deze beslissing heeft de klachtencommissie op 21 januari 2026 telefonisch aan betrokkene medegedeeld. Op 22 januari 2026 is een verkorte beslissing aan betrokkene verstuurd. Op 3 februari 2026 is de definitieve beslissing aan betrokkene toegezonden.
De klachtencommissie heeft de klacht van betrokkene ongegrond verklaard. De klachten-commissie heeft daartoe overwogen te begrijpen waarom de ‘time out’-overplaatsing nodig was; namelijk om ernstig nadeel te voorkomen in de vorm van ernstige lichamelijke schade (letsel) en gevaar voor de algemene veiligheid van mensen en dingen. De behandelaren hebben toegelicht dat er al lange tijd groeiende spanning en onveiligheid was op De Heuve door het gedrag van betrokkene. Er is een groot aantal incidenten geweest met verbaal en fysiek geweld door betrokkene, ook als zij niet onder invloed was. Er was steeds minder samenwerking en contact met haar mogelijk. De behandelaren van betrokkene hebben volgens de klachtencommissie voldoende meegewogen dat de overplaatsing naar de FHIC tot verdergaande beperkingen in betrokkene haar bewegingsvrijheid en communicatie leidde als gevolg van de huisregels van de FHIC. De behandelaren hebben veel alternatieven geprobeerd zoals pogingen tot behandeling, gesprekken, afspraken over vrijheden en separatie op De Heuve, maar die losten de problemen niet op. De behandelaren hebben ook goed uitgelegd waarom de FHIC de meest geschikte plek is. De klachtencommissie ziet dat de structuur, aandacht en duidelijkheid op de FHIC een positief effect op betrokkene hebben. Het doel van de overplaatsing was de veiligheid van het team van De Heuve te garanderen door de te hoog oplopende spanning een aantal weken te doorbreken en in rust naar een passende plek voor betrokkene te zoeken. De klachtencommissie vindt de overplaatsing daarom subsidiair (er is gekozen voor de minst ingrijpende maatregel), proportioneel en doelmatig. De klachtencommissie erkent dat de manier waarop de overplaatsing is gegaan voor betrokkene erg naar was, maar ziet in waarom het niet anders kon: het vooraf en op het moment zelf informeren van betrokkene zou waarschijnlijk hebben geleid tot agressie en geweld vanuit haar. Artikel 8:16 Wvggz stelt geen termijn waarbinnen betrokkene de schriftelijke beslissing tot overplaatsing moet krijgen. De klachtencommissie vindt dat 7 januari 2026, binnen 2 dagen na de overplaatsing op 5 januari 2026, nog op tijd was.
3. Het verzoek
Betrokkene verzoekt de rechtbank het beroep gegrond te verklaren, zodat haar verblijf op de FHIC zal worden beëindigd.
Betrokkene legt het volgende aan haar verzoek ten grondslag.
Betrokkene is - tot het moment van overplaatsing - niet ingelicht over de overplaatsing en is het ook niet eens met de motivering hiervan. De behandelaren stellen dat er sprake was van verbale en fysieke agressie en van seksueel geweld van betrokkene richting behandelaren en personeel. Betrokkene is echter van mening dat dit niet op waarheid berust. Zij beaamt dat zij haar frustratie heeft geuit over de gang van zaken rondom haar wensen, maar zij is hierbij nooit - op welke manier dan ook - agressief geweest.
Betrokkene is ten eerste van mening dat de overplaatsing naar de FHIC disproportioneel en onnodig is geweest. Er was geen sprake van een situatie die afgewend diende te worden ter voorkoming van ernstig dreigend nadeel, of om haar geestelijke gezondheid te stabiliseren of te herstellen.
Verder is de FHIC een gespecialiseerde, tijdelijke crisisafdeling binnen de forensische zorg. Opname op de FHIC is dan ook niet proportioneel nu betrokkene geen forensisch patiënt is. Ook verblijft betrokkene al sinds 5 januari 2026 op deze afdeling. Hoewel de plaatsing als time-out opname werd ingezet en een opname op deze afdeling ook hiervoor bedoeld is, is de duur van de overplaatsing ondertussen disproportioneel. Betrokkene is bezorgd over de effecten die deze overplaatsing, met de bijbehorende beperkingen van haar bewegingsvrijheid en communicatie, op haar mentale gezondheid heeft.
Ten tweede is bij de overplaatsing niet voldaan aan het vereiste van subsidiariteit, omdat betrokkene als alternatief aan haar behandelaren heeft aangegeven open te staan voor een behandeling in een verslavingskliniek. Al bij het verlenen van de zorgmachtiging was duidelijk dat De Heuve betrokkene niet passend kon behandelen. Een plaatsing op de FHIC zorgt evenmin voor een passende behandeling. Enkel in een verslavingskliniek zal betrokkene de behandeling kunnen krijgen die noodzakelijk is. Tevens geeft betrokkene aan dat zij liever gesepareerd wordt ingeval van een escalatie. Dit geeft haar de mogelijkheid om af te koelen en een separatie is korter en minder stigmatiserend. Ten derde is de over-plaatsing naar de FHIC ook niet doelmatig (geweest). Zoals hiervoor al is aangegeven moet betrokkene geholpen worden met haar verslavingsproblematiek. Een plaatsing op de FHIC is hiervoor niet geschikt. Op de FHIC krijgt zij geen behandeling. Hierdoor heeft betrokkene het gevoel dat zij stilstaat. De FHIC is bedoeld voor het verlenen van forensische zorg. Betrokkene voelt zich, gezien de doelgroep op de afdeling, ook onveilig op de afdeling. De geestestoestand van betrokkene is naar haar stellige overtuiging sinds de overplaatsing dan ook niet in positieve zin veranderd. Gelet op het voorgaande is betrokkene van mening dat de ongegrondverklaring van haar klacht onterecht is en dat haar verblijf op de FHIC moet worden beëindigd.
4. Het verweer
De zorgaanbieder voert verweer en verzoekt de rechtbank de beslissing van de klachtencommissie te herstellen dan wel aan te vullen en het beroep van betrokkene niet-ontvankelijk dan wel ongegrond te verklaren.
De zorgaanbieder legt het volgende aan het verweer ten grondslag.
De interne overplaatsing van betrokkene van afdeling De Heuve in Beilen naar afdeling FHIC in Assen op 5 januari 2025 heeft plaatsgevonden zonder wijziging van de zorgverantwoordelijke. Op verzoek van de zorgverantwoordelijke is pas twee dagen later besloten tot wijziging van de zorgverantwoordelijke. Deze wijziging is vervolgens op 7 januari 2026 door de geneesheer-directeur schriftelijk vastgelegd bij beslissing ex artikel 8:16, lid 1, Wvggz. De klachtencommissie heeft overwogen dat de beslissing tot overplaatsing van 7 januari 2026 twee dagen na de feitelijke interne overplaatsing door de geneesheer-directeur is genomen. Hoewel de klachtencommissie hieraan terecht geen rechtsgevolgen heeft verbonden en heeft geoordeeld dat de beslissing tijdig is genomen, is deze motivering juridisch onjuist. Artikel 8:16 Wvggz verplicht de geneesheer-directeur tot het nemen van een beslissing op het moment dat sprake is van een wijziging van de zorgverantwoordelijke. Daarvan was pas sprake per 7 januari 2026. Tot dat moment was geen besluit ex artikel 8:16 Wvggz vereist. Nu de beslissing op dezelfde dag als de wijziging van de zorgverantwoordelijke is genomen en vastgelegd, is volledig aan de wettelijke vereisten voldaan. Om die reden wordt de rechtbank verzocht de beslissing van de klachtencommissie op dit punt te verbeteren dan wel aan te vullen, in die zin dat wordt vastgesteld dat de beslissing van 7 januari 2026 niet ziet op de interne overplaatsing als zodanig, maar op de wijziging van de zorgverantwoordelijke, en dat deze beslissing tijdig en conform artikel 8:16, lid 1, Wvggz is genomen.
Ten aanzien van de proportionaliteit is naar voren gebracht dat de beslissing tot een tijdelijke time-out overplaatsing is genomen vanuit het oogpunt van veiligheid van personeel en medepatiënten en bovendien een subsidiaire maatregel betrof ter voorkoming van zwaardere interventies, zoals insluiting. Betrokkene vertoonde al geruime tijd agressieregulatie-problematiek jegens haar behandelaren en overige personeelsleden, waarbij sprake was van een toename in frequentie en intensiteit. Vanuit de instelling is herhaaldelijk geprobeerd het contact en de behandelrelatie op De Heuve te herstellen. Tijdens deze contactmomenten bleek evenwel dat de spanning en ongecontroleerde woede van betrokkene in korte tijd zodanig opliepen, dat het niet mogelijk was op constructieve wijze behandelinhoudelijke doelen en vervolgstappen te bespreken. Hierdoor is een vicieuze cirkel ontstaan die verdere voortgang in de behandeling belemmerde. Ten aanzien van de subsidiariteit is aangevoerd dat betrokkene gedurende de betreffende periode herhaaldelijk balanceerde op de grens waarbij insluiting noodzakelijk zou zijn geweest. Vanuit behandelinhoudelijk- en proportionaliteitsoogpunt is evenwel steeds geprobeerd een dergelijke ingrijpende maatregel te voorkomen. In dat kader is nadrukkelijk onderzocht of minder vergaande alternatieven toereikend konden zijn. Zo is onder meer medicamenteuze behandeling ingezet met het doel haar agressieregulatie te verbeteren. Deze interventie heeft echter onvoldoende effect gehad. Daarnaast is vanuit De Heuve steeds medewerking verleend aan de verzoeken van betrokkene tot aanmelding bij een verslavingskliniek, maar deze inspanningen hebben niet tot plaatsing geleid. Ten minste zeven verslavingsklinieken hebben betrokkene afgewezen vanwege de ernst en complexiteit van haar psychiatrische problematiek. Daarbij geldt bovendien dat een reguliere verslavingskliniek, gelet op de ernst van haar toestandsbeeld in de betreffende periode, onvoldoende toegerust is om de benodigde zorg veilig en doelmatig te bieden.
Ten aanzien van de doelmatigheid heeft de zorgaanbieder aangegeven dat het doel van de overplaatsing nadrukkelijk een crisisovername betrof en niet een behandelovername gericht op de verslavingsproblematiek van betrokkene. Aanleiding voor de tijdelijke crisisplaatsing was het feit dat betrokkene geen controle meer had over haar agressie, welke zich uitte in verbale, fysieke en seksueel grensoverschrijdende gedragingen. Deze acute ontregeling vormde de crisis die ingrijpen noodzakelijk maakte. Door betrokkene uit de bestaande spanningsvolle context van De Heuve te halen en haar binnen een gestructureerde en specialistische setting te plaatsen, keerde de rust aantoonbaar terug. Vanaf het moment van plaatsing op de FHIC heeft betrokkene zich coöperatief opgesteld in de samenwerking. Bij evaluatiemomenten waarbij behandelaren van De Heuve aanwezig waren, werd echter waargenomen dat het toestandsbeeld van betrokkene vrijwel direct omsloeg naar ongecontroleerde en moeilijk invoelbare agitatie, in enkele gevallen gepaard gaand met ernstige verbale dreigingen, zelfs binnen de FPK-setting. Na vertrek van deze behandelaren trad telkens opnieuw stabilisatie op en werd betrokkene weer rustiger. Deze observaties bevestigen dat de tijdelijke crisisoverplaatsing naar de FHIC een doelmatige en veilige maatregel was, gericht op stabilisatie van de acute situatie en het waarborgen van de veiligheid binnen de kliniek.
5. De beoordeling
Bevoegdheid
De rechtbank constateert dat betrokkene ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in een accommodatie van GGZ Drenthe (FHIC) in Assen verbleef. Op 3 maart 2026 heeft het Bureau Geneesheer-Directeur van GGZ Drenthe de griffie van de rechtbank bericht dat betrokkene op voornoemde datum zal worden overgeplaatst naar Arkin in Amsterdam.
Op grond van artikel 1:6, lid 3, Wvggz is in zaken betreffende hoofdstuk 10 uitsluitend bevoegd de rechter van de plaats waar betrokkene verblijft. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 24 februari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:316) volgt dat daarbij het tijdstip van indiening van het verzoek bepalend is. In het geval dat de betrokkene na de indiening van het verzoekschrift zijn of haar woonplaats of de plaats waar hij of zij hoofdzakelijk of daadwerkelijk verblijft, heeft verplaatst naar een ander arrondissement, kan de rechter, zo nodig ambtshalve, de zaak in de stand waarin deze zich bevindt, verwijzen naar de rechter van dat arrondissement. Verwijzing moet op een zodanig tijdstip plaatsvinden dat de bij wet voor de beslissing van de rechter gestelde termijn kan worden gehaald.
Gelet op de uit artikel 10:9, lid 2, Wvggz volgende beslistermijn van vier weken is de rechtbank van oordeel dat verwijzing niet meer kan plaatsvinden op een zodanig tijdstip dat de bij wet gestelde beslistermijn kan worden gehaald. De rechtbank zal de zaak daarom zelf behandelen en beoordelen en dus niet naar rechtbank Amsterdam verwijzen. (Door onvoorziene omstandigheden is de rechtbank echter alsnog ruimschoots over genoemde termijn heengegaan.)
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt allereerst vast dat betrokkene ontvankelijk is in haar verzoek. Dit omdat het verzoekschrift binnen de in artikel 10:7, lid 2, Wvggz gestelde termijn van zes weken bij de rechtbank is ingediend en de oorspronkelijke klacht van betrokkene waarover is geoordeeld door de klachtencommissie en betrokkene thans een oordeel van de rechtbank wenst, betrekking heeft op een beslissing die valt onder de limitatieve opsomming van beslissingen zoals genoemd in artikel 10:3, lid 1, Wvggz.
Inhoudelijke beoordeling
De klacht van betrokkene richt zich tegen de onverwachte en onvrijwillige overplaatsing van De Heuve naar de FHIC op 5 januari 2026. Daarbij ziet het eerste onderdeel van de klacht op de omstandigheid dat betrokkene niet vooraf en ook niet op het moment zelf is geïnformeerd over de overplaatsing naar de FHIC. Op de ochtend van de overplaatsing is betrokkene door de verpleging gewekt met de vraag of ze naar de huiskamer kon komen. Eenmaal daar is aan betrokkene verteld dat zij zo dadelijk naar Assen zou worden overgeplaatst. Aan haar is niet medegedeeld dat zij naar de FHIC zou worden overgeplaatst en waarom. Betrokkene heeft meteen laten weten dat zij het niet eens was met een overplaatsing naar Assen en dat zij niet zou gaan. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat betrokkene zich verzette tegen de overplaatsing en dus tegen de op handen zijnde opname in een accommodatie in Assen. Wanneer sprake is van verzet tegen de (gewijzigde) toepassing van een in de zorgmachtiging opgenomen vorm van verplichte zorg, dient de zorgverantwoordelijke de procedure van artikel 8.9 Wvggz te doorlopen. Dit brengt met zich dat de zorgverantwoordelijke niet tot uitvoering van de verplichte zorg in de vorm van het opnemen in een accommodatie kan overgaan dan nadat zij met betrokkene hierover overleg heeft gevoerd. Daarnaast heeft dit tot gevolg dat de zorgverantwoordelijke de beslissing tot toepassing van voornoemde vorm van verplichte zorg op schrift moet stellen als bedoeld in het tweede lid van artikel 8:9 Wvggz en dat de geneesheer-directeur betrokkene een afschrift van deze beslissing moet geven. De rechtbank constateert dat het vorenstaande niet is gebeurd, wat maakt dat sprake is van een schending van een wettelijk voorschrift. De wet biedt de zorgverantwoordelijke niet de ruimte om vanwege veiligheidsredenen betrokkene niet tijdig in kennis te stellen van de voorgenomen beslissing tot overplaatsing. De rechtbank zal de klacht van betrokkene op dit punt daarom gegrond verklaren.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ook niet is voldaan aan het vereiste van artikel 8:9, lid 1 sub c, Wvggz. Hieruit volgt namelijk dat de zorgverantwoordelijke, voor zover hij zelf geen psychiater is, niet tot uitvoering van een vorm van verplichte zorg kan overgaan dan nadat hij hierover overeenstemming heeft bereikt met de geneesheer-directeur. De rechtbank constateert dat de zorgverantwoordelijke zelf geen psychiater is, maar GZ-psycholoog, en dat niet is gebleken dat zij voorafgaand aan de beslissing tot overplaatsing hierover overeenstemming heeft bereikt met de geneeshees-directeur.
Het tweede onderdeel van de klacht van betrokkene houdt in dat de algemene uitgangspunten van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid niet in acht zijn genomen bij de beslissing tot overplaatsing. De rechtbank zal de klacht van betrokkene op dit punt ongegrond verklaren en hierna uitleggen waarom.
Anders dan betrokkene is de rechtbank van oordeel dat voldoende is gebleken dat ten tijde van de overplaatsing sprake was van een situatie die afgewend moest worden ter voorkoming van ernstig dreigend nadeel. Betrokkene vertoonde al geruime tijd agressieregulatieproblematiek, waarbij de afgelopen tijd sprake was van een toename in frequentie en intensiteit. Betrokkene had geen controle meer over haar agressie, welke zich uitte in verbale, fysieke en seksueel grensoverschrijdende gedragingen. Geprobeerd is het contact en de behandelrelatie met betrokkene te herstellen, maar er was steeds minder samenwerking en contact met haar mogelijk. Tijdens zorgafstemmingsgesprekken is het binnen een maand tot twee keer toe misgegaan. Het lukte niet met betrokkene op constructieve wijze in gesprek te komen doordat de spanning en ongecontroleerde woede van betrokkene snel opliep met een poging tot slaan, uitspraken over opwachten, doods-bedreigingen en het schreeuwend achtervolgen van behandelaren op de gang als gevolg. Het ervaren crisisteam was bang dat het ernstig zou kunnen gaan escaleren en dat betrokkene iemand van hen zou gaan slaan. Om de oplopende spanning, agressie en onveiligheid te doorbreken was een overplaatsing nodig naar een setting waar specifieke kennis en ervaring met agressieproblematiek aanwezig is. Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de overplaatsing naar de FHIC proportioneel was.
Ook is de rechtbank van oordeel dat de duur van de overplaatsing proportioneel is geweest. Tijdens evaluatiemomenten waar behandelaren van De Heuve bij aanwezig waren, liep de agressie van betrokkene opnieuw op. Het toestandsbeeld van betrokkene sloeg vrijwel direct om naar ongecontroleerde en moeilijk invoelbare agitatie in enkele gevallen gepaard gaand met ernstige verbale dreigingen. Hierdoor was een terugplaatsing naar De Heuve geen optie. In de tussentijd is op de FHIC geprobeerd de verloven van betrokkene op te bouwen, wat niet is gelukt doordat betrokkene terugviel in alcoholgebruik en zich aan het contact met de FHIC onttrok. Doordat de behandeling van betrokkene vastliep, is besloten betrokkene terug te verwijzen naar Arkin. Betrokkene is dan ook niet nodeloos en langer dan nodig bij de FHIC geplaatst geweest.
Daarnaast is voldoende gebleken dat er geen minder ingrijpende alternatieven mogelijk waren. Alternatieven zoals pogingen tot behandeling, het voeren van gesprekken, het maken van afspraken over vrijheden, en separatie losten de problemen op De Heuve niet op. Het inzetten van een medicamenteuze behandeling om de agressieregulatie te verbeteren, had tot onvoldoende resultaat geleid. Ook het separeren van betrokkene had onvoldoende effect. De agressie en onveiligheid laaide snel weer op zodra betrokkene werd gedesepareerd en terugkeerde op de afdeling. Verder is vanuit De Heuve steeds meegewerkt aan de verzoeken van betrokkene tot aanmelding bij verschillende verslavingsklinieken. Deze inspanningen hebben echter niet tot een plaatsing in een verslavingskliniek geleid. Ten minste zeven verslavingsklinieken hebben betrokkene afgewezen vanwege de ernst en complexiteit van haar psychiatrische problematiek. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de (beslissing tot) overplaatsing voldeed aan het vereiste van subsidiariteit.
Tenslotte is voldoende gebleken dat de overplaatsing een positief effect heeft gehad. Door betrokkene over te plaatsen naar een gestructureerde en specialistische setting keerde de rust aantoonbaar terug en kon de veiligheid worden gewaarborgd. Daar komt bij dat betrokkene, in tegenstelling tot op De Heuve, op de FHIC in de samenwerking was en zich coöperatief opstelde. De rechtbank is daarom van oordeel dat de overplaatsing naar de FHIC tevens doelmatig is geweest.
Ten aanzien van het verzoek van de zorgaanbieder om de beslissing van de klachtencommissie te herstellen dan wel aan te vullen, in die zin dat wordt vastgesteld dat de beslissing van 7 januari 2026 niet ziet op de interne overplaatsing als zodanig, maar op de wijziging van de zorgverantwoordelijke, en dat deze beslissing tijdig en conform artikel 8:16, lid 1, Wvggz is genomen, overweegt de rechtbank als volgt. Gebleken is dat betrokkene op 5 januari 2026 is overgeplaatst zonder dat een wisseling van zorgaanbieder, zorgverantwoordelijke of geneesheer-directeur heeft plaatsgevonden. Pas op 7 januari 2026 heeft een wisseling van zorgverantwoordelijke plaatsgevonden, wat maakt dat vanaf dat moment een beslissing ex artikel 8:16 Wvggz vereist was. Het standpunt van de zorgaanbieder dat tot 7 januari 2026 geen beslissing ex artikel 8:16 Wvggz vereist was, komt de rechtbank daarom niet onjuist voor. Gelet hierop deelt de rechtbank het standpunt van de zorgaanbieder dat de motivering van de klachtencommissie niet juist is voor zover daarin is overwogen dat de beslissing van de geneesheer-directeur tijdig is genomen, omdat deze binnen twee dagen na de overplaatsing op 5 januari 2026 is gegeven. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft pas op 7 januari 2026 een wisseling van zorgverantwoordelijke plaatsgevonden, wat maakt dat vanaf dat moment een beslissing van de geneesheer-directeur nodig was en niet vanaf het moment van de overplaatsing op 5 januari 2026. Gezien het vorenstaande kan de rechtbank de conclusie van de zorgaanbieder volgen dat de beslissing van 7 januari 2026 tijdig en conform artikel 8:16, lid 1, Wvggz is genomen.
6. De beslissing
De rechtbank:
verklaart de klacht van betrokkene gegrond, voor zover die ziet op het niet tijdig informeren van betrokkene over de (voorgenomen) beslissing tot overplaatsing;
verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door
mr. J.S. Bartstra, voorzitter, mr. M.C. van Woudenberg, rechter, mr. E. Brouwer, rechter, bijgestaan door de griffier.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Indien het uitsluitend gaat om de afwijzing van het verzoek tot toekenning van schadevergoeding staat op grond van artikel 358 lid 1 Rv hoger beroep open.
fn: 567/lr