RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/221132-25
ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18-136666-25, 18-123114-25, 18-077919-25, 18-136614-25 en 18/073878-26
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.
18. september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 september 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Flach advocaat te Groningen.
Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. van Slooten.
Tenlastelegging
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de volledige tekst van de tenlastelegging verwezen naar de inhoud daarvan zoals opgenomen in de bijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier ingelast te worden beschouwd.
De verdenkingen komen er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Parketnummer 18-136666-25
op 4 augustus 2024 in Stadskanaal, samen met anderen, openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] .
Parketnummer 18-123114-25
Feit 1: op 8 augustus 2024 in Stadskanaal, al dan niet samen met anderen, goederen heeft gestolen van [slachtoffer 2] ( [bedrijf 1] ) door middel van braak;
Feit 2: op 2 april 2025 in Stadskanaal, al dan niet samen met anderen, goederen heeft gestolen van [slachtoffer 3] ( [bedrijf 2] ) door middel van braak;
Parketnummer 18-077919-25
in de periode van 20 juli 2024 tot en met 4 oktober 2024 in Stadskanaal, al dan niet samen met anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan de (opzet)heling van een iPad;
Parketnummer 18-136614-25
op 8 april 2025 een balletjespistool geschikt voor bedreiging of afdreiging voorhanden heeft gehad.
Parketnummer 18-221132-25
op 5 augustus 2025 in Musselkanaal, al dan niet samen met anderen, heeft gepoogd om [slachtoffer 4] van het leven te beroven, dan wel heeft gepoogd om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel
openlijk geweld heeft gepleegd, dan wel hem heeft mishandeld met voorbedachten rade.
Parketnummer 18/073878-26
op 12 juli 2025 in Stadskanaal, samen met anderen, openlijk geweld heeft gepleegd tegen een bankje en/of gevelbekleding.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
Parketnummer 18-136666-25
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd omdat medeverdachte [medeverdachte 1] de enige persoon is die heeft verklaard dat verdachte geweld heeft uitgeoefend, hetgeen onvoldoende is voor een bewezen verklaring van de openlijke geweldpleging.
Parketnummer 18-123114-25
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde.
Parketnummer 18-077919-25
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde.
Parketnummer 18-136614-25
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde.
Parketnummer 18-221132-25
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde.
Parketnummer 18/073878-26
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde openlijke geweldpleging tegen goederen gelet op de camerabeelden en de bekennende verklaring van verdachte.
Standpunt van de verdediging
Parketnummer 18-136666-25
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de openlijke geweldpleging nu geen van de getuigen hebben verklaard dat verdachte betrokken is geweest bij de geweldshandelingen.
Parketnummer 18-123114-25
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde. Met betrekking tot de onder 2 ten laste gelegde inbraak bij [bedrijf 2] heeft zij aangevoerd
dat de camerabeelden onduidelijk zijn en niet met zekerheid kan worden gezegd wat er in het café is gebeurd. Het beeld dat wordt geschetst is dat verdachte en medeverdachte heimelijk over de schutting zijn geklommen. Dat beeld is onjuist, nu het een lage schutting betreft waar eenvoudig overheen gestapt kan worden. Bovendien moet aan de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] niet teveel waarde worden gehecht. Bepleit wordt daarom verdachte vrij te spreken van het onder 2 ten laste gelegde.
Parketnummer 18-077919-25
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Parketnummer 18-136614-25
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Parketnummer 18-221132-25
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde omdat op basis van het dossier onvoldoende kan worden vastgesteld over onder meer de intensiteit van het geweld, aan de hand waarvan moet worden bepaald of sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft zij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Parketnummer 18/073878-26
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit omdat verdachte slechts één enkele trap heeft uitgedeeld en daaraan verder geen andere personen hebben meegedaan.
Oordeel van de rechtbank
Parketnummer 18-136666-25
De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte geweld heeft uitgeoefend.
Parketnummer 18-123114-25
Feit 1
De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Deze opgave luidt als volgt:
Feit 2
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte op de terechtzitting van 4 september 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik samen met [medeverdachte 1] over de schutting bij [bedrijf 2] ben gestapt. [medeverdachte 1] heeft een daar een ruit ingegooid. Ik heb mijn handschoenen daarna aan [medeverdachte 1] gegeven en hij is naar binnen gegaan.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 3 april 2025, opgenomen op pagina 70 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025093472 d.d. 16 april 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :
Ik doe aangifte van vernieling van een ruit van mijn [bedrijf 2] te Stadskanaal. Ik heb van de politie gehoord dat op 2 april 2025 omstreeks 23:49 uur glas rinkelde. Toen die getuigen uit het raam keken, zagen zij dat er één persoon op het terras aan de achterzijde van het café stond. Zij zagen hem staan bij een gesneuveld raam. Deze persoon had zijn gezicht bedekt, was zwart gekleed en had handschoenen aan. De getuigen hadden ook gezien dat er een tweede persoon aan de voorzijde van het eetcafé stond, mogelijk op de uitkijk.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 3 april 2025, opgenomen op pagina 72 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :
Ik had aangifte gedaan van vernieling van een ruit van mijn eetcafé op 2 april 2025. In de kassa lag totaal ongeveer 125 euro, waarvan ongeveer 100 euro briefgeld. Na de inbraak, omstreeks 23:49 uur dezelfde dag, was al het briefgeld weg. Dus er is ongeveer 100 euro briefgeld gestolen.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2025, opgenomen op pagina 75 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 7] :
Op 7 april 2025, bekeek ik de camerabeelden van [bedrijf 2] .
Bestand: 11:
Ik zag dat de camera gericht was op een terras. Ik zag dat op het moment dat de camera 23:25:47 aangaf, twee personen aan de rechterkant in beeld liepen. Ik zag dat beide personen het terras op liepen. Ik omschrijf de personen als volgt:
Persoon 1 (hierna persoon 1):
- man; - lichte huidskleur; - zwarte jas met capuchon en een grijze horizontale streep ter hoogte van de borst - zwarte handschoenen - zwarte broek;- zwarte sneakers met witte zool.
Persoon 2 (hierna persoon 2):
- man; - lichte huidskleur; - zwarte bodywarmer; - grijze hoodie met capuchon; - witte pet; - lichtblauwe spijkerbroek; - zwarte sneakers met rood logo.
Ik zag dat op het moment dat de camera 23:26:57 aangaf, persoon 1 een tegel met zijn linkerhand van de grond pakte aan het einde van het terras. Ik zag dat op het moment dat de camera 23:27:30 aangaf, persoon 1 de tegel oppakte en richting de schutting liep. Ik zag dat persoon 2 het terras op liep en hier bleef staan. Ik zag dat op het moment dat de camera 23:28:23 aangaf, persoon 1 uit het beeld van de camera verdween. Ik zag dat persoon 2 op het terras en bij de schutting bleef staan. Op het moment dat
de camera 23:29:23 aangaf, zag ik dat persoon 2 zich omdraaide en met zijn handen in zijn zakken wegliep. Ik zag dat persoon 1 weer in beeld kwam en over de schutting heen klom. Ik zag dat beide personen het terras afliepen.
Bestand 12:
Ik zag dat op het moment dat de camera 23:21:42 aangaf, persoon 1 over de schutting klom. Ik zag dat persoon 2 op het terras bleef staan.
Ik zag dat op het moment dat de camera 23:21:47 aangaf, persoon 2 over de schutting klom.
Ik zag dat op het moment dat de camera 23:23:35 aangaf, persoon 2 over de schutting klom. Ik zag dat persoon 2 weer op het terras stond.
Ik zag dat op het moment dat de camera 23:23:47 aangaf, persoon 1 over de schutting klom. Ik zag dat persoon 2 weer op het terras stond.
Ik zag dat op het moment dat de camera 23:23:50 aangaf, beide personen het terras afliepen en zag dat beide personen rechtsonder in beeld verdwenen.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte, opgenomen op pagina 140 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [medeverdachte 1] :
O: Wij gaan je nu vragen stellen over het feit waarvoor je bent aangehouden, namelijk de inbraak bij [bedrijf 2] op woensdag avond 2 april om 23:49 uur.
V: Wat kun je hier over vertellen?
A: Ik ben met [verdachte] daar heen gegaan. Wij zijn naar binnen gegaan. Wij zijn via het hekje welke je met je hand open kunt doen naar binnen gegaan. Uiteindelijk heeft [verdachte] een steen geregeld en deze heb ik door het raam gegooid. Toen zijn wij naar binnen gestapt. Ik heb toen het geld gepakt. Dit was ongeveer 100 euro.
V: De aangever verklaart dat er 100 euro aan briefgeld is weggenomen. Hoeveel geld heb jij daar van gekregen?
A: 50 en [verdachte] ook 50 euro
Bewijsoverweging
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte en medeverdachte samen over de schutting behorende bij het eetcafé zijn gestapt, waarbij de intenties van de medeverdachte [medeverdachte 1] voor verdachte duidelijk waren. Bovendien had verdachte aan de andere kant van de schutting niets te zoeken. Eenmaal over de schutting geeft verdachte zijn handschoenen aan medeverdachte. Medeverdachte [medeverdachte 1] gaat vervolgens het eetcafé binnen, heeft ongeveer 100 euro weggenomen en vertrekt vervolgens samen met verdachte. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij het geld heeft verdeeld tussen hemzelf en verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is de bijdrage van verdachte aan de inbraak daarmee van voldoende gewicht geweest om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking en daarmee van medeplegen. Het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van een diefstal door middel van braak is in zoverre wettig en overtuigend bewezen. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de hoogte van de schutting niet ter zake doet.
Evenmin acht de rechtbank het van doorslaggevend belang of verdachte het café al dan niet is binnengegaan, nu verdachte met medeverdachte over de schutting is gestapt, zn handschoenen beschikbaar had gesteld en heeft meegedeeld in de buit.
Parketnummer 18-077919-25
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte op de terechtzitting van 4 september 2025 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Ik heb de iPad die bij mijn ouders in de woning is aangetroffen gekocht voor 50 euro.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 maart 2025, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024273373 d.d. 10 maart 2025, inhoudende als verklaring van [getuige] mede namens slachtoffer [school] :
Ik ben [getuige] en ik ben directeur van [school] . Onze school beschikt over meerdere iPads. De iPads zijn herkenbaar omdat de ID op de [school] staat. Medewerkers van de school werden gebeld dat ze bij een persoon een iPad hadden aangetroffen die eigendom van onze school is.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 november 2024, opgenomen op pagina 13 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op 1 november 2024 voerde ik een onderzoek uit aan de telefoon van verdachte [verdachte] .
Verbalisant ziet een chatgesprek op Whatsapp waarin gesproken wordt over een gestolen iPad van een school. Dit gesprek vond plaats tussen telefoonnummer [telefoonnummer 2] en telefoonnummer [telefoonnummer 1] . [telefoonnummer 2] betreft het telefoonnummer van verdachte [verdachte] .
2-10-2024 23:55 uur Naamloos: Yo
2-10-2024 23:55 uur [verdachte] : Jo
2-10-2024 23:55 uur [verdachte] : iPad
2-10-2024 23:55 uur Naamloos: haha
2-10-2024 23:56 uur [verdachte] : afbeelding van de achterzijde van een iPad 2-10-2024 23:56 uur [verdachte] : Is van een school
2-10-2024 23:56 uur [verdachte] : Gestolen
2-10-2024 23:56 uur [verdachte] : afbeelding van de instellingen van een iPad. De naam Ons School staat genoemd.
2-10-2024 23:56 uur [verdachte] : :-) (soortgelijke emoticon) 2-10-2024 23:56 uur Naamloos: Wodi
2-10-2024 23:56 uur [verdachte] : Ja man. Wil je ook een
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 4 oktober 2024, opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] :
Op 4 oktober 2024 sprak ik met [naam 1] , de moeder van [verdachte] . Twee a drie dagen geleden kwam [verdachte] ineens thuis met een grijze Apple tablet. Hierop gingen verbalisanten naar Stadskanaal.
Verbalisant [verbalisant 1] vroeg aan [verdachte] waar de tablet was. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat moeder en zus de trap op liepen. Vervolgens pakte zus wasgoed op, wat op de overloop lag, en zag de tablet liggen. Verbalisant zag dat het een grijze Apple tablet betrof. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat de Apple ID gekoppeld was aan Ons School, [e-mail address] .
Bewijsoverweging
Verdachte is in het bezit geweest van een iPad waarvan het Apple ID gekoppeld was aan de [school] Verdachte heeft verklaard dat hij deze iPad voor 50 euro heeft gekocht. De rechtbank overweegt dat ook een veertienjarige doorgaans weet dat de aanschafprijs van iPad in het legale circuit vele malen hoger ligt.
Bovendien spreekt verdachte een aantal dagen voor de inbeslagname van de iPad met een ander waarin hij laat blijken dat hij wist dat de iPad gestolen was bij een school. De ten laste gelegde opzetheling kan daarom wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
Parketnummer 18-136614-25
De rechtbank volstaat ten aanzien van het bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Deze opgave luidt als volgt:
Parketnummer 18-221132-25
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte op de terechtzitting van 4 september 2025 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik [slachtoffer 4] meerdere keren heb geslagen en getrapt, ook tegen zijn hoofd.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 augustus 2025, opgenomen op pagina 10 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025210635
d.d. 26 augustus 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4] :
Op 5 augustus 2025 omstreeks 18.30 uur was ik in Musselkanaal. Ik kreeg bericht middels Snapchat van een jongen genaamd [medeverdachte 1] . In dit bericht werd ik gevraagd om naar achter de Koepel te komen omdat [medeverdachte 1] met mij wilde praten. [medeverdachte 1] gaf mij een boks. Ik zag toen dat [verdachte] ook aan kwam lopen. Ik hoorde dat [verdachte] zei: "Heb jij drugs aan [naam 2] gegeven?". Nadat [verdachte] die vraag over [naam 2] stelde, voelde ik een harde klap tegen de rechterkant van mijn gezicht. Ik wist dat [medeverdachte 1] mij had geslagen omdat die als enige aan de rechterkant van mij stond. Ik zag door de klap alles wazig. Ik kan mij nog herinneren dat ik op de grond lag en dat ik zag dat er nog 2 jongens uit de bosjes mij kant op kwamen. Ik herkende 1 van deze 2 jongens direct als [naam 3] . Toen deze 2 jongens bij mij kwamen ging het super snel. Ik zag de klappen niet aankomen. Ik voelde dat ik meerdere klappen kreeg uit alle richtingen. Ik voelde dat ik overal klappen kreeg op mijn lichaam en gezicht. Ik voelde de pijn in eerste instantie niet. Ik voelde voornamelijk klappen op klappen. Ik lag helemaal in elkaar. Terwijl deze jongens mij in elkaar sloegen en trapten hoorde ik zij tegen mij meerdere dingen schreeuwden. Ik hoorde dat zij riepen:
- Ga op je knieën!
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 augustus 2025, opgenomen op pagina 44 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 6] :
Aan de hand van foto's die van de jongens zijn gemaakt vlak na de aanhouding heb ik de beelden beschreven met benoeming van de verdachten bij naam.
Feitelijkheden verdachten:
[medeverdachte 1] :
[medeverdachte 1] staat met het slachtoffer tegen een muur en trekt hem opzij naar de grond. Het slachtoffer valt op zijn rug op de grond. Terwijl het slachtoffer door de anderen wordt geschopt en geslagen pakt [medeverdachte 1] zijn mobiele telefoon en begint te filmen terwijl hij "iets" tegen het slachtoffer zegt. Dan geeft [medeverdachte 1] het slachtoffer 1 klap met zijn vlakke hand tegen zijn hoofd.
[medeverdachte 2] :
[medeverdachte 2] komt erbij terwijl het slachtoffer al op de grond ligt en al schoppen en klappen heeft geïncasseerd. Hij loopt even om het groepje heen en heeft zichtbaar zijn handen met rood materiaal omzwachteld. De anderen van het groepje schoppen en slaan tegen het hoofd van het slachtoffer. Dan buigt [medeverdachte 2] zich ineens naar het in foetushouding liggende slachtoffer op de grond en begint in een snel tempo met zijn rechter omzwachtelde vuist op het slachtoffer in te slaan. Hij raakt het slachtoffer op zijn lichaam en in de richting van zijn hoofd. Het slachtoffer schreeuwt het uit en roep "auw, auw auw".
[verdachte] :
Het filmpje begint dat [verdachte] het slachtoffer schopt terwijl hij nog staat tegen zijn been. Dan word het slachtoffer door [medeverdachte 1] naar de grond getrokken. [verdachte] loopt mee en pakt dan "iets" met zijn rechter hand van de grond en gooit dit tegen het lichaam van het slachtoffer. Direct daarop schopt hij met beide voeten tegen het hoofd van het slachtoffer. Terwijl het slachtoffer herhaaldelijk tegen zijn hoofd word geslagen door [medeverdachte 3] , trapt [verdachte] wederom met zijn rechtervoet zichtbaar 5 keer tegen het hoofd van het slachtoffer. Het slachtoffer word dan meerdere keren door [medeverdachte 2] geslagen en vervolgens loopt [verdachte] om het slachtoffer heen, die half overeind komt. [verdachte] schopt dan met kracht met zijn rechter voet tegen de rechterzijde van het hoofd van het slachtoffer. Het slachtoffer komt dan op zijn knieën zitten. [verdachte] raapt dan nog wat van de grond en dan wordt er geroepen : "we moeten gaan".
[medeverdachte 3] :
[medeverdachte 3] is herkenbaar aan zijn grijze hoody. Als het slachtoffer op de grond, op zij rug ligt, komt [medeverdachte 3] aanrennen en schopt, als tegen een voetbal, met zijn rechtervoet tegen het lichaam van het slachtoffer. Vervolgens schopt [medeverdachte 3] nog zichtbaar 4 maal met zijn rechter voet tegen het lichaam van het slachtoffer. [medeverdachte 3] staat vervolgens achter het half opgerichte slachtoffer en slaat hem meerdere keren met vlakke handen tegen het hoofd en roept: "Wie gaf [naam 2] die drugs dan". Daarna loopt [medeverdachte 3] naar een fat bike en stapt daar op. Kort daarop stapt hij daar weer vanaf en loopt met een mobiele telefoon in zijn hand naar het op zijn knieën zittende slachtoffer. [medeverdachte 3] schopt dan nogmaals met zijn rechter been tegen het lichaam van het slachtoffer. Dan lopen de jongens weg bij het slachtoffer en zegt iemand : "we gaan".
Vaststelling feiten
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Aangever is op 5 augustus 2025 naar het centrum van Musselkanaal gelokt door medeverdachte [medeverdachte 1] . Eenmaal aangekomen treft aangever medeverdachte [medeverdachte 1] . Verdachte voegt zich kort daarna bij hen. Ondertussen houden medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zich op in nabije bosjes.
Er volgt een korte discussie tussen aangever en verdachte waarna verdachte aangever tegen zijn been schopt. Vervolgens werkt medeverdachte [medeverdachte 1] aangever naar de grond, waarna hij zijn telefoon pakt en de geweldshandelingen begint te filmen. Medeverdachte [medeverdachte 1] geeft aangever tijdens het filmen nog een klap met zijn vlakke hand tegen het hoofd. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] schoppen aangever daarna meermalen tegen het hoofd. Kort hierop neemt verdachte afstand van de situatie en wordt aangever meermalen geslagen met de vlakke hand tegen zijn hoofd door medeverdachte [medeverdachte 3] . Hierna schopt verdachte opnieuw meermalen tegen het hoofd van aangever. De in foetushouding liggende aangever wordt vervolgens meermalen tegen zijn hoofd geslagen door medeverdachte [medeverdachte 2] . Terwijl dit gebeurt loopt verdachte om aangever heen en op het moment dat hij probeert overeind te komen trapt verdachte opnieuw tegen het hoofd van aangever.
Medeplegen
De rechtbank is gelet op het hiervoor overwogene van oordeel dat sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten dat sprake is geweest van medeplegen.
De vraag is vervolgens hoe deze geweldshandelingen gekwalificeerd moeten worden.
Voor een bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag is vereist dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op de dood van [slachtoffer 4] heeft gehad. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Daarvoor is vereist dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zou intreden, en dat hij die kans ten tijde van zijn gedraging bewust heeft aanvaard of op de koop toe heeft genomen.
Of in een concreet geval sprake is van voorwaardelijk opzet zal, als de verklaring van verdachte geen inzicht geeft in hetgeen ten tijde van de gedraging in hem is omgegaan, moeten worden afgeleid uit de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. In alle gevallen dient sprake te zijn van een kans die naar algemene ervaringsregels als aanmerkelijk kan worden aangemerkt.
Uit de bewijsmiddelen in het bijzonder de camerabeelden blijkt dat verdachte en de medeverdachten aangever meermalen met kracht hebben geschopt en geslagen tegen het hoofd terwijl hij weerloos op de grond lag. Verdachte is degene die begint met het uitoefenen van geweld, aangever meerdere keren tegen het hoofd trapt en steeds terugkomt nadat de medeverdachten geweld hebben uitgeoefend. Anders dan de verdediging, leidt de rechtbank uit de beelden wel af dat aangever met kracht tegen het hoofd is geschopt. Te zien is immers dat verdachte zijn been voor iedere trap naar achteren heeft gebracht en dat het hoofd van aangever door de impact van de schoppen naar achteren bewoog. De rechtbank weegt daarbij ook mee dat verdachte het schoppen heeft afgewisseld met stampende bewegingen tegen het hoofd van aangever. Het hoofd is een vitaal onderdeel van het lichaam, dat is een feit van algemene bekendheid.
Krachtig schoppend geweld tegen het hoofd kan het overlijden tot gevolg hebben. Door met zoveel kracht met een geschoeide voet meerdere keren tegen het hoofd te trappen en te stampen, was de kans aanmerkelijk dat de aangever zodanig letsel aan het hoofd zou oplopen dat hij daardoor had kunnen overlijden. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte en de medeverdachten, bezien in hun onderlinge samenhang, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als
zozeer te zijn gericht op het teweeg brengen van dat gevolg dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Ten aanzien van verdachte zijn de rechtbank geen aanwijzingen gebleken voor het tegendeel.
De rechtbank acht daarom het primair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.
Parketnummer 18/073878-26
De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat op de beelden te zien is dat alleen verdachte geweld uitoefent tegen een gevel waardoor een plaat op de grond valt. De andere personen zijn daarbij weliswaar aanwezig, maar verrichten zelf geen handelingen die als een bijdrage, laat staan een substantiële, aan de gedragingen van verdachte kunnen worden aangemerkt. Daarom kan niet worden gesproken van openlijk geweld in vereniging gepleegd. Dat later op de avond een andere groep, waar verdachte geen onderdeel vanuit maakt, ook vernielingen pleegt, maakt dat oordeel niet anders.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder parketnummer 18/123114-25 onder 1 en 2 ten laste gelegde, het onder parketnummer 18/077919-25 ten laste gelegde, het onder parketnummer 18/136614-25 ten laste gelegde, het onder parketnummer 18/221132-25 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Parketnummer 18-123114-25
1
hij op 8 augustus 2024 te Stadskanaal tezamen en in vereniging met een ander, (sterke) drank, frisdrank, geld, een fooienpot en een kassalade met geld, die geheel aan [slachtoffer 2] ( [bedrijf 1] ) toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.
2
hij op 2 april 2025 te Stadskanaal tezamen en in vereniging met een ander, geld, dat geheel aan [slachtoffer 3] ( [bedrijf 2] ), toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.
Parketnummer 18-077919-25
hij in de periode van 20 juli 2024 tot en met 4 oktober 2024 te Stadskanaal, een iPad heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Parketnummer 18-136614-25
hij op 8 april 2025 te Stadskanaal een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een balletjes pistool (gelijkend op een Colt 1908 vest model) voorhanden heeft gehad.
Parketnummer 18-221132-25
hij op 5 augustus 2025 te Musselkanaal, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 4] , van het leven te beroven, die [slachtoffer 4] naar de grond hebben gewerkt en vervolgens - terwijl die [slachtoffer 4] op de grond lag - meermalen met kracht op en tegen het hoofd en tegen het lichaam hebben geschopt en geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Parketnummer 18-123114-25
Parketnummer 18-077919-25
opzetheling
Parketnummer 18-136614-25
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Parketnummer 18-221132-25
primair. medeplegen poging tot doodslag
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 18/073878-26 ten laste gelegde, het onder parketnummer 18/123114-25 onder 1 en 2 ten laste gelegde, het onder parketnummer 18/077919-25 ten laste gelegde, het onder parketnummer 18/136614-25 ten laste gelegde en het onder parketnummer 18/221132-25 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gedragsbeïnvloedende maatregel (hierna: GBM) met daaraan gekoppeld de voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Ook is gevorderd om de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast moet aan verdachte worden opgelegd een jeugddetentie
van 240 dagen - met aftrek van het voorarrest - waarvan 53 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk deel moet de voorwaarde worden gekoppeld dat verdachte verblijft bij Jeugdcentraal of een soortgelijke woonvorm.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit te volstaan met het opleggen van een deels voorwaardelijke jeugddetentie waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest met daaraan gekoppeld de voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd. Het opleggen van een GBM naast een voorwaardelijke jeugddetentie zorgt voor onduidelijkheid nu het zou moeten gaan om dezelfde voorwaarden. Het regime van de voorwaardelijke jeugddetentie heeft ook de voorkeur omdat verdachte dan voor de rechter moet verschijnen bij een teruglegging en op die manier is er meer zicht op verdachte. Een terugplaatsing in de Kleinschalige Voorzieningen Justitiële Jeugd behoort in beide regimes tot de mogelijkheden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de rapportage van de Raad van 31 augustus 2026 en het Pro Justitia rapport van 28 juli 2026, opgemaakt door M.N. van Veen, GZ-psycholoog, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 14 juli 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich onder andere schuldig gemaakt aan het medeplegen van een zeer heftige poging tot doodslag. Hij heeft samen met anderen het slachtoffer naar een locatie gelokt. Vervolgens is het slachtoffer naar de grond gewerkt en is het slachtoffer door verdachte en zijn medeverdachten geschopt en geslagen waarbij de aanmerkelijke kans in het leven is geroepen dat aangever ten gevolge hiervan zou overlijden. Verdachte heeft daarbij meermalen tegen het hoofd van het slachtoffer getrapt terwijl hij weerloos op de grond lag. De beelden waarop te zien is dat het slachtoffer wordt mishandeld zijn heftig. De rechtbank rekent het verdachte bovendien zwaar aan dat de voor het slachtoffer vernederende beelden zijn verspreid. Uit de toelichting bij het verzoek tot schadevergoeding volgt dat het slachtoffer zowel fysiek als mentaal nog steeds last heeft van de geweldshandelingen.
Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een tweetal inbraken. In beide gevallen is eerst een ruit kapotgemaakt en hebben verdachte en medeverdachte vervolgens onder meer geld weggenomen. De verdachten hebben met hun handelen geen enkel respect getoond voor de eigendommen van anderen en hebben alleen oog gehad voor hun eigen financiële gewin.
De opzetheling van een iPad is eveneens een vervelend feit. Ondanks dat het voor verdachte al direct duidelijk was dat de iPad uit misdrijf afkomstig was heeft hij zich niet laten weerhouden van de aankoop daarvan. Dergelijke feiten zorgen voor het in standhouden van vermogenscriminaliteit.
Het voorhanden hebben van een op een echt vuurwapen lijkend wapen kan zorgen voor gevaarlijke situaties en dergelijke nepwapens kunnen en worden ook daadwerkelijk ingezet voor criminele doeleinden. Omdat de zus van verdachte het wapen niet van echt kon onderscheiden heeft zij uiteindelijk van het wapen melding gemaakt bij de politie.
De persoon van verdachte
Uit het Pro Justitia rapport volgt dat bij verdachte sprake is van een lichte verstandelijke ontwikkelingsstoornis, aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis, autisme spectrumstoornis en andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings-of andere gedragsstoornis. Voor alle ten laste gelegde feiten (indien bewezen) worden in sterkere of minder sterke mate causale verbanden gezien tussen de vastgestelde stoornissen en de ten laste gelegde feiten. De deskundige adviseert daarom de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Gelet op de aanwezige, zorgwekkende risicofactoren wordt het recidiverisico ingeschat als hoog. De deskundige heeft geadviseerd om aan verdachte een GBM op te leggen voor de duur van één jaar. Het voordeel van de GBM ligt voor verdachte in het feit dat er bij overtredingen snel geschakeld kan worden naar toepassing van jeugddetentie in het kader van een time-out. Er kan hierdoor snel gesanctioneerd worden en de inschatting op basis van onderhavig onderzoek is dat verdachte nog niet zo verhard is dat hij hier niet van onder de indruk is en dat dit dus effect zal hebben. Een PIJ-maatregel wordt op dit moment nog een te zware maatregel geacht.
De rechtbank acht de onderbouwing van het advies ten aanzien van de mate van toerekenbaarheid duidelijk en neemt het advies over. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten aan verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.
De Raad heeft zich in zijn advies van 31 augustus 2026 aangesloten bij voornoemde conclusies van de psycholoog. Het advies aan de rechtbank is om aan verdachte op te leggen een GBM voor de duur van één jaar waarbij de maatregel bestaat uit: meewerken aan begeleiding en hulpverlening, contactverbod met medeverdachte en slachtoffers, verbod op alcohol- en harddrugsgebruik, inzicht geven in softdrugsgebruik, meewerken aan urinecontroles en hulpverlening van VNN en Accare, raadplegen van een psychiater voor medicatie advies, meewerken aan psychomotorische therapie, een verblijf bij Jeugdcentraal, een verplichting tot scholing, werk en/of dagbesteding en inzicht geven in het sociaal netwerk. Het advies is bovendien om de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast moet volgens de Raad aan verdachte worden opgelegd een deels voorwaardelijke jeugddetentie waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. Aan het voorwaardelijke deel moeten de bijzondere voorwaarden gekoppeld worden dat verdachte zich meldt bij de jeugdreclassering en dat hij verblijft bij Jeugdcentraal of een andere soortgelijke instelling.
Gedragsbeïnvloedende maatregel
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de begane misdrijven aanleiding geven tot de oplegging van de gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) en dat deze maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een gedragsbeïnvloedende maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Gezien zijn problematiek is de noodzaak van behandeling en begeleiding voor de verdachte duidelijk. In het kader van zijn schorsingsvoorwaarden staat de verdachte onder begeleiding vanuit Jeugdcentraal en verblijft hij daar ook. Het is van belang dat dit wordt voortgezet en stevig wordt geborgd. De verdachte heeft ter terechtzitting ook aangegeven dat hij gemotiveerd is voor de gedragsbeïnvloedende maatregel en daaraan wil meewerken. Binnen het kader van de gedragsbeïnvloedende maatregel kan de juiste sturing worden gegeven voor een positieve ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank zal daarom bepalen dat de verdachte gedurende de maatregel bij Jeugdcentraal moet verblijven. Daarnaast moet de verdachte meewerken aan het programma dat door de Raad is opgesteld. Het programma is op deze manier opgebouwd zodat verdachte kan werken aan zijn problematiek en daarmee de kans op recidive kan worden verkleind. Ten slotte moet de verdachte zich gedurende de maatregel houden aan de afspraken met de jeugdreclassering.
De rechtbank zal aan de gedragsbeïnvloedende maatregel een vervangende jeugddetentie verbinden, indien de verdachte niet naar behoren meewerkt aan de tenuitvoerlegging van de maatregel. De rechtbank acht daartoe een termijn van maximaal zes maanden voldoende als stok achter de deur, zodat de verdachte zich blijft inzetten voor de noodzakelijke behandeling en begeleiding.
Dadelijke uitvoerbaarheid gedragsbeïnvloedende maatregel
Gelet op het hoge recidiverisico en het feit dat de noodzakelijke behandeling en begeleiding van de verdachte nog in de beginfase zit, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarnaast is de dadelijke uitvoerbaarheid in het belang van de verdachte, zodat de behandeling en de begeleiding direct kan worden voortgezet. De rechtbank zal daarom bevelen dat het programma waar de gedragsbeïnvloedende maatregel uit bestaat dadelijk uitvoerbaar is.
(Voorwaardelijke) jeugddetentie
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf moet worden opgelegd. De rechtbank zal een deels voorwaardelijke jeugddetentie opleggen voor de duur van 240 dagen, met aftrek van de 186 dagen die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal bepalen dat het deel van de jeugddetentie dat na aftrek van de hiervoor genoemde 186 dagen resteert, te weten 54 dagen, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd. Daaraan zal de rechtbank een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Nu het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie gelijk is aan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis, hoeft verdachte niet terug naar een jeugdinrichting. Daarnaast zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden aan de op te leggen straf verbinden zoals gevorderd door de officier van justitie. Deze voorwaarden zijn van belang, zodat de begeleiding en de verblijfplaats van de verdachte, ook na afloop van de gedragsbeïnvloedende maatregel, nog voldoende zijn geborgd.
Benadeelde partij
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
Parketnummer 18/136666-25
[slachtoffer 1] , tot een bedrag van 2.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Parketnummer 18-221132-25
[slachtoffer 4] , tot een bedrag van 2.718,75 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard gelet op de door haar gevorderde vrijspraak.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] kan hoofdelijk worden toegewezen met de wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de gijzeling op nihil wordt vastgesteld.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en heeft daarom verzocht om de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk te verklaren.
Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Parketnummer 18/136666-25
De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij [slachtoffer 1] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Parketnummer 18-221132-25
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 augustus 2025.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.
Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, met dien verstande dat het aantal dagen gijzeling op nul zal worden gesteld.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77w, 77wa, 77wc, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 287, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummers 18/136666-25 en 18/073878-26 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder parketnummer 18/123114-25 onder 1 en 2 ten laste gelegde, het onder parketnummer 18/077919-25 ten laste gelegde, het onder parketnummer 18/136614-25 ten laste gelegde, het onder parketnummer 18/221132-25 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Deze maatregel bestaat uit:
[medeverdachte 1] , geboren [geboortedatum 2] 2007
[medeverdachte 2] , geboren [geboortedatum 3] 2008;
[naam 3] Henrik Roelof Nijenhuis , geboren [geboortedatum 4] 2009
en slachtoffer, [slachtoffer 4] , geboren [geboortedatum 5] 2009, m.u.v. een eventueel bemiddelingstraject;
3. een verbod op alcohol- en/of harddrugsgebruik;
4. inzicht geven in softdrugsgebruik, waarbij de uitgangswaarden niet mogen oplopen;
5. meewerken aan urinecontroles op middelengebruik;
6. meewerken aan hulpverlening van VNN en/of soortgelijke hulpverlening om het middelengebruik te stoppen;
7. meewerken aan hulpverlening van Accare FJP gericht op het gezin, o.a. Relationele Gezinstherapie (RGT);
8. meewerken aan vervolghulpverlening van Accare FJP of een soortgelijke instelling, gericht op zijn vaardigheden, beïnvloedbaarheid en verstandelijke ontwikkelingsstoornis, ASS, ADHD);
9. het raadplegen van een psychiater voor passend medicatie advies;
10. meewerken aan Psychomotorische therapie (PMT) of een vorm van creatieve of beeldende therapie;
11. meewerken aan verblijf bij Jeugdcentraal (huisregels) of een soortgelijke woonvorm;
12. meewerken aan school, werk en/of dagbesteding bijvoorbeeld bij Jeugdcentraal;
13. inzicht geven in het sociaal netwerk.
Jeugdbescherming Noord & Veilig Thuis [locatie] , een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, heeft tot taak de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de maatregel.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging heeft meegewerkt, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 6 (zes) maanden.
Beveelt dat het programma waaruit de gedragsbeïnvloedende maatregel bestaat, dadelijk uitvoerbaar is.
een jeugddetentie voor de duur van 240 dagen.
Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 54 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:
Geeft aan Jeugdbescherming Noord & Veilig Thuis Groningen te Groningen, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Ten aanzien van parketnummer 18-136666-25
Verklaart de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat [slachtoffer 1] zijn eigen proceskosten draagt.
Ten aanzien van parketnummer 18-221132-25
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 4] te betalen:
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.718,75 (zegge: tweeduizend zevenhonderdachttien euro en vijfenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. S. Zwarts en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. M.W. ten Brinke, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 september 2026.
Mr. C. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Parketnummer 18/136666-25
hij op of omstreeks 4 augustus 2024 te Stadskanaal openlijk, te weten, op/aan/bij de [adres 1] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door (- zakelijk weergegeven -) hem meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te schoppen en/of te slaan.
Parketnummer 18/123114-25
1
hij op of omstreeks 8 augustus 2024 te Stadskanaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (meermalen) (sterke) drank en/of frisdrank en/of (/danwel) drinkwaren en/of geld en/of een fooienpot en/of een kassalade (met geld), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] ( [bedrijf 1] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
2
hij op of omstreeks 2 april 2025 te Stadskanaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] ( [bedrijf 2] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geld onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.
Parketnummer 18/077919-25
hij in of omstreeks de periode van 20 juli 2024 tot en met 4 oktober 2024 te Stadskanaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een Ipad, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Parketnummer 18/136614-25
hij op of omstreeks 8 april 2025 te Stadskanaal een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een balletjes pistool (gelijkend op een Colt 1908 vest model) voorhanden heeft gehad.
Parketnummer 18/221132-25
hij op of omstreeks 5 augustus 2025 te Musselkanaal, althans in de gemeente Stadskanaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 4] , van het leven te beroven, (- zakelijk weergegeven -) (die [slachtoffer 4] ) naar de grond heeft/hebben gebracht/gewerkt/getrokken en/of ((vervolgens) - terwijl die [slachtoffer 4] op de grond lag -) meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft/hebben geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
dan wel, en/of
hij op of omstreeks 5 augustus 2025 te Musselkanaal, althans in de gemeente Stadskanaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 4] , opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (- zakelijk weergegeven -) (die [slachtoffer 4] ) naar de grond heeft/hebben gebracht/gewerkt/getrokken en/of ((vervolgens) - terwijl die [slachtoffer 4] op de grond lag -) meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft/hebben geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
dan wel, en/of
hij op of omstreeks 5 augustus 2025 te Musselkanaal, gemeente Stadskanaal, althans in Nederland, op of aan de openbare weg (te weten, de [adres 2] ), in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 4] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit (- zakelijk weergegeven -) het naar de grond brengen/werken/trekken (van die [slachtoffer 4] ) en/of ((vervolgens) -
terwijl die [slachtoffer 4] op de grond ligt -) het meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam schoppen en/of slaan (van die [slachtoffer 4] );
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
dan wel, en/of
hij op of omstreeks 5 augustus 2025 te Musselkanaal, gemeente Stadskanaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 4] heeft mishandeld, door (- zakelijk weergegeven -) hem naar de grond te brengen/werken/trekken en/of ((vervolgens) - terwijl die [slachtoffer 4] op de grond ligt -) meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te schoppen en/of te slaan.
Parketnummer 18/073878-26
hij op of omstreeks 12 juli 2025 te Stadskanaal, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, aan de [adres 4] bij [adres 3] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een bankje en/of plaatwerk (gevelbekleding), althans goederen onder de overkapping van [adres 3] , welk geweld bestond uit het, een of meermalen (met kracht), schoppen en/of trappen en/of duwen en/of trekken op/tegen/aan/van voormeld bankje en/of plaatwerk (gevelbekleding), althans op/tegen/aan/van goederen onder de overkapping van [adres 3] .