ECLI:NL:RBNNE:2026:4148

ECLI:NL:RBNNE:2026:4148

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 18-09-2026
Datum publicatie 01-10-2026
Zaaknummer 18/117077-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Veroordeling minderjarige voor een poging tot doodslag, drie mishandelingen, meerdere diefstallen waaronder een diefstal met geweld, vernielingen en een bedreiging. Verdachte krijgt opgelegd een voorwaardelijke PIJ-maatregel met een proeftijd van 2 jaren en daarnaast een jeugddetentie van 162 dagen, gelijk aan het voorarrest. Tevens beslissingen ten aanzien van benadeelde partijen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/117077-25

ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18/136663-25, 18-275608-25, 18-221132-25 en 18-163223-

26

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

18. september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats], wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 september 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.D. Spijker, advocaat te Groningen.

Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. van Slooten.

Tenlastelegging

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de volledige tekst van de tenlastelegging verwezen naar de inhoud daarvan zoals opgenomen in de bijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier ingelast te worden beschouwd.

De verdenkingen komen er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Parketnummer 18/136663-25

Feit 1: op 4 augustus 2024 in Stadskanaal, al dan niet samen met anderen, heeft gepoogd om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel openlijk geweld heeft gepleegd;

Feit 2: op 4 augustus 2024 in Stadskanaal, [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

Parketnummer 18-117077-25

Feit 1: op 8 augustus 2024 in Stadskanaal, al dan niet samen met anderen, goederen heeft gestolen van [slachtoffer 3] ([bedrijf 1]) door middel van braak;

Feit 2: op 2 april 2025 in Stadskanaal, al dan niet samen met anderen, goederen heeft gestolen van [slachtoffer 4] ([bedrijf 2]) door middel van braak;

Feit 3: op 4 april 2025 in Stadskanaal [slachtoffer 5] heeft mishandeld;

Feit 4: op 4 april 2025 in Stadskanaal [slachtoffer 5] heeft bedreigd;

Feit 5: op 5 april 2025 in Nieuw-Buinen een iPhone van [slachtoffer 6] heeft gestolen;

Feit 6: in de periode van 1 januari of 1/3 april tot en met 10 april 2025 in Stadskanaal goederen heeft gestolen van [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8].

Parketnummer 18-275608-25

Feit 1: op 1 oktober 2025 in Ter Apel bloempotten heeft vernield;

Feit 2: op 1 oktober 2025 in Ter Apel [slachtoffer 9] heeft mishandeld.

Parketnummer 18-221132-25

op 5 augustus 2025 in Musselkanaal, al dan niet samen met anderen, heeft gepoogd om [slachtoffer 10] van het leven te beroven, dan wel heeft gepoogd om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel openlijk geweld heeft gepleegd, dan wel hem heeft mishandeld met voorbedachten rade.

Parketnummer 18-163223-26

Feit 1: op 21 maart 2025 in Nanton (Frankrijk) sigaretten en een telefoon van [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12]-Robert heeft gestolen, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van geweld;

Feit 2: op 21 maart 2025 in Nanton (Frankrijk) een ruit en een hek heeft vernield en/of beschadigd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

Parketnummer 18/136663-25

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1 primair ten laste gelegde omdat verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Zij heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde.

Parketnummer 18-117077-25

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde.

Parketnummer 18-275608-25

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Parketnummer 18-221132-25

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het primair ten laste gelegd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat aangever [slachtoffer 10] is aangevallen door een groep, waarbij het geweld heeft bestaan uit slaan en schoppen tegen het lichaam en tegen het hoofd. Op basis van de beelden kan worden vastgesteld dat verdachte aangever tegen zijn zij en hoofd heeft geslagen en dat hij de persoon is geweest die aangever naar de grond heeft getrokken. Daaruit kan niet worden afgeleid dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van aangever. Van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten ten aanzien van al het tegen aangever uitgeoefende geweld is geen sprake. Het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling kan wel bewezen worden verklaard.

Parketnummer 18-163223-26

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

Parketnummer 18/136663-25

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde nu hij enkel heeft geslagen en dit niet gekwalificeerd kan worden als een poging tot zware mishandeling. De onder 1 subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging kan wel wettig en overtuigend bewezen worden.

Voor wat betreft de onder 2 ten laste gelegde mishandeling heeft verdachte verklaard dat hij aangever [slachtoffer 2] slechts heeft geduwd en niet geslagen. Met de getuigenverklaringen moet terughoudend worden omgegaan omdat sommige getuigen niet alles hebben meegekregen en daarnaast de onderlinge verhouding tussen de getuigen en de aangever mogelijk een rol bij de inhoud van die verklaring heeft gespeeld. Bepleit is daarom om verdachte van deze mishandeling vrij te spreken.

Parketnummer 18-117077-25

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, waarbij zij heeft opgemerkt dat de periode van het onder 6 ten laste gelegde beperkt kan worden tot de periode tussen 1 en 10 april 2025.

Parketnummer 18-275608-25

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot de onder 2 ten laste gelegde mishandeling heeft zij aangevoerd dat er teveel twijfel bestaat over wat er precies is voorgevallen. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte enkel geduwd heeft. Twee andere getuigen verklaren dat verdachte heeft geslagen maar verdachte ontkent dit stellig. Bepleit is daarom om verdachte van deze mishandeling vrij te spreken.

Parketnummer 18-221132-25

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde omdat de rol van verdachte bij het toegepaste geweld het kleinst is geweest. Hij heeft aangever naar de grond getrokken, hem gefilmd en daarna nog een klap met vlakke hand gegeven in zijn gezicht. De gedragingen van verdachte leverden geen aanmerkelijke kans op de dood op en daarmee is dus geen sprake van (voorwaardelijk) opzet op de dood. Er was geen sprake van een vooraf afgesproken plan en verdachte kon niet weten wat de anderen zouden gaan doen. Verdachte dient daarom vrijgesproken te worden van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling kan in de visie van de raadsvrouw wel bewezen worden verklaard.

Parketnummer 18-163223-26

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank Parketnummer 18/136663-25 Feit 1

De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel en daarmee kan evenmin worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen daarvan.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 subsidiair bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

Feit 2

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 augustus 2024, opgenomen op pagina 7 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024211097 d.d. 9 april 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:

Plaats delict : [adres] 57, 9501 BB Stadskanaal

Pleegdatum/tijd : Tussen 4 augustus 2024 om 20:18 uur en 4 augustus 2024 om 20:45 uur

Ik hoorde een jongen zeggen, welke later een jongen bleek te zijn met de naam [verdachte]: "vind jij het normaal dat jouw zoon meisjes aanraakt". Ik zei tegen de jongens: "en nu optyfen." [verdachte] die haalde hierop uit. Ik zag dat zijn rechter gebalde vuist met kracht op de linkerkant van mijn hoofd afkwam. Ik voelde een harde bonk tegen mijn linkeroor. Ik voelde pijn.

2. ​ ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 8 augustus 2024, opgenomen op pagina 47 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2]:

Even later kwam er een vrouw aan waarvan mij bleek dat dit de moeder van de jongen was die was mishandeld. Deze vrouw is direct voor de jongen met de blonde krullen gaan staan. Hierna zag ik dat de vrouw de jongen met de blonde krullen een duw gaf. En direct hierna zag ik dat deze jongen met de vuist van zijn rechterarm de vrouw tegen de zijkant van haar gezicht aan sloeg. De vrouw viel hierdoor op de grond.

3. ​ ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 8 augustus 2024, opgenomen op pagina 56 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3]:

De vrouw liep op dat moment naar [verdachte] toe en vroeg hem of hij degene was die haar zoon had mishandeld. Ik zag hierna dat [verdachte] uithaalde naar de vrouw. Hij raakte haar tegen haar wang of tegen haar oor en hij sloeg hierna in ieder geval nog wel 2 keer. [verdachte] sloeg de vrouw met zijn rechter hand en volgens mij met zijn vuist.

Bewijsoverweging

Aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte haar met zijn vuist tegen het hoofd heeft geslagen. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaringen getuigen [getuige 2] en [getuige 3]. De rechtbank is daarom van oordeel dat de mishandeling wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Parketnummer 18-117077-25

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het gelet op zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

Parketnummer 18-275608-25

Feit 1

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

Feit 2

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 oktober 2025, opgenomen op pagina 9 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025267405 d.d. 2 oktober 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 9]:

Op 1 oktober 2025 was ik aanwezig in mijn kapsalon aan [adres]. Ik zag dat [verdachte] nog tegen een tussendeur trapte en sloeg. Ik zei tegen hem dat dat hij van het terrein af moest gaan. Hij ging toen gelijk neus aan neus met mij staan. Hij begon me uit te schelden voor onder andere: "kankerhoer, stinkhoer, kankerwijk". Daarna zag ik dat hij een stap naar achteren deed en zijn arm naar achteren bewoog.

Vervolgens sloeg hij mij met kracht tegen mijn neus. Hij heeft mij éen keer geslagen. Toen ik werd geraakt voelde ik meteen pijn op mijn neus.

2. ​ ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 2 oktober 2025, opgenomen op pagina 15 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 5]:

Ik zag dat [verdachte] een slaande beweging met zijn vuist maakte. Ik zag dat de vuist van [verdachte] in het gezicht van Eveline kwam. [verdachte] heeft Eveline één keer in het gezicht geslagen.

3. ​ ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 2 oktober 2025, opgenomen op pagina 18 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 6]:

Bij deze deur zag ik dat [verdachte] begon met duwen in de richting van [naam 1]. Hierna zag ik ineens dat [naam 1] op haar gezicht werd geslagen door [verdachte].

Bewijsoverweging

Aangeefster [slachtoffer 9] heeft verklaard dat verdachte haar met zijn vuist tegen het gezicht heeft geslagen. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van getuigen [getuige 5] en [getuige 6]. De rechtbank acht deze verklaringen alsmede de aangifte betrouwbaar en stelt op grond daarvan vast dat de mishandeling wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Parketnummer 18-221132-25

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. ​De door verdachte op de terechtzitting van 4 september 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik [slachtoffer 10] heb gebeld en gevraagd of hij naar de Koepel wilde komen om te praten. De anderen zaten verstopt in de bosjes en toen [slachtoffer 10] er was kwamen die anderen uit de bosjes. Daarna is [slachtoffer 10] onder andere tegen zijn hoofd getrapt en geslagen. Ik heb hem een paar tikken tegen zijn hoofd en de zijkant van zijn lichaam gegeven. Het zou kunnen dat ik heb gezegd dat hij op zijn knieën moest gaan zitten.

2. ​ ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 augustus 2025, opgenomen op pagina 10 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025210635

d.d. 26 augustus 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 10]:

Op 5 augustus 2025 omstreeks 18.30 uur was ik in Musselkanaal. Ik kreeg bericht middels Snapchat van een jongen genaamd [verdachte]. In dit bericht werd ik gevraagd om naar achter de Koepel te komen omdat [verdachte] met mij wilde praten. [verdachte] gaf mij een boks. Ik zag toen dat [naam 2] ook aan kwam lopen. Ik hoorde dat [naam 2] zei: "Heb jij drugs aan [naam 3] gegeven?". Nadat [naam 2] die vraag over [naam 3] stelde, voelde ik een harde klap tegen de rechterkant van mijn gezicht. Ik wist dat [verdachte] mij had geslagen omdat die als enige aan de rechterkant van mij stond. Ik zag door de klap alles wazig. Ik kan mij nog herinneren dat ik op de grond lag en dat ik zag dat er nog 2 jongens uit de bosjes mijn kant op kwamen. Ik herkende 1 van deze 2 jongens direct als [naam 4]. Toen deze 2 jongens bij mij kwamen ging het super snel. Ik zag de klappen niet aankomen. Ik voelde dat ik meerdere klappen kreeg uit alle richtingen. Ik voelde dat ik overal klappen kreeg op mijn lichaam en gezicht. Ik voelde de

pijn in eerste instantie niet. Ik voelde voornamelijk klappen op klappen. Ik lag helemaal in elkaar. Terwijl deze jongens mij in elkaar sloegen en trapten hoorde ik zij tegen mij meerdere dingen schreeuwden. Ik hoorde dat zij riepen:

- Ga op je knieën!

3. ​ ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 augustus 2025, opgenomen op pagina 44 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant]

Aan de hand van foto's die van de jongens zijn gemaakt vlak na de aanhouding heb ik de beelden beschreven met benoeming van de verdachten bij naam.

Feitelijkheden verdachten:

[verdachte]:

[verdachte] staat met het slachtoffer tegen een muur en trekt hem opzij naar de grond. Het slachtoffer valt op zijn rug op de grond. Terwijl het slachtoffer door de anderen wordt geschopt en geslagen pakt [verdachte] zijn mobiele telefoon en begint te filmen terwijl hij "iets" tegen het slachtoffer zegt. Dan geeft [verdachte] het slachtoffer 1 klap met zijn vlakke hand tegen zijn hoofd.

[medeverdachte 1]:

[medeverdachte 1] komt erbij terwijl het slachtoffer al op de grond ligt en al schoppen en klappen heeft geïncasseerd. Hij loopt even om het groepje heen en heeft zichtbaar zijn handen met rood materiaal omzwachteld. De anderen van het groepje schoppen en slaan tegen het hoofd van het slachtoffer. Dan buigt [medeverdachte 1] zich ineens naar het in foetushouding liggende slachtoffer op de grond en begint in een snel tempo met zijn rechter omzwachtelde vuist op het slachtoffer in te slaan. Hij raakt het slachtoffer op zijn lichaam en in de richting van zijn hoofd. Het slachtoffer schreeuwt het uit en roep "auw, auw auw".

[medeverdachte 2]:

Het filmpje begint dat [medeverdachte 2] het slachtoffer schopt terwijl hij nog staat tegen zijn been. Dan word het slachtoffer door [verdachte] naar de grond getrokken. [medeverdachte 2] loopt mee en pakt dan "iets" met zijn rechter hand van de grond en gooit dit tegen het lichaam van het slachtoffer. Direct daarop schopt hij met beide voeten tegen het hoofd van het slachtoffer. Terwijl het slachtoffer herhaaldelijk tegen zijn hoofd word geslagen door [medeverdachte 3], trapt [medeverdachte 2] wederom met zijn rechtervoet zichtbaar 5 keer tegen het hoofd van het slachtoffer. Het slachtoffer word dan meerdere keren door [medeverdachte 1] geslagen en vervolgens loopt [medeverdachte 2] om het slachtoffer heen, die half overeind komt. [medeverdachte 2] schopt dan met kracht met zijn rechter voet tegen de rechterzijde van het hoofd van het slachtoffer. Het slachtoffer komt dan op zijn knieën zitten. [medeverdachte 2] raapt dan nog wat van de grond en dan wordt er geroepen : "we moeten gaan".

[medeverdachte 3]:

[medeverdachte 3] is herkenbaar aan zijn grijze hoody. Als het slachtoffer op de grond, op zij rug ligt, komt [medeverdachte 3] aanrennen en schopt, als tegen een voetbal, met zijn rechtervoet tegen het lichaam van het slachtoffer. Vervolgens schopt [medeverdachte 3] nog zichtbaar 4 maal met zijn rechter voet tegen het lichaam van het slachtoffer. [medeverdachte 3] staat vervolgens achter het half opgerichte slachtoffer en slaat hem meerdere keren met vlakke handen tegen het hoofd en roept: "Wie gaf [naam 3] die drugs dan". Daarna loopt [medeverdachte 3] naar een fat bike en stapt daar op. Kort daarop stapt hij daar weer vanaf en loopt met een mobiele telefoon in zijn hand naar het op zijn knieën zittende

slachtoffer. [medeverdachte 3] schopt dan nogmaals met zijn rechter been tegen het lichaam van het slachtoffer.

Medeplegen

Van medeplegen is sprake indien er tussen de verdachten een bewuste en nauwe samenwerking was.

Verdachte heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hij aangever heeft gebeld en hem heeft gevraagd om naar de Koepel te komen. Ook heeft hij medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] gebeld om naar de Koepel te komen. De rechtbank is anders dan verdachte van oordeel dat het nooit het plan is geweest om met aangever in gesprek te gaan over de bewering dat aangever drugs zou hebben verstrekt aan [naam 3]. Op de beelden is immers te zien dat het geweld bijna onmiddellijk begint als aangever ter plaatse komt. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] starten samen het geweld tegen aangever en verdachte zorgt ervoor dat aangever op de grond belandt. Vanaf dat moment pakt verdachte zijn telefoon en filmt hij de geweldshandelingen die door de medeverdachten worden uitgeoefend. Hij doet dit door dicht op de op de grond liggende aangever te gaan staan en het slaan en het schoppen van dichtbij te filmen. Terwijl de medeverdachten hun geweldshandelingen uitoefenen zegt verdachte tegen aangever: Ga op je kanker knietjes en Ga op je knieën. Aangever krabbelt dan omhoog en wordt nog geslagen en getrapt tegen zijn hoofd. Verdachte zegt daarna nog iets tegen aangever en slaat hem vervolgens met een vlakke hand in zijn gezicht.

De rechtbank overweegt dat verdachte de organisator is van de afspraak met aangever, dat hij medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] heeft ingeschakeld, dat hij start met het uitoefenen van geweld, dat hij aangever gedurende alle geweldshandelingen blijft filmen, waarmee hij laat zien achter het geweld te staan dat tegen aangever wordt uitgeoefend. Voorts zegt hij tegen aangever dat hij op zijn knieën moet gaan zitten en geeft aangever, na al het uitgeoefende geweld, nogmaals een klap in diens gezicht. Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten dat sprake is geweest van medeplegen. Dat het aandeel van verdachte in de geweldshandelingen beperkt was, doet niet af aan het feit dat het verdachte is geweest die de situatie waarin het geweld kon plaatsvinden heeft gecreëerd en zich niet heeft gedistantieerd van het heftig escalerende, door de medeverdachten voortgezette geweld. Sterker nog, verdachte pakt juist zijn telefoon om het geweld te filmen en geeft instructies aan aangever om te knielen, waarna hij nog een harde trap in het gezicht krijgt van een medeverdachte en uiteindelijk slaat verdachte aangever nogmaals in het gezicht. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat tussen verdachte en de medeverdachten een bewuste nauwe samenwerking was ten aanzien van alle geweldshandelingen.

Vervolgens ligt de vraag voor hoe deze geweldshandelingen gekwalificeerd moeten worden.

Voor een bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag is vereist dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op de dood van [slachtoffer 10] heeft gehad. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Daarvoor is vereist dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zou intreden, en dat hij die kans ten tijde van zijn gedraging bewust heeft aanvaard of op de koop toe heeft genomen.

Of in een concreet geval sprake is van voorwaardelijk opzet zal, als de verklaring van verdachte geen inzicht geeft in hetgeen ten tijde van de gedraging in hem is omgegaan, moeten worden afgeleid uit de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens

contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. In alle gevallen dient sprake te zijn van een kans die naar algemene ervaringsregels als aanmerkelijk kan worden aangemerkt.

Uit de bewijsmiddelen in het bijzonder de camerabeelden blijkt dat verdachte en de medeverdachten heftig geweld hebben uitgeoefend. Aangever is meermalen met kracht geschopt en geslagen tegen het hoofd terwijl hij weerloos op de grond lag. Te zien is dat er veelvuldig wordt getrapt, waaronder ook stampend tegen het hoofd. Het hoofd van aangever bewoog door de impact van de schoppen naar achteren. Het hoofd is een vitaal onderdeel van het lichaam, dat is een feit van algemene bekendheid. Krachtig schoppend geweld tegen het hoofd kan het overlijden tot gevolg hebben. Door met zoveel kracht met een geschoeide voet meermaals tegen het hoofd te trappen en te stampen, was de kans aanmerkelijk dat de aangever zodanig letsel aan het hoofd zou oplopen dat hij daardoor had kunnen overlijden. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte en de medeverdachten, bezien in hun onderlinge samenhang, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het teweeg brengen van dat gevolg, dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Ten aanzien van verdachte zijn de rechtbank geen aanwijzingen gebleken voor het tegendeel.

De rechtbank acht daarom het primair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Parketnummer 18-163223-26

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 en 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het gelet op zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder parketnummer 18/136663-25 onder 1 subsidiair en 2, het onder parketnummer 18/117077-25 onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6, het onder parketnummer 18/275608-25 onder 1 en 2 ten laste gelegde, het onder parketnummer 18/221132-25 primair ten laste gelegde en het onder parketnummer 18/163223-26 onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

Parketnummer 18/136663-25

1 subsidiair

hij op 4 augustus 2024 te Stadskanaal openlijk, te weten, aan de [adres], in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1], door hem meermalen tegen het hoofd te slaan;

2

hij op 4 augustus 2024 te Stadskanaal [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar tegen het hoofd te slaan.

Parketnummer 18-117077-25

1

hij op 8 augustus 2024 te Stadskanaal, tezamen en in vereniging met een ander, (sterke) drank, frisdrank, geld, een fooienpot en een kassalade met geld, die geheel aan [slachtoffer 3] ([bedrijf 1]) toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

2

hij op 2 april 2025 te Stadskanaal tezamen en in vereniging met een ander, geld, dat geheel aan [slachtoffer 4] ([bedrijf 2]) toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

3

hij op 4 april 2025 te Stadskanaal [slachtoffer 5] heeft mishandeld door hem meermalen tegen het hoofd te slaan;

4

hij op 4 april 2025 te Stadskanaal [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 5] dreigend de woorden toe te voegen "Als ik nog één keer wat hoor of dat er politie bij mij thuis komt, dan maak ik je dood";

5

hij op 5 april 2025 te Nieuw-Buinen, gemeente Borger-Odoorn een mobiele telefoon (iPhone 11 pro), die geheel aan [slachtoffer 6] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

6

hij in de periode van 1 april 2025 tot en met 10 april 2025 te Stadskanaal een horloge en een geldkistje met inhoud, waaronder gouden kettingen, een woonwagenhanger, een mes en een Iphone 11, die geheel aan [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Parketnummer 18-275608-25

1

hij op 1 oktober 2025 te Ter Apel, gemeente Westerwolde, opzettelijk en wederrechtelijk vazen/bloempotten, die geheel aan [getuige 4], toebehoorden heeft vernield;

2

hij op 1 oktober 2025 te Ter Apel, gemeente Westerwolde, [slachtoffer 9] heeft mishandeld, door haar met de vuist tegen het gezicht te slaan.

Parketnummer 18-221132-25 Primair

hij op 5 augustus 2025 te Musselkanaal, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 10], van het leven te beroven, die [slachtoffer 10], naar de grond heeft gebracht en vervolgens - terwijl die [slachtoffer 10] op de grond lag - meermalen tegen het hoofd en de rest van het lichaam heeft geslagen en getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Parketnummer 18-163223-26

1

hij op 21 maart 2025 te Nanton, in Frankrijk, uit een woning aan de [adres], sigaretten en een telefoon, die geheel aan de heer [slachtoffer 11] en mevrouw [slachtoffer 12], toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12], gepleegd met het oogmerk om die diefstal bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die mevrouw [slachtoffer 12] te duwen en door de heer [slachtoffer 11] met het heft van een rubberen mes op het hoofd te slaan;

2

hij op 21 maart 2025 te Nanton, in Frankrijk, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van een pizzeria) en een hek (van een woning) die geheel aan [slachtoffer 13] en/of [slachtoffer 15], toebehoorden heeft vernield en beschadigd.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Parketnummer 18/136663-25

1 1 primair. openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

2. 2. mishandeling.

Parketnummer 18-117077-25

Parketnummer 18-275608-25

Parketnummer 18-221132-25

primair. medeplegen poging tot doodslag

Parketnummer 18-163223-26

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 18/136663-25 onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde, ter zake van het onder parketnummer 18/117077-25 onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6, ter zake van het onder parketnummer 18/275608-25 onder 1 en 2 ten laste gelegde, ter zake

van het onder parketnummer 18/221132-25 subsidiair ten laste gelegde en het ter zake van het onder parketnummer 18/163223-26 onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 365 dagen - met aftrek van het voorarrest - waarvan 202 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijke deel moeten de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde voorwaarden worden gekoppeld. Daarnaast is gevorderd om de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Een voorwaardelijke PIJ-maatregel, zoals geadviseerd door de Raad, kan niet worden opgelegd nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in de visie van de officier van justitie de oplegging van deze maatregel niet vereist. Het laatste strafbare feit dateert uit 2025, verdachte heeft een blanco strafblad en heeft de afgelopen maanden een positieve ontwikkeling laten zien.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het advies van de Raad om een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen (mede) is ingegeven door de vrees dat hij anders de voorwaardelijke jeugddetentie gaat uitzitten om er vanaf te zijn. Verdachte heeft daar echter nooit aanleiding voor gegeven. Tijdens de schorsingsperiode heeft hij, ondanks tegenslagen, altijd zijn best gedaan om mee te werken. Het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel is op dit moment daarom een brug te ver. Het opleggen van een deels voorwaardelijke jeugddetentie waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest is in dit geval het meest passend. Verdachte is bereid om zich aan de voorwaarden te houden, waaronder het dragen van een enkelband, en hij staat open voor begeleiding vanuit de jeugdreclassering en behandeling.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de rapportage van de Raad van 26 augustus 2026, het Pro Justitia rapport van 11 mei 2026, opgemaakt door T. den Boer, psychiater, en het Pro Justitia rapport van 18 juni 2026, opgemaakt door E.E. ter Borg, Orthopedagoog-Generalist NVO, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 14 juli 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een groot aantal strafbare feiten, bestaande uit voornamelijk geweld- en vermogensdelicten. De hoeveelheid geweldsfeiten valt op en ook het aandeel van verdachte in enkele van die feiten. Zo heeft hij samen met anderen slachtoffer [slachtoffer 10] naar een locatie gelokt met het doel om geweld tegen hem te gebruiken. Verdachte heeft daarbij de ontmoeting georganiseerd, het slachtoffer naar de grond getrokken, in het gezicht geslagen en alle geweldshandelingen gefilmd. De medeverdachten hebben het slachtoffer meermalen tegen het hoofd getrapt terwijl hij weerloos op de grond lag. De beelden waarop te zien is dat het slachtoffer wordt mishandeld zijn heftig en maken indruk. De rechtbank rekent het verdachte ook zeer aan dat de voor het slachtoffer vernederende beelden schaamteloos online zijn verspreid. Uit de toelichting bij het verzoek tot schadevergoeding volgt dat het slachtoffer zowel fysiek als mentaal nog steeds last heeft van de geweldshandelingen.

Daarnaast heeft verdachte zich in Frankrijk schuldig gemaakt aan een ingrijpende woningoverval waarbij de op hoge leeftijd zijnde slachtoffers in hun eigen woning zijn mishandeld en daarbij letsel hebben opgelopen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat dit plaatsvond in hun eigen woning, bij uitstek een plek waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen.

Verder heeft verdachte slachtoffers [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 9] mishandeld door hen tegen het hoofd te slaan. Verdachte heeft bij de geweldsfeiten geen enkel respect getoond voor de lichamelijke integriteit van deze slachtoffers. Hij heeft daarbij een ernstige inbreuk gemaakt op hun gevoel van veiligheid.

Verdachte heeft ook twee inbraken gepleegd in een eetcafé en een pizzeria, door in beide gevallen eerst een ruit te breken, vervolgens binnen te treden en onder andere geld weg te nemen. Dit zijn overlastgevende feiten en kosten de eigenaren van de horecagelegenheden veel tijd en geld. Verdachte heeft enkel oog heeft gehad voor zijn eigen financiële gewin en zich geen rekenschap gegeven van de gevolgen van zijn handelen voor de gedupeerden.

De persoon van verdachte

Over verdachte zijn twee Pro Justitia rapportages opgemaakt. Verdachte heeft echter geweigerd om mee te werken aan zowel het psychologisch als psychiatrisch onderzoek. De deskundigen zijn daarom niet tot eigenstandige diagnostiek gekomen. Uit de beschikbare informatie blijkt volgens de psychiater dat verdachte eerder meermaals psychodiagnostisch is onderzocht, leidend tot de conclusie dat er sprake is van een functioneren op licht verstandelijk beperkt niveau. Tevens werd bij hem gesproken van een reactieve hechtingsstoornis met gedragsproblemen en daarnaast zou hij kampen met een posttraumatische stressstoornis. Ook de psycholoog stelt vast dat uit eerdere rapportages het beeld naar voren komt dat bij verdachte sprake is van een verstoorde emotie-regulatie, ADHD, een stoornis in het autistisch spectrum en persoonlijkheidsproblematiek. Eerder diagnostisch onderzoek leidde tot diverse classificaties, waaronder ODD, PTSS, een hechtingsstoornis en een iets beneden gemiddeld intelligentieniveau.

De Raad heeft in zijn advies van 26 augustus 2026 het volgende vermeld. De belangrijkste risicofactoren liggen in verdachtes persoonlijke problematiek. Zijn cognitieve niveau zorgt ervoor dat hij de praktische en emotionele gevolgen van zijn gedrag op het moment zelf niet overziet. Daarnaast zorgen PTSS, kenmerken van ADD/ADHD en een hechtingsstoornis voor problemen met de emotieregulatie en een lage frustratietolerantie. Bij begrenzing of spanning raakt hij snel overprikkeld. Door het ontbreken van probleemoplossende vaardigheden slaat deze overprikkeling direct om in verbale en fysieke agressie, wat de kans op herhaling vergroot.

De Raad schat in dat het lagere cognitieve niveau, het cannabisgebruik van verdachte (destijds), zijn problemen met emotieregulatie, zijn impulsiviteit en de dynamiek in zijn sociale contacten hebben bijgedragen aan de delicten. De Raad schat de kans op recidive voor gewelds- en vermogensdelicten als hoog in wanneer er geen hulpverlening en behandeling wordt ingezet. De jeugdreclassering deelt deze zorg en wijst hierbij op de ernst van de incidenten en het feit dat verdachte in het verleden schorsingsvoorwaarden heeft geschonden door nieuwe feiten te plegen. Doordat verdachte niet heeft meegewerkt aan de psychiatrische en psychologische onderzoeken is er geen recent diagnostisch beeld en is er geen advies gegeven over de wenselijkheid van een PIJ-maatregel. Ondanks het ontbreken van deze afweging, is de Raad van mening dat borging van de behandeling middels een voorwaardelijke PIJ-maatregel noodzakelijk is. De problematiek van verdachte is complex, de delicten fors, het recidiverisico hoog. Indien verdachte zich niet houdt aan de bijzondere voorwaarden en er enkel een voorwaardelijk detentie kader wacht, wordt er niet gewerkt aan het beperken van de risicofactoren. Hij zal zijn straf uitzitten en niet werken aan zijn persoonlijke problematiek. Het enigszins moeizame verloop van de schorsing maakt ook dat de Raad van mening is dat een voorwaardelijk detentiekader als stok achter de deur niet afdoende is om de kans op recidive te verkleinen.

Aangezien de rapportage van de deskundigen ten aanzien van het interventie- en behandeladvies ontbreekt, heeft de Raad gekeken naar het recente behandelvoorstel van FJP Accare. De Raad kan het geschetste beeld en het bijbehorende behandeladvies goed volgen. De voorwaardelijke PIJ-maatregel biedt hierbij de nodige, stevige stok achter de deur die door de Raad en de jeugdreclassering noodzakelijk wordt geacht om de kans op recidive te verkleinen en de behandeling veilig te stellen.

Gezien de hoge kans op recidive en de verdenking van een groot aantal feiten heeft de Raad geadviseerd om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Dit om ervoor te zorgen dat verdachte zo spoedig mogelijk kan starten met de behandeling en om ervoor te zorgen dat het toezicht op verdachte bewaard blijft.

Voorwaardelijke PIJ-maatregel

De rechtbank stelt vast dat de een deel van de bewezenverklaarde feiten misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van hetgeen de psychiater, psycholoog en de Raad in hun rapporten vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Uit de wetsgeschiedenis volgt namelijk dat onder een psychische stoornis ook de aanwezigheid van een ernstige ontwikkelingsachterstand kan worden begrepen.1 De rechtbank is van oordeel dat die stoornis aanwezig is gelet op het beladen levensloop van verdachte en de eerder over hem opgemaakte rapportages, maar ook het rapport van de Raad.

Anders dan de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een PIJ-maatregel eisen. Verdachte heeft zich in een korte tijd schuldig gemaakt aan een groot aantal strafbare feiten, waaronder meerdere heftige geweldsdelicten zoals een poging tot doodslag en een diefstal met geweld. Kenmerkend aan deze geweldsdelicten is dat verdachte zijn emoties op die momenten niet kwijt kan en vervolgens fysieke agressie toont. Het meest recente strafbare feit dateert van oktober 2025. Hierbij dient de nuance gemaakt te worden dat verdachte sinds die datum ook langere tijd in de justitiële jeugdinrichting heeft moeten verblijven wegens het overtreden van schorsingsvoorwaarden en dus geen gelegenheid had om (nieuwe) delicten te plegen. De rechtbank weegt daarbij ook mee dat verdachte nog maar net op de plek is geplaatst waar hij een positieve ontwikkeling doormaakt en dat hij nog aan zijn behandeling moet beginnen.

Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte, zoals blijkt uit de advies van de Raad. Aan de voorwaarden om een PIJ-maatregel op te kunnen leggen wordt dan ook voldaan.

De rechtbank acht het in het kader van het voorkomen van recidive en een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte noodzakelijk dat verdachte wordt behandeld en begeleid. Dit kan op verschillende manieren binnen het strafrecht worden vormgegeven. Gelet op het verloop van het schorsingstoezicht en de problematiek van verdachte ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid dan behandeling en begeleiding in het kader van de voorwaardelijke PIJ-maatregel. Het strikte schorsingstoezicht heeft verdachte er immers niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Om te voorkomen dat verdachte, bij het niet meewerken aan de voorwaarden, onbehandeld en onbegeleid zal terugkeren in de samenleving, acht de rechtbank het noodzakelijk dat aan verdachte de voorwaardelijke PIJ-maatregel zal worden opgelegd. De rechtbank zal aan verdachte dan ook de voorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen, waaraan de rechtbank de door de Raad geadviseerde voorwaarden zal verbinden. De

voorwaarden betreffende de ITB Harde Kern en de elektronische monitoring worden beperkt tot een periode van drie maanden.

De rechtbank overweegt verder dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van meerdere misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en dat bij verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Verlenging van de PIJ-maatregel is in dit geval mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De rechtbank stelt op grond van het rapport van de Raad vast dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, wanneer hij geen behandeling volgt en afrondt. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de voorwaarden en het daarop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

De (opheffing) van het geschorste bevel voorlopige hechtenis

In het verlengde daarvan overweegt de rechtbank dat het geschorste bevel voorlopige hechtenis niet zal worden opgeheven. De rechtbank verwijst in dat verband op het arrest van de Hoge Raad.2 In dit arrest wordt de problematiek geschetst van de situatie dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid om tot tenuitvoerlegging van de maatregel over te gaan zolang de uitspraak waarbij de voorwaardelijke PIJ-maatregel is opgelegd, nog niet onherroepelijk is, en ook niet in de mogelijkheid om in dat stadium toepassing te geven aan een voorwaardelijke tenuitvoerlegging van die maatregel. Door de schorsing van de voorlopige hechtenis te continueren wordt de situatie ondervangen dat bij het overtreden van de voorwaarden er geen mogelijkheden bestaan om in te grijpen. In het geval verdachte hoger beroep tegen onderhavig vonnis instelt en hij gedurende dat hoger beroep de voorwaarden overtreedt kan in dat geval de schorsing van het bevel voorlopige hechtenis worden opgeheven.

Jeugddetentie

Alles afwegende is de rechtbank daarnaast van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf moet worden opgelegd. De rechtbank zal een jeugddetentie opleggen voor de duur van 162 dagen die gelijk is aan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis. Dit betekent dat verdachte niet opnieuw naar de justitiële jeugdinrichting hoeft.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

Parketnummer 18/136663-25

1. [slachtoffer 1], tot een bedrag van 2.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

2. [ [slachtoffer 2], tot een bedrag van 3.676,51 ter zake van materiële schade en 7.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Parketnummer 18-117077-25

[slachtoffer 5], tot een bedrag van 1.527,- ter vergoeding van materiële schade en 1.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Parketnummer 18-275608-25

[getuige 4], tot een bedrag van 623,90 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Parketnummer 18-221132-25

[slachtoffer 10], tot een bedrag van 2.718,75 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Parketnummer 18-163223-26

[slachtoffer 12], waarbij geen schadebedrag is ingevuld.

Standpunt van de officier van justitie

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot 1.000,- hoofdelijk kan worden toegewezen en dat het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Deze vordering is al eerder aan de orde geweest in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1] en de rechtbank heeft in dat vonnis een bedrag van 1.000,- toegekend. De vordering moet voor dat deel worden toegewezen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de gijzeling op nihil wordt vastgesteld.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering het volgende opgemerkt:

de gevorderde schade voor de ergotherapie kan worden toegewezen met uitzondering van de 88,02 euro die al is vergoed door de zorgverzekeraar;

de gevorderde schade met betrekking tot de sloten en cameras moet worden afgewezen nu dit geen rechtstreekse schade betreft;

de gevorderde reiskosten voor de bedrijfsarts kunnen worden toegewezen;

het gevorderde verlies aan verdienvermogen kan worden toegewezen gelet op de uitgebreide onderbouwing en het redelijke bedrag dat is gevorderd;

de gevorderde immateriële schade moet naar redelijkheid en billijkheid worden gematigd tot 1.000,-. Het overige dient niet-ontvankelijk verklaard te worden.

De vordering moet voor dat deel worden toegewezen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de gijzeling op nihil wordt vastgesteld.

Benadeelde partij [slachtoffer 5]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Benadeelde partij [getuige 4]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Benadeelde partij [slachtoffer 10]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk moet worden toegewezen met de wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de gijzeling op nihil wordt vastgesteld.

Benadeelde partij [slachtoffer 12]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het schadebedrag in de vordering van de benadeelde partij is niet ingevuld en de onderbouwing is geheel in het Frans, zonder dat er een vertaling is bijgevoegd.

Standpunt van de verdediging

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De raadsvrouw heeft verzocht om de vordering te matigen tot een bedrag van 350,-. Verdachte heeft benadeelde slechts geslagen en niet geschopt tegen het hoofd of lichaam en dat moet leiden tot matiging van het gevorderde bedrag. Namens de benadeelde is een uitspraak uit de Smartengeldgids aangehaald maar daar heeft het slachtoffer een revalidatietraject ondergaan waarbij een officiële diagnose is gesteld. Daarvan is hier geen sprake. Daarnaast wordt in de vordering opgemerkt dat sprake is van studievertraging en dit moet worden meegewogen in de hoogte van de immateriële schadevergoeding. Uit de onderbouwing blijkt echter dat benadeelde al ruim voor de pleegdatum, te weten vanaf 2021, gedurende langere tijd onderwijs heeft gemist en informatie over het verzuim van na het incident ontbreekt. Daarom valt niet te beoordelen of en in hoeverre deze gebeurtenis invloed heeft gehad op de schoolgang.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de vordering het volgende opgemerkt:

de gevorderde schade voor de ergotherapie kan worden toegewezen met uitzondering van de 88,02 euro die al is vergoed door de zorgverzekeraar;

de gevorderde schade met betrekking tot de sloten en cameras moet worden afgewezen nu dit geen rechtstreekse schade betreft. De mishandeling heeft niet plaatsgevonden bij de woning van benadeelde en verder zijn er geen aanwijzingen dat verdachte na het incident bij de woning van benadeelde is geweest;

de gevorderde reiskosten voor de bedrijfsarts kunnen worden toegewezen;

voor wat betreft het gevorderde verlies aan verdienvermogen heeft de raadsvrouw gewezen op arbeidsongeschiktheidspensioen waar benadeelde bij is aangesloten. Dit AOP dekt het verschil tussen het oorspronkelijke salaris en de verlaging daarvan wegens ziekte. Daardoor lijdt de benadeelde per saldo geen verlies aan verdienvermogen, omdat zij wordt gecompenseerd. De gevorderde schade moet daarom

worden afgewezen;

de gevorderde immateriële schade moet worden gematigd tot maximaal 1.000,-. In de vordering wordt aansluiting gezocht bij hoofdstuk 2 van de Rotterdamse Schaal. Dit hoofdstuk gaat over hersenletsel, terwijl bij benadeelde is vastgesteld dat geen sprake is van hersenletsel. Toepasselijker is hoofdstuk 13 van de Rotterdamse Schaal, waarbij een hersenschudding wordt gecategoriseerd onder subcategorie b van licht letsel. Hiervoor wordt een vergoeding van tussen de 725,- en 2.175,- billijk geacht.

Benadeelde partij [slachtoffer 5]

De raadsvrouw heeft verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren nu enkel schade wordt gevorderd die ziet op de diefstal van een fatbike en het verlies van een bijbaan. Verdachte is niet vervolgd voor diefstal of vernieling van de fatbike en het verlies van de bijbaan is niet onderbouwd.

Benadeelde partij [getuige 4]

De raadsvrouw heeft verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat de factuur is opgesteld door het bedrijf van de benadeelde partij en niet duidelijk is hoe de gevorderde bedragen zijn onderbouwd.

Benadeelde partij [slachtoffer 10]

De raadsvrouw heeft verzocht om de vordering te matigen tot een bedrag van 1.812,50. Volgens de Rotterdamse schaal zou een bedrag van 725,00 tot 2.175,00 geïndiceerd zijn. De verdediging is van oordeel dat uitgegaan moet worden van het gemiddelde van deze subcategorie, te weten 1.450,-, met een verhoging van 25%.

Benadeelde partij [slachtoffer 12]

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering is voldoende onderbouwd. Bij het bepalen van de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse Schaal.

De rechtbank heeft daarbij aansluiting gezocht bij hoofdstuk 13 (licht letsel) van genoemde Rotterdamse Schaal waarin wordt uitgegaan van een maximaal bedrag van 1.100,- bij een herstelperiode van maximaal twee maanden. Anders dan advocaat van de benadeelde partij zal de rechtbank, bij het bepalen van de immateriële schadevergoeding, geen rekening houden met de studievertraging nu hier teveel onduidelijkheid over bestaat. De rechtbank acht daarom een bedrag van 1.000,- billijk. De vordering zal daarom voor dit deel worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 augustus 2024. Het overige zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, met dien verstande dat het aantal dagen gijzeling op nul zal worden gesteld.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade met betrekking tot de ergotherapie ( 219,80) en de reiskosten ( 146,52) heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2024.

De rechtbank verklaart de gevorderde kosten die zien op aanschaffen van een camera en van extra sloten voor de woning niet-ontvankelijk omdat de gevorderde schade onvoldoende verband houdt met de bewezenverklaarde mishandeling.

Voor wat betreft het gevorderde verlies aan verdienvermogen overweegt de rechtbank dat deze schade uitgebreid en gemotiveerd is betwist door de raadsvrouw door te wijzen op een arbeidsongeschiktheidspensioen die mogelijk het verschilt dekt tussen het oorspronkelijke salaris en de verlaging daarvan wegens ziekte. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom ten aanzien van dit onderdeel niet-ontvankelijk verklaren.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering is op dit punt ook voldoende onderbouwd. Bij het bepalen van de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse Schaal.

Dat sprake is van hersenletsel blijkt niet uit de bijgevoegde medische stukken en daarom kan geen aansluiting volgen bij hoofdstuk 2 van de Rotterdamse schaal. De rechtbank heeft daarom aansluiting gezocht bij hoofdstuk 13 (licht letsel) van genoemde Rotterdamse Schaal waarin bij een (lichte) hersenschudding wordt uitgegaan van een bedrag van tussen 725,- en 2.175,-. De rechtbank acht een bedrag van 1.000,- billijk. De vordering zal daarom voor dit deel worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 augustus 2024. Het overige zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, met dien verstande dat het aantal dagen gijzeling op nul zal worden gesteld.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De onderdelen van de vordering waarin de benadeelde partij niet-ontvankelijk is verklaard, kunnen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Benadeelde partij [slachtoffer 5]

De door de benadeelde partij gevorderde schade die ziet op de vernieling van een fatbike betreft geen rechtstreekse schade die aan de benadeelde is toegebracht door de bewezen verklaarde mishandeling en bedreiging. De gevorderde schade die ziet op het verlies van een bijbaan is niet onderbouwd. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk is. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Benadeelde partij [getuige 4]

Hoewel naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. De factuur is opgesteld door het eigen bedrijf van benadeelde en het gevorderde bedrag is onvoldoende onderbouwd. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom-niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Benadeelde partij [slachtoffer 10]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering is voldoende onderbouwd. Bij het bepalen van de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse Schaal.

De rechtbank heeft daarbij aansluiting gezocht bij hoofdstuk 13 (licht letsel) van genoemde Rotterdamse Schaal. De rechtbank constateert dat de benadeelde licht letsel in de vorm van een hersenschudding en meerdere wonden in het gelaat heeft opgelopen. Gelet op de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde kan worden aangenomen dat sprake is van een persoonsaantasting. Bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld weegt de rechtbank de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het verwijt mee.

Het slachtoffer is op klaarlichte dag naar een openbare plek gelokt waar tegen hem uit het niets door meerdere personen ernstig en ook gevaarlijk geweld is gebruikt. De normschending van het delict acht de rechtbank dusdanig ernstig dat het een verhoging van 25% rechtvaardigt. De rechtbank acht daarom het gevorderde bedrag van 2.718,75 billijk. De vordering zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 augustus 2025.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, met dien verstande dat het aantal dagen gijzeling op nul zal worden gesteld.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Benadeelde partij [slachtoffer 12]

De vordering van de benadeelde partij is niet ingevuld en de op een later moment verstrekte onderbouwing is geheel in het Frans. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk is. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 285, 287, 300, 310, 311, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd onder parketnummer 18/136663-25 onder 1 primair en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 18/136663-25 onder 1 subsidiair en 2, het onder parketnummer 18/117077-25 onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6, het onder parketnummer 18/275608-25 onder 1 en 2 ten laste gelegde, het onder parketnummer 18/221132-25 primair ten laste gelegde en het onder parketnummer 18/163223-26 onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Bepaalt dat deze PIJ-maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:

[medeverdachte 2], geboren op [geboortedatum] 2010;

[medeverdachte 4], geboren op [geboortedatum] 2007;

[medeverdachte 1], geboren [geboortedatum] 2008;

[medeverdachte 3], geboren [geboortedatum] 2009

, zolang de jeugdreclassering dat nodig acht.

Geeft aan William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

Beveelt dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

een jeugddetentie voor de duur van 162 dagen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van parketnummer 18/136663-25 feit 1

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 1] te betalen:

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,-(zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Verklaart de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van parketnummer 18/136663-25 feit 2

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.366,32,- (zegge: duizend driehonderdzesenzestig euro en tweeëndertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 366,32 aan materiële schade en 1.000,- aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Verklaart de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van parketnummer 18-117077-25 feiten 3 en 4

Verklaart de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van parketnummer 18-275608-25 feit 1

Verklaart de vordering van benadeelde partij [getuige 4] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van parketnummer 18-221132-25

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 10] te betalen:

- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 10] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.718,75 (zegge: tweeduizend zevenhonderdachttien euro en vijfenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van parketnummer 18-163223-26- feit 1

Verklaart de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 12] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.A.M. Wolters en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. M.W. ten Brinke, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 september 2026.

Mr. C. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Parketnummer 18/136663-25

1

hij op of omstreeks 4 augustus 2024 te Stadskanaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (- zakelijk weergegeven -) meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 augustus 2024 te Stadskanaal openlijk, te weten, op/aan/bij de [adres], in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1], door (- zakelijk weergegeven -) hem meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te schoppen en/of te slaan;

2

hij op of omstreeks 4 augustus 2024 te Stadskanaal [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan.

Parketnummer 18/117077-25

1

hij op of omstreeks 8 augustus 2024 te Stadskanaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (meermalen) (sterke) drank en/of frisdrank en/of (/danwel) drinkwaren en/of geld en/of een fooienpot en/of een kassalade (met geld), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] ([bedrijf 1]), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2

hij op of omstreeks 2 april 2025 te Stadskanaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] ([bedrijf 2]), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geld onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3

hij op of omstreeks 4 april 2025 te Stadskanaal [slachtoffer 5] heeft mishandeld door hem meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan;

4

hij op of omstreeks 4 april 2025 te Stadskanaal [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 5] dreigend de woorden toe te voegen "Als ik nog één keer wat hoor of dat er politie bij mij thuis komt, dan maak ik je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5

hij op of omstreeks 5 april 2025 te Nieuw-Buinen, gemeente Borger-Odoorn een mobiele telefoon (Iphone 11 pro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

6

hij in of omstreeks de periode van 1 januari of 1/3 april 2025 tot en met 10 april 2025 te Stadskanaal (meermalen) een horloge en/of een geldkistje (met inhoud) (waaronder) (een) gouden ketting(en) en/of een woonwagenhanger en/of een mes en/of een mobiele telefoon (Iphone 11), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8], in elk geval (telkens) aan een ander,

toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Parketnummer 18/275608-25

1

hij op of omstreeks 1 oktober 2025 te Ter Apel, gemeente Westerwolde opzettelijk en wederrechtelijk een of meer vazen/bloempotten met bloemen/planten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [getuige 4], toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2

hij op of omstreeks 1 oktober 2025 te Ter Apel, gemeente Westerwolde [slachtoffer 9] heeft mishandeld, door haar (met de vuist) in en/of tegen het gezicht, althans het lichaam, te slaan en/of te duwen.

Parketnummer 18/221132-25

hij op of omstreeks 5 augustus 2025 te Musselkanaal, althans in de gemeente Stadskanaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 10], van het leven te beroven, die [slachtoffer 10], naar de grond heeft/hebben gebracht en/of ((vervolgens) terwijl die [slachtoffer 10] op de grond lag - meermalen, althans éénmaal tegen het hoofd en/of de rest van het lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt, en/of geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dan wel, en/of

hij op of omstreeks 5 augustus 2025 te Musselkanaal, althans in de gemeente Stadskanaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 10], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 10] naar de grond heeft/hebben gebracht en/of (vervolgens) toen die [slachtoffer 10] op de grond lag, meermalen, althans éénmaal op/tegen het hoofd en/of de rest van het lichaam, te slaan en/of te stompen en of te schoppen/slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dan wel, en/of

hij op of omstreeks 5 augustus 2025 te Musselkanaal, gemeente Stadskanaal, althans in Nederland, op of aan de openbare weg (te weten, [adres]), in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 10], welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit (- zakelijk weergegeven -) het naar de grond brengen/werken/trekken (van die [slachtoffer 10]) en/of

((vervolgens) - terwijl die [slachtoffer 10] op de grond ligt -) het meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam schoppen en/of slaan (van die [slachtoffer 10]);

meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dan wel, en/of

hij op of omstreeks 5 augustus 2025 te Musselkanaal, gemeente Stadskanaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 10] heeft mishandeld, door (- zakelijk weergegeven -) hem naar de grond te brengen/werken/trekken en/of ((vervolgens) - terwijl die [slachtoffer 10] op de grond ligt -) meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te schoppen en/of te slaan.

Parketnummer 18/163223-26

1

hij op of omstreeks 21 maart 2025 te Nanton, in Frankrijk, uit een woning aan de [adres], sigaretten en/of een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de heer [slachtoffer 11] en/of mevrouw [slachtoffer 12], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die mevrouw [slachtoffer 12] te slaan en/of te duwen en of door de heer [slachtoffer 11] met het heft van een (rubberen) mes, althans met een voorwerp op het hoofd te slaan;

2

hij op of omstreeks 21 maart 2025 te Nanton, in Frankrijk, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van een pizzeria) en/of een hek (van een woning) in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 13] en/of [slachtoffer 15], toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

1. Kamerstukken II 2012/13, 33498, 3, p. 38.

2 Hoge Raad 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1983

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand