[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 februari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Karapetyan, advocaat te Hengelo. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Potijk.
Nadat het onderzoek ter terechtzitting op 3 februari 2026 was gesloten, heeft mr. L. Potijk op 11 februari 2026 gevorderd om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen. Deze vordering is op 12 februari 2026 afgewezen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 30 april 2025 tot en met 1 mei 2025 te [plaats] , gemeente Aa en Hunze, althans in Nederland
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 30 april 2025 tot en met 1 mei 2025 te [plaats] , gemeente Aa en Hunze, althans in Nederland
[slachtoffer] heeft mishandeld door
aan de (linker)hand van die [slachtoffer] te trekken terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had;
2.
hij op of omstreeks 1 mei 2025 te [plaats] , gemeente Aa en Hunze, althans in Nederland
een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, gelet op artikel 3 onder a van de Regeling Wapens en Munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was,
namelijk een replica van wapen dat voor wat betreft de vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoont met een Glock 17,
voorhanden heeft gehad;
3.
hij in of omstreeks de periode van 5 mei 2025 tot en met 6 mei 2025 te [plaats] , gemeente Midden-Drenthe, althans in Nederland, meerdere malen, althans eenmaal
[slachtoffer] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door verschillende berichten en/of chats naar die [slachtoffer] te sturen waarin stond
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1 primair ten laste gelegde. Zij heeft bewezenverklaring gevorderd van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde. Daartoe is het volgende aangevoerd. De mishandeling (feit 1 subsidiair), bestaande uit het geven van een klap in het gezicht en het trekken aan haar hand, kan bewezen worden door de aangifte van [slachtoffer] , de fotos van haar letsel en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Feit 2 (verboden wapenbezit) kan bewezen worden door de bekennende verklaring van verdachte, ter terechtzitting afgelegd, en de bevindingen van de politie. De bedreiging (feit 3) kan bewezen worden door de verklaring van [slachtoffer] en de door haar overgelegde afschriften van chatgesprekken met verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 3. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de aangifte van feit 1 niet wordt ondersteund door ander bewijs, waardoor het bewijsminimum niet wordt bereikt. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman gesteld dat de uitlatingen het karakter van een serieuze bedreiging missen en niet bedoeld waren om vrees aan te jagen.
De raadsman heeft betoogd dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 1 primair en subsidiair
De vraag die de rechtbank in onderhavige zaak dient te beantwoorden, is of het ten laste gelegde feit, gelet op de belastende verklaring van [slachtoffer] (hierna: aangeefster) enerzijds en de ontkenning van verdachte anderzijds, wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank dient daartoe allereerst te beoordelen of de verklaring van aangeefster voldoende betrouwbaar is om als bewijsmiddel te kunnen worden gebruikt.
De rechtbank stelt vast dat aangeefster op meerdere momenten heeft verklaard over wat er tussen haar en verdachte zou zijn voorgevallen. Aangeefster heeft op 1 mei 2025 haar eerste verklaring afgelegd bij de politie. Daarna heeft aangeefster op 23 mei 2025 een informatief gesprek zeden gehad bij de politie.
Vervolgens heeft zij op 3 juni 2025 een aanvullende aangifte gedaan.
De rechtbank constateert dat aangeefster op meerdere punten inconsistent heeft verklaard. Haar verklaring komt voorts niet overeen met de overige informatie in het dossier. De rechtbank zal dit toelichten. In de aangifte van 1 mei 2025 verklaart aangeefster dat verdachte haar een klap heeft gegeven op 30 april 2025 om ongeveer 14.40 uur, waarbij zij opmerkt dat zij op dat moment op de fauteuil zat en
[verdachte] in de bank lag. Zij voelde dat zijn vlakke hand haar raakte op de linkerkant van haar hoofd. Als gevolg hiervan heeft zij een blauw oog opgelopen die, volgens de verklaring van aangeefster, de volgende ochtend (in ieder geval) om 11:00 uur zichtbaar was. In de aangifte van 3 juni 2025 verklaart aangeefster dat verdachte haar een klap heeft gegeven op 30 april 2025 rond 9.30 uur, waarbij zij op de bank zat. Als gevolg van deze klap zat haar oog gelijk dicht en aangeefster zag dat haar oog met de minuut roder, blauwer en dikker werd. Pas na drie dagen kon zij haar oog weer open doen, aldus de verklaring van aangeefster. De getuige [getuige 1] , waar aangeefster zich na haar vlucht uit het chalet op 1 mei 2025 omstreeks 17:30 uur heeft gemeld, heeft verklaard dat zij in eerste instantie geen letsel bij aangeefster heeft gezien. Pas naarmate de tijd vorderde zag de getuige dat het oog van aangeefster blauw werd.
Ook over de aanwezigheid van verdachte in het chalet komt de verklaring van aangeefster niet overeen met die van de getuigen. Aangeefster heeft verklaard dat zij op 1 mei 2025 net iets na 17.00 uur hoorde dat verdachte weg ging met de bus van het werk om boodschappen te gaan doen en dat zij toen meteen met haar Tesla naar de receptie is gereden. De parkbeheerder, dhr. [getuige 2] , heeft verklaard dat aangeefster op 1 mei 2025 omstreeks 17.30 uur kwam aanlopen en zei dat zij was geslagen door haar man. Getuige [getuige 2] is daarop meteen in zijn auto gestapt en naar het chalet gereden, waar verdachte zich nog bevond. Hoewel aangeefster dus aangeeft dat verdachte op het moment van haar vertrek weg was, blijkt uit de verklaring van dhr [getuige 2] dat verdachte kort nadat aangeefster zich bij de receptie had gemeld nog in het chalet verbleef. Daarnaast heeft aangeefster in haar aangifte van 3 juni 2025 verklaard dat verdachte, verdeeld over 2 dagen, 3 pakken rode wijn van elk 1 liter had gedronken. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 1 mei 2025 blijkt echter dat verdachte op 1 mei 2025 om
uur heeft meegewerkt aan een voorlopige ademanalyse en dat de uitslag P Passeren was. Dat komt niet overeen met de gestelde hoeveelheid wijn die verdachte volgens aangeefster zou hebben gedronken.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaringen van aangeefster onvoldoende betrouwbaar zijn om als bewijsmiddel te kunnen worden gebruikt.
Nu verdachte stellig en consequent heeft ontkend dat hij aangeefster heeft mishandeld en het procesdossier voor het overige ook onvoldoende bewijs bevat, is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde mishandeling niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken
Vrijspraak feit 3
Met betrekking tot feit 3 overweegt de rechtbank het volgende.
Aangeefster heeft op 24 juni 2025 per e-mail aan de politie een bestand gestuurd, met daarin een Whatsappgesprek tussen [account 1] (aangeefster) en [account 2] (een account gekoppeld aan het telefoonnummer van verdachte). Uit het e-mailbericht van aangeefster blijkt dat zij zelf een selectie heeft gemaakt van de berichten die zij en verdachte aan elkaar hebben gestuurd en dat zij deze vervolgens heeft overgezet in een Word-document. De rechtbank stelt vast dat de politie geen onderzoek heeft verricht naar de Whatsappgesprekken op de telefoon van aangeefster en/of verdachte. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat de berichten daadwerkelijk zijn verstuurd op de wijze zoals deze door aangeefster zijn overlegd. Verdachte is door de politie ook niet specifiek over deze Whatsapp-berichten ondervraagd. Ter terechtzitting heeft verdachte echter stellig ontkend dat hij aangeefster de berichten heeft verstuurd. Nu het bewijs voor het onder 3 ten laste gelegde feit enkel bestaat uit het e-mailbericht (met bijlage) van aangeefster, is niet voldaan aan het wettelijke bewijsminimum van artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde feit.
Feit 2
De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit ter terechtzitting duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 februari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 mei 2025, opgenomen op pagina 49 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025113892-22, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 november 2025, opgenomen als “Aanv. PV” bij voornoemd dossier, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] .
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 1 mei 2025 te [plaats] een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, gelet op artikel 3 onder a van de Regeling Wapens en Munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een replica van een wapen dat voor wat betreft de vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoont met een Glock 17, voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
- handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 subsidiair, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van de voorlopige hechtenis. Gelet op de duur van het reeds ondergane voorarrest, vordert de officier van justitie voorts de opheffing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden. Daarnaast heeft de officier van justitie een contactverbod met aangeefster gevorderd, in de vorm van de maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. De officier vordert tevens dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bij een bewezenverklaring gepleit voor een geheel voorwaardelijke straf. De raadsman heeft hiertoe gewezen op het reclasseringsadvies van 25 november 2025.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en een zestal rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 14 januari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft verklaard dat hij samen met zijn ex-partner in Duitsland een wapen en toebehoren had aangeschaft om zich te kunnen verdedigen tegen indringers in hun chalet.
Met het wapen kunnen balletjes worden afgevuurd. Het is ook voor afdreiging geschikt, nu het sprekend lijkt op een bestaand wapen. Het bezit van dergelijke wapens is niet alleen verboden maar ook riskant, omdat het gebruik ervan tot lichamelijk letsel kan leiden. In gewelddadige reactie op gebruik van het wapen kan zelfs fataal letsel ontstaan voor verdachte of anderen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij voor dit verboden en gevaarlijke voorwerp ter bescherming heeft gekozen.
Nu de rechtbank minder feiten bewezen verklaart dan de officier van justitie bewezen acht, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist. Een geheel voorwaardelijke straf is naar het oordeel van de rechtbank niet passend, gelet op de ernst van het wapenbezit.
Een geldboete overeenkomstig de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht van 650,- is naar het oordeel van de rechtbank passend en geboden, bij niet betaling te vervangen door hechtenis.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich ter zake de feiten 1 en 3 als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd worden een bedrag van 4.995,63 ter vergoeding van materiële schade en een bedrag van 45.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd van een bedrag aan immateriële schadevergoeding van 750,-, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit dat de vordering bij vrijspraak voor de feiten 1 en 3 moet worden afgewezen. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Meer subsidiair dient de vergoeding van immateriële schade te worden gematigd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de feiten 1 en 3 waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair en subsidiair en feit 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 ten laste gelegde feit bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een geldboete van 650,- (zegge zeshonderdvijftig euro).
Beveelt dat bij niet betaling van de geldboete vervangende hechtenis zal worden toegepast van 6 dagen.
Ten aanzien van feiten 1 en 3:
Verklaart de vordering van [slachtoffer] tot vergoeding van schade niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat [slachtoffer] haar eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. H.R. Eising en
mr. A.S. Venema-Dietvorst, rechters, bijgestaan door mr. K. Bodewes, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 februari 2026.
mr. A.S. Venema-Dietvorst en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.