2. Vrijspraak
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het primaire feit. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en dat sprake is van voldoende steunbewijs. Door de in de beschuldiging omschreven feitelijkheden heeft aangeefster zich niet aan de seksuele handelingen kunnen onttrekken en is zij niet in staat geweest om verzet te bieden. Daarmee is voldaan aan de eisen van artikel 242 Sr (oud).
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor het primaire feit wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 240 uren.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primaire en subsidiaire feit. Waar nodig bespreekt de rechtbank het standpunt van de verdediging bij de beoordeling van het bewijs.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
Het primaire en subsidiaire feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd kunnen niet wettig en overtuigend bewezen worden. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Feiten en omstandigheden
Aangeefster en de verdachte hebben in de (ten laste gelegde) periode van 14 augustus 2019 tot 22 augustus 2020 een affectieve relatie gehad. Vanwege hun geloof hebben zij de afspraak gemaakt om voor het huwelijk geen seks te hebben. Tijdens de relatie hebben op verschillende momenten toch seksuele handelingen plaatsgevonden. De verdachte heeft erkend dat hij, op meerdere momenten waarop hij dacht dat aangeefster sliep, aan haar borsten en haar vagina heeft gezeten. Hierbij is hij ook met een vinger binnengedrongen in de vagina van aangeefster. Aangeefster heeft verklaard dat zij zich op die momenten slapende hield en dat zij zich niet durfde te bewegen.
Dwang
De rechtbank stelt voorop dat de gebeurtenissen in deze zaak hebben plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van de Wet Seksuele Misdrijven op 1 juli 2024. De beschuldigingen zijn dan ook gebaseerd op artikel 242 (oud) en 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Om tot een bewezenverklaring van verkrachting in artikel 242 Sr (oud) te kunnen komen, moet vast komen te staan dat er sprake is geweest van dwang, in die zin dat verdachte door geweld of
andere feitelijkheden of door bedreiging met geweld of andere feitelijkheden, het slachtoffer heeft gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen, die mede bestaan uit het seksueel binnendringen in het lichaam. De dwang moet van een zodanig gewicht zijn dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet tegen de seksuele handelingen heeft kunnen verzetten, dan wel door toedoen van de verdachte in een zodanige (bedreigende) situatie is gebracht dat deze zich daaraan niet heeft kunnen onttrekken. Het voorgaande is ook van toepassing op artikel 246 Sr (oud) dat ziet op seksuele handelingen die geen betrekking hebben op het seksueel binnen dringen van het lichaam.
De verdachte heeft erkend dat hij seksuele handelingen heeft verricht bij aangeefster en dat hij ook met zijn vinger seksueel is binnengedrongen bij aangeefster. Het strafdossier bevat echter geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de verdachte geweld heeft gebruikt of met geweld heeft gedreigd. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is geweest van dwang door (bedreiging met) een andere feitelijkheid.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat die andere feitelijkheden bestonden uit het handelen zoals omschreven in de beschuldiging. Deze feitelijkheden leveren volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dwang in de zin van artikel 242 Sr (oud) op als de verdachte
(a) opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of aangeefster in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat zij zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen de seksuele handelingen heeft kunnen verzetten, of (b) indien de verdachte aangeefster heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat aangeefster zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken.1 Hiervoor moet worden gekeken naar de omstandigheden van het individuele geval.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat aangeefster de seksuele handelingen van de verdachte tegen haar wil heeft ondergaan en dat de verdachte dit opzettelijk heeft veroorzaakt op de manier zoals in de beschuldiging is opgenomen.
De rechtbank stelt voorop dat als feitelijkheden in de beschuldiging onder meer zijn opgenomen, dat de verdachte (onverhoeds) tegen aangeefster aan is gaan liggen in bed en zijn armen om haar heen en (onverhoeds) met zijn heupen en/of stijve penis tegen aangeefster aan is gaan liggen. Verder is opgenomen in de beschuldiging dat de verdachte voorbij is gegaan aan de verbale en non-verbale signalen van aangeefster waaruit bleek dat de seksuele handelingen niet gewenst waren en dat hij voorbij is gegaan aan de afspraak om geen seksuele handelingen uit te voeren voor het huwelijk. De rechtbank constateert dat in de beschuldiging niet is opgenomen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van de (vermeende) slapende toestand van aangeefster.
De rechtbank is van oordeel dat de feitelijkheden zoals omschreven in de beschuldiging geen dwang als bedoeld in artikel 242 Sr en 246 Sr opleveren. Daartoe overweegt de rechtbank dat de verdachte en aangeefster een affectieve relatie hadden en vrijwillig samen bij elkaar in bed sliepen. Op verschillende momenten tijdens de relatie hebben seksuele handelingen plaatsgevonden, waarbij aangeefster dit naar eigen zeggen liet gebeuren omdat ze de verdachte niet wilde teleurstellen. Ook zegt zij op verschillende momenten seksuele handelingen bij de verdachte te hebben verricht. Vanaf het moment dat de verdachte en aangeefster (opnieuw) hadden afgesproken geen seksuele handelingen meer te verrichten, is de verdachte begonnen met het verrichten van seksuele handelingen op momenten dat hij dacht dat aangeefster sliep. Aangeefster heeft hierover verklaard dat zij wakker was en deed alsof zij sliep, niet reageerde en dat de verdachte daarom niet kon weten dat ze de seksuele handelingen niet wilde. Dat de verdachte op die momenten voorbij zou zijn gegaan aan de verbale en non-verbale signalen van aangeefster kan dan ook niet worden vastgesteld.
Naar het oordeel van de rechtbank leveren ook de overige feitelijkheden zoals opgenomen in de beschuldiging geen dwang op. De verdachte is weliswaar voorbijgegaan aan de afspraak om
geen seks met elkaar te hebben, maar daaruit volgt niet automatisch dat de verdachte op het moment van de seksuele handelingen aangeefster hiertoe ook heeft gedwongen. Ten aanzien van de overige fysieke handelingen van de verdachte zoals opgenomen in de beschuldiging kan niet worden vastgesteld dat deze voor zover deze hebben plaatsgevonden van zodanige aard en gewicht zijn geweest dat daaruit de dwang kan worden afgeleid.
De rechtbank is, alles overziend, dan ook van oordeel dat er teveel twijfel bestaat over de vraag of de verdachte aangeefster heeft gedwongen de seksuele handelingen zoals in de beschuldiging zijn opgenomen tegen haar wil te ondergaan. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van de beschuldigingen.
3. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft gevorderd dat de verdachte voor het primaire feit de materiële en immateriële schade moet vergoeden die de verdachte met dit strafbare feit bij haar heeft veroorzaakt. De materiële schade bedraagt 1.210,01 en de immateriële schade bedraagt 43.400,00.
Ook heeft de benadeelde partij gevorderd dat de rechtbank de schadevergoeding vermeerdert met de wettelijke rente en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel oplegt.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van
44.610,01, met de wettelijke rente over dit bedrag. Daarbij moet de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd. Wanneer de rechtbank het gevorderde bedrag niet passend vindt, kan de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat de beschuldiging niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en de behandeling van de vordering een te grote belasting voor het strafproces zou zijn. Wanneer de rechtbank wel tot een veroordeling komt en overgaat tot behandeling van de vordering, kan de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid ten aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken. De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
4. Beslissingen
Vrijspraak
De rechtbank verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering benadeelde partij
De rechtbank verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering en begroot deze kosten op nihil.
5. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.S. van der Kuijl, voorzitter,
en mrs. H.H. Kielman en H. de Ruijter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. de Vries, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 september 2026.
Mr. H.H. Kielman en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
1 Hoge Raad 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494