ECLI:NL:RBNNE:2026:4142

ECLI:NL:RBNNE:2026:4142

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer 18/395587-24
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Vrijspraak van artikel 6 WVW 1994: rechtbank kan niet vaststellen wat de oorzaak is geweest van het terechtkomen van verdachte op de verkeerde weghelft. Vrijspraak van artikel 163 WVW 1994: verdachte werd achteraf bevolen goedkeuring te verlenen aan gebruik van resultaten van het bloedonderzoek dat i.s.m. de voorschriften is verricht. Veroordeling voor artikel 5 WVW tot een voorwaardelijke geldboete van € 500.

Uitspraak

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken

d.d. 30 september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats ] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 september 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Pater, advocaat te Assen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 9 november 2024 te of nabij Nieuwe Pekela, gemeente Pekela, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de N366, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, aldaar op de (in twee rijstroken verdeelde) rijbaan van die weg niet zoveel mogelijk rechts te houden maar (grotendeels) te gaan rijden op het weggedeelte dat bestemd is voor het tegemoetkomende verkeer, ten gevolge waarvan hij, met dat door hem bestuurde motorrijtuig, in botsing of aanrijding is gekomen met een op dat deel van de weg tegemoet rijdende vrachtauto/bedrijfsauto, waardoor aan de bestuurder van die vrachtauto/bedrijfsauto (genaamd [slachtoffer] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, zulks terwijl verdachte, na die botsing/aanrijding, nimmer heeft voldaan aan een bevel tot medewerking aan een bloedproef;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 november 2024 te of nabij Nieuwe Pekela, gemeente Pekela als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de N366, het door hem, verdachte, bestuurde voertuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, in ieder geval met dat door hem, verdachte, bestuurde voertuig niet op normale en veilige wijze de rijbaan van die weg heeft gevolgd, immers is hij, verdachte, toen aldaar, gezien verdachtes rijrichting, naar links gereden, gezwenkt of uitgeweken en/of met dat motorrijtuig op de rijbaan voor het tegengestelde verkeer is terechtgekomen terwijl een vrachtauto/bedrijfsauto, hem, verdachte, op korte afstand was genaderd, door welke gedraging(en) van verdachte een aanrijding is ontstaan tussen de door verdachte bestuurde auto en de genoemde vrachtauto/bedrijfsauto, bestuurd door [slachtoffer] en/of (aldus) gevaar op die

weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2

hij op of omstreeks 3 december 2024 te Nieuw-Buinen, gemeente Borger-Odoorn, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden. Verdachte heeft gedurende enige tijd op de verkeerde weghelft gereden en is zonder te remmen tegen een vrachtwagen gebotst. De vrachtwagenchauffeur heeft als gevolg van de botsing bekneld gezeten en heeft daarvan zowel lichamelijk als ook psychisch de gevolgen ondervonden. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een ernstige mate van schuld, mede gelet op het vermoeden dat verdachte onder invloed van verdovende middelen heeft gereden. Zij heeft daarbij als strafverzwarende omstandigheid gewezen op de weigering van verdachte om mee te werken aan het bloedonderzoek.

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 2 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het bevel tot medewerking aan het bloedonderzoek is gegeven door een daartoe aangewezen politieambtenaar. Voorts heeft verdachte bekend dat hij zijn medewerking aan het gevorderde bloedonderzoek heeft geweigerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich - overeenkomstig de inhoud van de door haar aan de rechtbank overgelegde schriftelijke pleitnota - op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden, zodat hij van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het niet remmen of bijsturen door verdachte kan passen bij in slaap vallen en dat onverwacht in slaap vallen slechts een kort moment van mentale afwezigheid dan wel onoplettendheid betreft.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw primair bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken, omdat geen sprake is van een weigering in de zin van artikel 163 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Zij heeft daartoe aangevoerd dat het bloedonderzoek al had plaatsgevonden op het moment dat verdachte om toestemming werd gevraagd.

Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de weigering niet als een strafbare weigering kan worden aangemerkt. Zijn reactie hield rechtstreeks verband

met het niet naleven van de procedurele voorschriften rondom het bloedonderzoek.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In zijn algemeenheid kan niet worden aangegeven of een enkele verkeersfout voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van dit wetsartikel. Van schuld als bedoeld in deze strafbepaling is pas sprake in geval van (ten minste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Uit het dossier volgt dat verdachte met zijn voertuig op de verkeerde weghelft is terechtgekomen en daar in botsing is gekomen met een tegemoetkomende vrachtwagen. Verdachte heeft verklaard dat hij niet weet hoe het ongeval heeft kunnen gebeuren. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij mogelijk in slaap is gevallen. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen wat de oorzaak is geweest van het terechtkomen van verdachte op de verkeerde weghelft. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten voor een nadere vaststelling van de toedracht van het ongeval.

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank onvoldoende vaststellen dat verdachte zich voorafgaand aan of tijdens het ongeval zodanig heeft gedragen dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Dat verdachte op de verkeerde weghelft is terechtgekomen en daar in botsing is gekomen met een tegemoetkomende vrachtwagen, is daarvoor op zichzelf onvoldoende. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde

Op 9 november 2024 is bij verdachte na een verkeersongeval, terwijl hij onder narcose was, bloed afgenomen. Nadat verdachte weer in staat was zijn wil kenbaar te maken, heeft een verbalisant hem op 2 december 2024 om toestemming voor het verrichten van een bloedonderzoek gevraagd. Verdachte heeft die toestemming geweigerd. Op 3 december 2024 is verdachte vervolgens bevolen zijn medewerking aan een bloedonderzoek te verlenen. Ook daaraan heeft verdachte niet meegewerkt.

Het bij verdachte afgenomen bloed was reeds enkele dagen na afname abusievelijk naar het ziekenhuis verzonden en daar zonder zijn toestemming onderzocht. Bij het bevel tot medewerking is verdachte medegedeeld dat zijn bloed al was onderzocht en is hem ook de uitslag van dat onderzoek medegedeeld. Verdachte heeft zowel bij de politie als ook ter terechtzitting verklaard dat hij zijn medewerking aan het bloedonderzoek heeft geweigerd, omdat het onderzoek van zijn bloed in strijd met de wet al zonder zijn toestemming was uitgevoerd.

Gelet op de voormelde gang van zaken, stelt de rechtbank vast dat verdachte op 3 december 2024 in feite werd bevolen om achteraf zijn goedkeuring te verlenen aan het gebruik van de resultaten van het bloedonderzoek dat in strijd met de wettelijke voorschriften zonder zijn toestemming of medewerking was verricht. Daarmee was geen sprake meer van een bevel tot medewerking aan een onderzoek als bedoeld in artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het onder 2 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 9 november 2024 te of nabij Nieuwe Pekela, gemeente Pekela, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de N366, met dat door hem, verdachte, bestuurde voertuig niet op normale en veilige wijze de rijbaan van die weg heeft gevolgd, immers is hij, verdachte, toen aldaar, gezien verdachtes rijrichting, met dat motorrijtuig op de rijbaan voor het tegengestelde verkeer terechtgekomen terwijl een vrachtauto, hem, verdachte, op korte afstand was genaderd, door welke gedraging van verdachte een aanrijding is ontstaan tussen de door verdachte bestuurde auto en de genoemde vrachtauto, bestuurd door [slachtoffer] en (aldus) gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 18 maanden. Bij het formuleren van de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de mate van schuld en de strafverzwarende omstandigheid van de weigering mee te werken aan het bloedonderzoek.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de gevolgen die het ongeval voor verdachte heeft gehad.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting alsmede het reclasseringsrapport

d.d. 14 september 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft door zijn verkeersgedrag de veiligheid op de weg in gevaar gebracht. Hij is met zijn voertuig op de verkeerde weghelft terechtgekomen en vervolgens in botsing gekomen met een tegemoetkomende vrachtauto. Het door verdachte veroorzaakte gevaar heeft zich daarmee verwezenlijkt in een verkeersongeval.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank zal aan verdachte een andere strafmodaliteit opleggen dan door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt. De rechtbank houdt bij de strafoplegging voorts rekening met het feit dat verdachte als gevolg van het ongeval zelf letsel heeft opgelopen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een geldboete van 500,- voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, passend en geboden is.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

betaling van een geldboete ten bedrage van 500,- (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis.

Bepaalt dat deze geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op één jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Ruijter, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en mr. H.H. Kielman, rechters, bijgestaan door mr. L.N. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 september 2026.

Mr. L.N. Dijkstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H. de Ruijter
  • mr. M.S. van der Kuijl
  • mr. H.H. Kielman

Griffier

  • mr. L.N. Dijkstra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand