ECLI:NL:RBNNE:2026:4156

ECLI:NL:RBNNE:2026:4156

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 01-10-2026
Zaaknummer 18.074204.26
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Veroordeling voor medeplegen art. 2 onder B OW en art. 2 onder C OW, deels vrijspraak van periode en deels vrijspraak van middelen, omdat alleen een indicatieve test onvoldoende is om vast te stellen wat voor middel het is. Inbeslaggenomen goederen zijn verbeurd verklaard, onttrokken aan het verkeer en teruggegeven aan verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18.074204.26

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,

niet als ingezetene ingeschreven in de basisregistratie personen en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek van de terechtzittingen van 27 augustus 2026 en 8 september 2026.

Verdachte is ter terechtzitting van 27 augustus 2026 verschenen, bijgestaan door

mr. E. Albayrak, advocaat te Heerenveen. Ter terechtzitting van 8 september 2026 zijn hij en zijn raadsman niet verschenen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting van 27 augustus 2026 vertegenwoordigd door mr. A.R. Posthuma en ter terechtzitting van 8 september 2026 door mr. D.P. Menting.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1. ​

hij in of omstreeks de periode van 5 april 2025 tot en met 10 maart 2026 te Drachten, gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer een hoeveelheid

​

hij op of omstreeks 10 maart 2026 te Drachten, gemeente Smallingerland opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft partiële vrijspraak gevorderd voor het onder 1. ten laste gelegde ten aanzien van de periode van 5 april 2025 tot en met 30 december 2025 en heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1. ten laste gelegde voor de periode van 31 december 2025 tot en met 10 maart 2026 en het onder

2. ten laste gelegde. Ten aanzien van de middelen ketamine en 2MMC heeft zij ontslag van alle rechtsvervolging gevorderd. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat ketamine strafbaar is gesteld in de geneesmiddelenwet en 2MMC een middel is genoemd op lijst IA van de Opiumwet, nu de tenlastelegging hier niet op ziet, kan geen kwalificatie daarvan volgen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde moet worden uitgegaan van de periode vanaf 1 januari 2026 tot en met 10 maart 2026. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaring van verdachte, dat hij rond de jaarwisseling is begonnen, steun vindt in de opgenomen

telefoongesprekken met medeverdachte [medeverdachte 1] en de chatberichten met [medeverdachte 2] . Voor wat betreft het onder 2. ten laste gelegde heeft de verdediging zich gerefereerd.

Oordeel van de rechtbank

Gedeeltelijke vrijspraak

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

Verdachte heeft op 27 augustus 2026 ter zitting verklaard dat hij rond de jaarwisseling van 2025 en 2026 is begonnen met het verkopen van drugs in Drachten tot het moment dat hij op 10 maart 2026 werd aangehouden. Volgens verdachte heeft hij voornamelijk cocaïne verkocht, maar het is goed mogelijk dat hij ook 3MMC heeft verkocht. Andere middelen kan hij zich niet herinneren.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet volgt dat verdachte eerder dan voornoemde jaarwisseling harddrugs heeft verkocht. De rechtbank is daarom met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat verdachte van de periode van voor de jaarwisseling van 2025 en 2026 dient te worden vrijgesproken. De rechtbank zal verdachte dan ook ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde vrijspreken van de periode van 5 april 2025 tot en met 30 december 2025, omdat dit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte de middelen MDMA, heroïne, XTC, ketamine en 2MMC heeft verkocht, vervoerd of verstrekt, zodat hij ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde ook hiervan zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

Onder 2. is verdachte onder meer ten laste gelegd dat hij één wikkel cocaïne en vijf wikkels 2MMC opzettelijk aanwezig heeft gehad.

De rechtbank stelt vast dat via indicatieve testen een indicatie is verkregen dat het om cocaïne en 2MMC zou gaan en dat er geen monsters van de substanties in een laboratorium zijn getest. Uit het dossier blijkt niet van bijkomende feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de substanties daadwerkelijk cocaïne en 2MMC bevatten, anders dan dat de uiterlijke verschijningsvorm daarop wijst. Verdachte heeft verklaard dat wanneer het is vastgesteld dat het dat middel is dat het dan ook zo is. De rechtbank is van oordeel dat ook deze verklaring in combinatie met de indicatieve testen onvoldoende is om vast te kunnen stellen dat de substanties in de wikkels cocaïne en 2MMC bevatten. Er is namelijk, anders dan waar de verklaring van verdachte vanuit gaat, niet vastgesteld dat de wikkels cocaïne en 2MMC bevatten. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De rechtbank acht het onder 1. en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank ten aanzien hiervan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

Verdachte heeft ter terechtzitting enkel over zichzelf willen verklaren en heeft daarom niets over de samenwerking met anderen verklaard. Hij heeft dit deel van het onder 1. ten laste gelegde, daarom niet duidelijk en ondubbelzinnig bekend. De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, hieromtrent het volgende vast.

Uit de verklaring van een onbekend gebleven drugsgebruiker van 18 maart 2026 blijkt dat hij sinds anderhalve maand zijn 3MMC en cocaïne bestelt via het telefoonnummer [telefoonnummer 2].2 Dit is het nummer dat werd gevonden in één van de telefoons van het merk Redmi die bij verdachte is aangetroffen. Uit de gegevens van deze telefoon blijkt dat de gebruiker [bijnaam 1] aan dit nummer is gekoppeld.3 Wanneer de drugsgebruiker zijn cocaïne en 3MMC had besteld werd het telkens gebracht door een donkere jongen of een blanke jongen. Een van beiden zou verblijven in het [hotel] in Drachten. De door hem gekochte drugs hadden de uitwerking die hij ervan verwachtte.4 [naam 1] heeft op 10 maart 2026 verklaard dat hij sinds ongeveer zes maanden verblijft op het adres [adres] te Drachten, de locatie van het [hotel].5

Uit de tapverslagen van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , het nummer dat blijkens de inhoud van de gesprekken in gebruik is bij [medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ), blijkt het volgende:

Op 5 februari 2026 zegt [medeverdachte 1] dat hij onderweg is naar [naam 1] en [verdachte] . Hij gaat even kijken hoe ze het hebben gedaan.

Op 9 februari 2026 wordt [medeverdachte 1] gebeld door [verdachte] . [verdachte] zegt dat [naam 3] wil dat hij een klantje voor hem ging doen met een aanbieding 3 voor 25. Dit wilde [verdachte] niet, omdat dat (van [verdachte] en anderen) hun aanbieding is. [naam 4] vond dat hij moeilijk deed, omdat het zijn clannies waren en omdat hij vindt dat zij door [naam 4] hun clannies hebben.

Op 13 februari 2026 belt [medeverdachte 1] met [naam 5] . Hij zegt dat [naam 5] naar [naam 6] moet gaan. [naam 6] en [verdachte] geven [naam 5] allebei een bankoe (50 euro). [naam 5] heeft een aantal clannies van hun op zijn nummer staan. [medeverdachte 1] wil dat [naam 5] bij deze mensen gaat promoten dat zij wat nodig hebben, ze dat via een bepaald telefoonnummer gaan bestellen.

Op 20 februari 2026 belt [medeverdachte 1] met [verdachte] . [medeverdachte 1] zegt dat het enige wat ze eigenlijk moeten doen is zorgen dat [naam 3] vast komt te zitten. Want als [naam 3] vast zit kunnen zij de naam [bijnaam 2] pakken en gewoon meenemen.

Op 2 maart 2026 belt [medeverdachte 1] met [naam 1] . [naam 1] werd om half negen wakker en dat is veel te laat zegt [medeverdachte 1] . [verdachte] is ook nog niet wakker. [naam 1] zegt dat die net wakker is want hij heeft hem net wat gestuurd. [medeverdachte 1] gaat [verdachte] ook bellen want ze hebben de afspraak dat ze om zeven uur de berichten eruit sturen. Half negen is te laat. [naam 1] heeft

de telefoon niet anders had hij die berichten wel kunnen sturen. [verdachte] heeft de hoofdtelefoon.6

In de voornoemde telefoon die is aangetroffen onder verdachte, van het merk Redmi staat het volgende chatbericht van 7 maart 2026: [bijnaam 1] zegt dat hij actief is en dat hij die ene met baard van [bijnaam 2] vroeger is. Hij kan wel 3m leveren. [medeverdachte 1] wordt in het politieonderzoek herkent als een manspersoon met een grote baard.7

Bewijsoverweging medeplegen

Uit hiervoor opgenomen bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af. Verdachte heeft verklaard dat hij cocaïne en mogelijk ook 3MMC verkoopt en aflevert. In samenhang genomen met de inhoud van de opgenomen telefoongesprekken en hetgeen de anonieme gebruiker heeft verklaard, blijkt hieruit dat [medeverdachte 1] verdachte en [naam 1] ( [naam 1] ) aanstuurt bij de verkoop van cocaïne en 3MMC en dat zij samen hierin handelen. Er wordt een bestelling gedaan op het nummer van [bijnaam 1] en vervolgens brengt een van de verdachten de drugs naar de klant. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat ze als groep de drugslijn van [naam 3] , genaamd [bijnaam 2] , willen overnemen.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het onder 1. ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 31 december 2025 tot en met 10 maart 2026 te Drachten, gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd een hoeveelheid

2.

hij op 10 maart 2026 te Drachten, gemeente Smallingerland opzettelijk aanwezig heeft gehad 19 bolletjes cocaïne (goednummer 1919644), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. medeplegen van de voortgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. (met betrekking tot de periode van 31 december 2025 tot en met 10 maart 2026) en 2. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan het onvoorwaardelijk deel van deze gevangenisstraf gelijk is aan de duur van het voorarrest, met een proeftijd van twee maanden en de bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering geadviseerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft -wanneer de rechtbank tot strafoplegging komt- gepleit voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, zodat het toezicht van de reclassering en de ingezette trajecten kunnen worden voortgezet. Door de raadsman is bepleit dat er geen noodzaak is voor een contactverbod, zoals tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis aan de orde was.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting van 27 januari 2026, het reclasseringsadvies opgemaakt door Reclassering Nederland op 28 mei 2026, het voortgangsverslag toezicht aan opdrachtgever opgemaakt door Reclassering Nederland op 26 augustus 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het dealen in cocaïne en 3MMC gedurende een periode van ruim twee maanden en het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne. Daarmee heeft verdachte de volksgezondheid geschaad en de verslavingen van anderen in stand gehouden. Ter zitting heeft verdachte verantwoordelijkheid genomen voor zijn strafbare gedragingen.

Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor Opiumwetfeiten. Voor deze strafzaak heeft verdachte 85 dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht, waarna de voorlopige hechtenis is geschorst met voorwaarden, onder meer inhoudend reclasseringstoezicht.

Uit het reclasseringsadvies en hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft verklaard blijkt dat verdachte is gaan dealen vanuit een financieel motief. Ten tijde van het plegen van de strafbare feiten had hij geen legaal inkomen, geen werk en geen onderdak. Volgens de reclassering hebben verder negatieve sociale contacten een rol gespeeld bij het plegen van de strafbare feiten. Ook is verdachte onlangs gediagnosticeerd met een stoornis in cannabisgebruik en zwakbegaafdheid, hetgeen volgens de reclassering ook een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de delicten. Volgens de reclassering speelt vooral de houding van verdachte een grote rol in de mate waarin hij zijn leefgebieden op orde heeft. Hij heeft moeite met autoriteit en lijkt ook een zorgmijdende houding te hebben, waardoor hulpverleningstrajecten stranden, hij geen werk kan behouden en hij begeleide woonvormen moet verlaten. Door die houding en doordat verdachte zijn leven niet op orde heeft, is de reclassering van

mening dat sprake is van een hoog recidive risico.

Verdachte staat open voor reclasseringscontacten. Uit het voorgangsverslag van de reclassering blijkt ook dat hij tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis de afspraken met de reclassering is nagekomen en dat hij zich correct en open opstelt richting de reclassering. De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen, omdat diverse trajecten binnen de jeugdreclassering niet succesvol zijn geweest en de verwachting is dat een pedagogische aanpak weinig zal helpen.

De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering, een verplichte ambulante behandeling bij Humanitas of een soortgelijke zorgverlener, de verplichting om te wonen in een begeleide of beschermde woonvorm of maatschappelijke opvang, door de reclassering te bepalen, verplichte dagbesteding, de verplichting mee te werken aan het aflossen van zijn schulden en inzicht te geven in zijn financiën en de verplichting mee te werken aan urineonderzoeken, zodat de reclassering zicht kan krijgen op zijn cannabis gebruik en verdachte kan leren dit gebruik te beheersen.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven zich aan deze voorwaarden te willen houden en mee te willen werken aan het toezicht van de reclassering.

Bij het bepalen van de straf en de hoogte daarvan heef de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht.

Alles afwegend vindt de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden en zal deze straf opleggen, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 95 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Deze straf houdt in dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis en dat de begeleiding en het toezicht door de reclassering kunnen worden voortgezet. De rechtbank is van oordeel dat de maatschappij hierbij het meest is gebaat, omdat hierdoor wordt gewerkt aan het beperken van de kans op herhaling van soortgelijke strafbare feiten.

Inbeslaggenomen goederen

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verbeurdverklaring van de volgende voorwerpen:

Tevens heeft zij gevorderd de onttrekking aan het verkeer van de volgende voorwerpen:

Voorts heeft zij gevorderd dat de twee telefoons van het merk Apple iPhone met de goednummers 1919624 en 191629 aan verdachte worden teruggegeven.

Standpunt van de verdediging

Door de raadsman is bepleit dat de twee telefoons van het merk Apple iPhone met de goednummers 1919624 en 191629 aan verdachte worden teruggegeven, omdat niet is gebleken dat hiermee strafbare feiten zijn gepleegd.

Oordeel van de rechtbank

Verbeurdverklaring

De rechtbank acht de inbeslaggenomen mobiele telefoon van het merk Redmi met goednummer 1919626 vatbaar voor verbeurdverklaring nu het onder 1. bewezenverklaarde hiermee is begaan en deze telefoon toebehoort aan verdachte.

De rechtbank acht de inbeslaggenomen geldbedragen, te weten:

vatbaar voor verbeurdverklaring nu deze geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het onder 1. bewezenverklaarde zijn verkregen en deze toebehoren aan verdachte.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank acht de inbeslaggenomen negentien bolletjes bevattende cocaïne met goednummer 1919644 vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu het onder 2. bewezenverklaarde hiermee is begaan en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De rechtbank acht de aan verdachte toebehorende inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

gelet op het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet, vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Teruggave

De rechtbank is van oordeel dat de twee inbeslaggenomen mobiele telefoons van het merk Apple iPhone met de goednummers 1919624 en 191629 moeten worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 56 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 13a van de Opiumwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 95 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:

houden aan de huisregels van deze instelling en het (dag)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

4. zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met vaste structuur, die door de reclassering geschikt gevonden wordt;

5. meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening al dan niet in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP), waarbij hij de reclassering inzicht geeft in zijn financiën en schulden;

6. meewerkt aan controles op verdovende middelen gebruik, zodat de reclassering inzicht krijgt in zijn gebruik (cannabis), waarbij de reclassering bepaalt hoe vaak en welk controlemiddel wordt ingezet.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

Verklaart verbeurd de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

Gelast de teruggave aan verdachte, voornoemd, van de twee in beslag genomen en nog niet teruggegeven mobiele telefoons van het merk Apple iPhone met de goednummers 1919624 en 1919629.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. A. de Jong en mr. L.S. Langius, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 september 2026.

1. De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde

opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2026026142, gesloten op 12 juni 2026.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 479;

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 437 en 438;

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 479;

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 651;

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 283, 287 t/m 289;

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 437 en 438.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. N.A. Vlietstra
  • mr. A. de Jong
  • mr. L.S. Langius

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand