RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.301909.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 september 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.I. Veenstra, advocaat te Burgum. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.R. Stoeten.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 20 juni 2025 te [plaats ] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsvoertuig/vrachtwagen met oplegger),
daarmede rijdende over de weg, de kruising [straat 1] / [straat 2] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als beroepschauffeur,
met een voertuig waarvan de Side Collision Avoidance Support niet, althans niet voldoende, werkte,
als gevolg waarvan hij in botsing is gekomen met die [slachtoffer] , waardoor een ander (te weten die [slachtoffer] ) werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 juni 2025 te [plaats ] , als bestuurder van een voertuig (bedrijfsvoertuig/vrachtwagen met oplegger), daarmee rijdende op de weg, de kruising [straat 1] / [straat 2] , als beroepschauffeur, met een voertuig waarvan de Side Collision Avoidance Support niet, althans niet voldoende, werkte,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals primair ten laste is gelegd. De mate van schuld is volgens de officier van justitie aanmerkelijk onvoorzichtig/onoplettend.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Er is geen sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Uit het Forensisch Onderzoek Verkeer volgt dat de exacte botsplaats en het botsmoment tussen de wielrenner en de vrachtwagen niet kon worden vastgesteld wat maakt dat niet duidelijk is hoe het ongeval heeft plaatsgevonden. Verder is een enkele onoplettendheid of waarnemingsfout onvoldoende, tenzij sprake is van bijkomende omstandigheden waaruit aanmerkelijk verwijtbaar verkeersgedrag blijkt. Dergelijke omstandigheden ontbreken in onderhavige zaak.
Ten aanzien van het primair en het subsidiair ten laste gelegde is onvoldoende duidelijkheid over de feitelijke toedracht van het ongeval om tot een bewezenverklaring te kunnen komen en dient vrijspraak te volgen. Niet uitgesloten kan worden dat de wielrenner via een verharde verbindingsweg de rijbaan is opgereden. Dan was er geen sprake van een situatie waarin verdachte voorrang diende te verlenen.
Oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
Op grond van de inhoud van het dossier en de behandeling ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 20 juni 2025 reed verdachte als bestuurder van zijn vrachtwagen, een trekker (Volvo) met een oplegger, over de [straat 1] te [plaats ] . Het was licht en de weersomstandigheden waren helder en droog. Verdachte sloeg rechtsaf de [straat 2] op. Over het naastgelegen fietspad van de weg [straat 1] reed op dat moment een fietser, genaamd [slachtoffer] , in dezelfde richting als verdachte. Bij het afslaan door verdachte rechts de [straat 2] op werd [slachtoffer] aangereden, ten gevolge waarvan hij is overleden.
Schuld in de zin van het primair ten laste gelegde artikel 6 WVW 1994
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van overtreding van artikel 6 WVW 1994 is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is. Om tot dat oordeel te komen moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onoplettendheid en/of onachtzaamheid van verdachte. Het komt erop aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Bij de bepaling van de mate van schuld komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
botsplaats
Met betrekking tot het verweer van de raadsvrouw over een scenario waarbij verdachte geen voorrang behoefde te verlenen omdat het slachtoffer met zijn fiets elders verdachtes rijbaan was opgereden overweegt de rechtbank het volgende. Uit het Forensisch onderzoek verkeer blijkt dat op basis van de sporen van kleding, fietsonderdelen, weefsel en krassporen kon worden vastgesteld dat de botsing in ieder geval heeft plaatsgevonden tussen de uiterst linkerzijde van het fietspad, gezien vanuit de fietser, en de plaats waar het eerste kledingspoor werd aangetroffen. Dat is 13,5 meter de [straat 2] op. Vaststaat dat de vrachtwagen de fietser heeft geraakt aan de voorzijde van de vrachtwagen. Dat blijkt uit de weefselsporen aan de binnenzijde van het rechtervoorwiel en in de spatborden aan de rechterzijde van de vrachtwagen Ook op het carter van de motor en de vooras werden sporen van afwrijving aangetroffen.
Het door de raadsvrouw aangevoerde mogelijke scenario dat de fietser via de verbindingsweg de [straat 1] zou zijn opgereden, is gelet op het voorgaande en op de verklaring van getuige [getuige] , de tegemoetkomende vrachtwagenchauffeur die geen fietser op de weg heeft gezien, uitgesloten. De
rechtbank verwerpt het verweer.
voorrang verlenen
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte bij het rechtsaf slaan voorrang had moeten verlenen aan het verkeer op het naastgelegen fietspad, in dit geval aan [slachtoffer] . Verdachte heeft weliswaar verklaard te hebben gekeken, maar is niet gestopt Verdachte had zich ervan moeten vergewissen dat het fietspad vrij was voordat hij met zijn vrachtwagen rechtsaf sloeg.
Verdachte was met 45 jaar ervaring een zeer ervaren beroepschauffeur en hij was (zeer) goed bekend met de situatie ter plekke. Verdachte reed naar eigen zeggen al jaren meermalen per dag deze route. Volgens de verklaring van verdachte was hij zich ervan bewust dat het op deze plek vaak druk is met andere verkeersdeelnemers. Op een beroepschauffeur rust een zware verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer. Uit het onderzoek volgt dat verdachte met een gemiddelde snelheid van 17 km/u rechtsaf sloeg. Gelet op de situatie ter plaatse en het beperkte zicht van de spiegels, was deze snelheid naar het oordeel van de rechtbank te hoog. Bij stilstand had verdachte zich kunnen vergewissen van eventueel verkeer op het naastgelegen fietspad en had hij kunnen zien of hij al dan niet kon doorrijden.
waarschuwingssysteem
Uit het Forensisch onderzoek verkeer volgt dat onderzocht is of het waarschuwingssysteem op de vrachtwagen van verdachte werkzaam was. Dit systeem is kennelijk bij stilstand van de vrachtwagen onderzocht. Tijdens dit onderzoek volgde er geen waarschuwing van het systeem. Tijdens de behandeling ter zitting is door de verdediging naar voren gebracht dat het zich op de vrachtwagen van verdachte bevindende systeem van een ander (ouder) type is en niet werkt bij een snelheid van minder dan 35 km/u. De rechtbank is van oordeel dat daarom niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte met een niet of onvoldoende werkend waarschuwingssysteem reed en zal verdachte van dit onderdeel vrijspreken.
Op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen merkt de rechtbank het rijgedrag van verdachte aan als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend.
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Forensisch onderzoek verkeer d.d. 9 oktober 2025, opgenomen op pagina 27 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025177435 d.d. 28 oktober 2025, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Voertuig 1: Bedrijfsvoertuig
Soort voertuig: Bedrijfsvoertuig (Vrachtwagen Trekker) Volvo Voertuig 3: Racefiets
Wij zagen dat de [straat 1] :
- het fietspad op de kruising niet was voorzien van haaientanden.
Wij zagen het volgende de maximumsnelheid bedroeg ter plaatse 60 km/u als gevolg van artikel 62 jo. Verkeersbord A1 van bijlage 1 van het RVV 1990.
Om een beeld te krijgen waar de betrokken racefietser vandaan kwam hebben wij ter plaatse de vanuit de Volvo gemaakte camerabeelden bekeken.
Hieruit bleek ons dat de combinatie in noordelijke richting over de provincialeweg N398 (Middelseewei) had gereden en op de rotonde de afslag in westelijke richting was ingeslagen, de [straat 1] op.
Omdat door ons op de camerabeelden geen racefietser werd waargenomen vanuit de bebouwde kom van [plaats ] en ook niet vanuit de [straat 2] bleef enkel het scenario over dat de racefietser over het parallel aan de [straat 1] gelegen fiets-/bromfietspad de plaats van de botsing met de combinatie naderde.
In de onderste trailerspiegel is in de afbeelding hierboven een gedeelte van het fiets-/bromfietspad zichtbaar. Verder is deze spiegel bol van vorm waardoor het zicht vertekend en verkleind wordt. De heg welke was gesitueerd tussen de rijbaan van de [straat 1] en het fiets-/bromfietspad benam deels het zicht van de chauffeur van de Volvo op het naast hem gelegen fiets-/bromfietspad.
Op het moment dat de bestuurder van de combinatie zijn voertuig indraaide om de [straat 2] op te rijden ontnam hij zichzelf daardoor het zicht in de rechter achteruitkijk spiegel van zijn voertuig op het deel van het fiets-bromfietspad waar de racefietser zich vermoedelijk bevond. In de trailerspiegel was het fiets-
/bromfietspad waarneembaar. Het weggedeelte voor de Volvo was deels te overzien door de voorruit en deels door de frontspiegel. Het gedeelte dicht bij de rechter voorzijde van de Volvo was deels te overzien door de trottoirspiegel aan de rechterzijde van de cabine.
Door het ontbreken van sporen op of nabij het kruisingsvlak kon geen nauwkeurige indicatie worden verkregen met betrekking tot de botsplaats en onderlinge posities van de voertuigen op het moment van botsen.
De racefietser overleed ter plaatse aan de gevolgen van het door het ongeval opgelopen letsel. Oorzaak
De bestuurder van de combinatie naderde de kruising [straat 1] met de [straat 2] vanuit de richting van de rotonde (zie afbeelding 26). Vanuit de richting van de bebouwde kom van [plaats ] naderde hem over de [straat 1] een vrachtauto.
Op het moment dat de bestuurder zijn combinatie instuurde om de [straat 2] op te rijden was de naderende vrachtauto ter hoogte van het kruisingsvlak aangekomen en kon dit voertuig daarbij een obstakel vormen voor de afslaande combinatie.
Vanuit de tachograafdata en de camerabeelden is vast komen te staan dat de bestuurder van de combinatie met een gemiddelde snelheid van circa 17 km/u rechtsaf reed vanaf de [straat 1] de [straat 2] op en daarbij de fietser, die zeer waarschijnlijk op dezelfde weg rechtdoor reed, niet voor liet gaan.
Genoemde snelheid is indicatief maar representatief voor dit onderzoek. Deze snelheid is een normale rijsnelheid voor een dergelijke combinatie, echter gezien de omstandigheden, de hem naderende vrachtauto en het rechts naast hem gelegen fiets-/bromfietspad is deze snelheid hoog.
De bestuurder van de combinatie ontnam de racefietser, door zijn gereden snelheid tijdens het afslaan, de mogelijkheid om adequaat te reageren en daardoor een botsing te voorkomen. Het scenario dat de racefietser vanuit de bebouwde kom van [plaats ] in de richting van de [straat 2] reed werd door ontkracht door de camerabeelden vanuit de Volvo. Het scenario dat de racefietser vanuit de [straat 2] in de richting van de [straat 1] reed werd eveneens ontkracht door de camerabeelden vanuit de Volvo. Het scenario dat de racefietser vanaf het fiets-/bromfietspadover de doorsteek de rijbaan van de [straat 1] wilde volgen richting [plaats ] werd uitgesloten door de chauffeur van de naderende vrachtauto.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juni 2025, opgenomen op pagina 11 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Op vrijdag 20 juni 2025 omstreeks 16.00 kwamen wij ter plaatse, [straat 2] in [plaats ] . Ik begreep van het ambulance personeel dat de aangereden persoon hieronder lag en duidelijk overleden was. Ik hoorde de centralist zeggen dat hij in het systeem [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] 1978 vond onder dit BSN nummer.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Primair.
hij op 20 juni 2025 te [plaats ] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen met oplegger), daarmede rijdende over de weg, de kruising [straat 1] / [straat 2] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend, als beroepschauffeur,
als gevolg waarvan hij in botsing is gekomen met die [slachtoffer] , waardoor een ander, te weten die [slachtoffer] werd gedood.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Primair
Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander is gedood.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar
voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht bij een bewezenverklaring rekening te houden met de persoon van verdachte. Verdachte is first offender. Hij was reeds 45 jaar beroepschauffeur. Het ongeval heeft een diepe indruk op hem gemaakt waarvan hij uitzonderlijk zware persoonlijke belasting van heeft ondervonden. De raadsvrouw heeft verzocht verdachte schuldig te verklaren maar geen straf op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het rapport van Reclassering Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft als bestuurder van een vrachtwagen een fietser niet gezien waardoor deze in botsing is gekomen met de vrachtwagen. Het slachtoffer is als gevolg van deze botsing overleden. Dit is vanzelfsprekend een enorm verlies voor zijn nabestaanden. Hun verdriet en gemis is door de partner en de naaste familie van het slachtoffer ter zitting op indringende wijze naar voren gebracht.
Ter zitting is duidelijk geworden dat de impact van het ongeval ook voor verdachte groot is geweest. Er gaat geen dag voorbij dat hij er niet aan denkt. Het leed van de nabestaanden heeft hem zeer getroffen.
De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Voor overtreding van art. 6 WVW met een dodelijk slachtoffer als gevolg waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar.
Hoewel de ernst van het feit in beginsel een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid rechtvaardigt, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de oriëntatiepunten. De rechtbank heeft hierbij gelet op het feit dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om zijn werk te kunnen uitoefenen en de omstandigheid dat verdachte al 45 jaar als beroepschauffeur dagelijks aan het verkeer deelneemt en niet eerder een verkeersovertreding heeft begaan. Uit oogpunt van normbevestiging vindt de rechtbank daarnaast een taakstraf op zijn plaats voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, in combinatie met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een taakstraf voor de duur van 120 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.
ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 1 jaar.
Bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. de Jong, voorzitter, mr. drs. J.V. Nolta en mr. E.S. van den Berg, rechters, bijgestaan door W. van Goor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 september 2026.
mr. drs. J.V. Nolta is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.