ECLI:NL:RBNNE:2026:4261

ECLI:NL:RBNNE:2026:4261

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 06-10-2026
Datum publicatie 05-10-2026
Zaaknummer 18-122674-26
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Vrijspraak t.a.v. medeplegen van gekwalificeerde opzetverkrachting. Bewezenverklaring van opzetaanranding door (meermalen) met hand bovenbeen te betasten. Veroordeling tot taakstraf 100 uren.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 september 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Smid, advocaat te Winschoten.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Potijk.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 april 2026 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten door

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders, wisten, dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 april 2026 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten door

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededaders wisten, dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primaire feit.

De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor het subsidiaire feit, in die zin dat sprake is geweest van opzetaanranding door het meermaals betasten van aangeefsters ontblote been.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verklaring aangeefster onvoldoende betrouwbaar is om als bewijsmiddel te kunnen worden gebruikt. De door haar afgelegde verklaringen zijn (op onderdelen) inconsistent, niet gedetailleerd en onvolledig. Daarnaast wordt de in aangeefsters verklaring genoemde reactie op de aanraking op haar been weersproken door de camerabeelden in de auto als objectieve bron. Daarentegen komen de verklaringen van verdachte en medeverdachte wel op essentiële punten overeen en dit maakt dat van een plausibele verklaring van aangeefster geen sprake is. Ook kan het door aangeefster verklaarde omtrent de door haar gedronken hoeveelheid alcohol van invloed zijn op de beleving van bepaalde gebeurtenissen, het geheugen en de emoties.

Verder zijn de enkele aanrakingen op aangeefsters knie en net daarboven op haar bovenbeen niet als seksuele handelingen aan te merken, gelet op de volgende context. Het betreffen korte aanrakingen, waarbij niet is bewogen in de richting van de binnenkant van het been of de vagina en evenmin is geknepen in het been. Verdachte en aangeefster waren gewoon gezellig aan het praten en achter voornoemde aanrakingen heeft dan ook geen seksuele intentie gezeten.

Voorts ontbreekt elke vorm van opzet op het verrichten van handelingen tegen de wil van aangeefster. Uit zowel de verklaringen van verdachte als medeverdachte in combinatie met het beeldfragment uit de auto kan niet worden vastgesteld dat er signalen zijn geweest dat de voormelde handelingen tegen haar wil zijn verricht en dat dit voor verdachte duidelijk is geweest. Het enkele feit dat aangeefster alcohol had gedronken, maakt ook nog niet dat verdachte wist of had moeten weten dat bij haar de wil tot het dulden van het contact ontbrak. Immers was aangeefster in staat om een gesprek te voeren, zij sprak niet met dubbele tong of vertoonde ander zodanig dronken gedrag dat zij haar eigen wil niet goed kon uiten.

Oordeel van de rechtbank

Juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich vaak kenmerken door het feit dat slechts het vermeende slachtoffer en de vermeende dader(s) aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen. Bij (een) ontkennende verdachte(n) blijft dan alleen de verklaring van het vermeende slachtoffer over als wettig bewijsmiddel. Het bewijs dat (een) verdachte(n) de ten laste gelegde feiten heeft/hebben begaan, kan niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van een slachtoffer. Er moet steunbewijs zijn uit een andere bron. Hierbij is voldoende dat de verklaring van een slachtoffer op bepaalde onderdelen steun vindt in dit bewijs. Andere onderdelen mogen uitsluitend op de verklaring van een slachtoffer berusten. Daarbij geldt dat tussen de verklaring en het overige bewijs niet een te ver verwijderd verband mag bestaan.

Van opzetverkrachting en -aanranding is sprake als iemand seksuele handelingen met een ander verricht terwijl hij weet dat die ander dat niet wil (vol opzet). Dit is ook het geval als iemand zich bewust is van de mogelijkheid van een ontbrekende wil bij de ander en die mogelijkheid eenvoudigweg voor lief neemt (voorwaardelijk opzet). Deze wezenlijk onverschillige mentale houding vormt de ondergrens van het vereiste opzet.

Betrouwbaarheid verklaring aangeefster

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en zij overweegt daartoe als volgt.

Aangeefster [slachtoffer] heeft in hoofdlijnen consistent verklaard over hetgeen haar was overkomen. Zij heeft kort na de gebeurtenis dezelfde nacht of later op die dag tegen de politie, haar moeder, huisgenote en vriend steeds eenzelfde verhaal verteld. Daarnaast heeft [slachtoffer] (in het bijzonder in de aangifte) specifieke details genoemd omtrent de wijze waarop volgens haar de geweldshandelingen en seksuele gedragingen waren uitgevoerd en hoe daarbij door haar emoties werden geuit dan wel gevoeld. Tevens heeft aangeefster toegegeven dat zij behoorlijk onder invloed van alcohol verkeerde en dat zij met betrekking tot bepaalde (rand)zaken zich het een en ander niet meer kon herinneren/niet meer wist. De voormelde omstandigheden maken haar verklaring authentiek, waarbij enige discrepanties tussen de inhoud van aangeefsters verklaring en andere stukken onvoldoende zijn om de verklaring van aangeefster als ongeloofwaardig aan te merken.

Derhalve heeft de rechtbank geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster te twijfelen en daarmee acht zij deze in beginsel bruikbaar voor het bewijs.

Waardering steunbewijs en vrijspraak ten aanzien van het primaire feit

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de verklaring van aangeefster voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen en zij neemt daarbij het volgende in aanmerking.

Uit het dossier komt naar voren dat aangeefster, verdachte en medeverdachte als enige personen in de auto aanwezig waren, alwaar de volgens aangeefster ten laste gelegde seksuele handelingen (waaronder het seksueel binnendringen) zouden hebben plaatsgevonden. Enerzijds erkennen verdachte en medeverdachte dat zij zich gelijktijdig in het voertuig, respectievelijk als bestuurder naast haar en als bijrijder achter aangeefster, bevonden. Anderzijds ontkennen beiden (grotendeels) hun aandeel in de door aangeefster gestelde (seksuele) gedragingen; verdachte bekent slechts het eenmaal aanraken met zijn hand van aangeefsters bovenbeen en medeverdachte erkent alleen maar het voelen aan aangeefsters haar.

De rechtbank is van oordeel dat de (vorenbedoelde en andere) getuigenverklaringen in het dossier onvoldoende concrete steun bieden aan de verklaring van aangeefster. Aangeefsters moeder, huisgenote en vriend achtereenvolgens [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] hebben niet uit eigen waarneming de verweten seksuele handelingen welke zich in de auto zouden hebben afgespeeld vernomen, maar zij hebben uitsluitend daarover het verhaal van aangeefster als bron gehoord. Wel zijn deze getuigen vrijwel direct nadat aangeefster uit het voertuig was gestapt afzonderlijk met haar (fysiek en/of telefonisch) in gesprek gegaan, waarbij door voornoemde getuigen zelfstandig verschillende emoties (zoals het in shock lijken, overstuur en/of in paniek zijn) bij aangeefster zijn waargenomen. Hoewel de rechtbank geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van de voormelde getuigenverklaringen, is daarmee niet uitgesloten dat de door henzelf kort na het gebeuren waargenomen emotionele gemoedstoestand bij aangeefster eveneens kan zien op het door verdachte (meermaals) met zijn hand strelen over aangeefsters bovenbeen. Te meer omdat voor deze betasting, naast de verklaringen van aangeefster en verdachte, in tegenstelling tot het seksueel binnendringen en de overige (seksuele) handelingen wel ander ondersteunend, objectief bewijsmateriaal voorhanden is: de beschrijving van een verbalisant van de door medeverdachte zelf in de auto gemaakte filmbeelden, waarop het door verdachte met de duim van links naar rechts wrijven over (waarschijnlijk) het bovenbeen van aangeefster zichtbaar is en waarna meerdere keren, wanneer de hand van verdachte in de richting van aangeefsters been bewoog, telkens een aantal seconden een klets klinkend als een tik op een blote huid hoorbaar is.

Voorts leveren de resultaten van het forensisch onderzoek geen steunbewijs op voor het tenlastegelegde. De door aangeefster in de betreffende nacht gedragen slip en jurk zijn op zowel de binnen- als buitenzijde ter hoogte van het kruis en ter hoogte van de borsten, schouders en hals bemonsterd, desalniettemin zijn daarop geen DNA-sporen van verdachte(n) aangetroffen.

Concluderend kan naar het oordeel van de rechtbank het primaire feit niet wettig en overtuigend worden bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring ten aanzien van het subsidiaire feit

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van het subsidiaire feit redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 22 september 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Het klopt dat ik de chauffeur was. Ik heb met mijn hand over haar bovenbeen geaaid/aangeraakt. Ik schaamde mij ervoor en ik vind dat ik een grens over ben gegaan.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 april 2026, opgenomen op pagina 18 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2026103415 d.d. 6 juli 2026 (onderzoek LEISTEEN), inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :

V: We gaan naar 18 april 2026 vertel eens over die avond?

A: We hadden een [feest] . Het was bij de [locatie] in Groningen. V: Vertel eens vanaf het begin van die avond?

A: Ik merkte dat ik best wel dronken was en wilde naar huis. Ik ben voor in de taxi gestapt. Het flirten sloeg over naar aanraken, maar dat hoefde niet van mij. Ik had een best wel kort rokje aan en als je dan zit, gaat het rokje nog meer naar boven. Hij raakte me met zijn hand aan op mijn bovenbeen. Het was de jongen die reed. Ik duwde zijn hand van mijn been.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangeefster d.d. 24 april 2026, opgenomen op pagina 27 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :

A: Maar vanaf seconde 1 werd er al geflirt. Het was niet normaal maar ik vond het wel grappig. Ik was zelf ook jolig en vond het niet zo erg. Toen het meer werd heb ik wel gelijk nee gezegd. Ik duwde zijn hand weg. Hij hoefde mij niet aan te raken. Toen het nog meer werd was het helemaal niet goed.

V: Wat bedoel je met: toen werd het meer?

A: Handtastelijk. Een hand op mijn been. Ik deed de hand van mijn been als afwijzing.

A: Ik weet dat we het over geld hebben gehad. We hadden het over een betaling dus ik was ervan overtuigd dat ik in een taxi zat.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 april 2026, opgenomen op pagina 129 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Van verdachte [medeverdachte] , [geboortedatum] 2002 werd een telefoon in beslag genomen. Zo trof ik een filmpje met bestandsnaam [bestandsnaam] met Metadata:

Creation date: 4/19/2026 2:14:32 AM

Ik zag hierop het dashboard van een auto, de linkerhand van de bestuurder en een blote knie van de bijrijder.

Ik zag dat tijdens dat (de rechtbank begrijpt; terwijl) de vrouw dit zei dat de rechterhand van de bestuurder waarschijnlijk op het bovenbeen van de vrouw lag. Ik zag dat zijn duim tot twee keer heen en weer wreef van rechts naar links.

Ik zag dat het been van het meisje wat meer uit beeld raakte. Het leek erop dat de stand van haar been veranderde.

Ik zag dat de hand van de bestuurder weer richting het been van het meisje ging.

Ik zag dat de hand van de bestuurder, tijdens dat hij dit zei weer in de richting van het been van het meisje bewoog en hieruit gedurende ongeveer vier seconden uit zicht verdween.Ik hoorde tijdens deze ongeveer 4 seconden een klets wat klonk als een tik op een blote huid. Hierna zag ik dat de hand weer in beeld kwam.

Ik zag dat de hand van de bestuurder, tijdens dat hij dit zei weer in de richting van het been van het meisje bewoog. Ik zag dat dit ongeveer 2 seconden was. Ik hoorde tijdens deze ongeveer 2 seconden 2 keer een klets wat klonk als een tik op een blote huid. Hierna zag ik dat de hand weer in beeld kwam.

Ik zag dat de hand van de bestuurder, tijdens dat hij dit zei weer in de richting van het been van het meisje bewoog. Ik zag dat dit ongeveer 5 seconden was. Ik hoorde tijdens deze ongeveer 5 seconden een klets wat klonk als een tik op een blote huid. Hierna zag ik dat de hand weer in beeld kwam.

Bewijsoverwegingen

Gezien het voorgaande kan worden vastgesteld dat verdachte seksuele handelingen heeft verricht, door met zijn hand een bovenbeen van aangeefster te betasten.

De rechtbank heeft op grond van de inhoud van de opgenomen bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat de door verdachte gepleegde handelingen op een seksuele beleving gerichte aanrakingen betroffen, terwijl hij wist dat bij aangeefster de wil daartoe ontbrak.

De rechtbank acht in dat kader de navolgende feiten en omstandigheden relevant. Tijdens de gehele autorit is aangeefster als passagier in de bijrijdersstoel in de veronderstelling geweest dat verdachte in de hoedanigheid van taxibestuurder optrad. Hij was voor haar een onbekende, waarmee sprake was van een ongelijkwaardige verhouding tussen hen. Bovendien heeft verdachte op enig moment gedurende het rijden, terwijl aangeefster behoorlijk onder invloed van alcohol verkeerde, onverhoeds het ontblote bovenbeen van aangeefster aangeraakt door daarop een paar maal horizontaal heen en weer te wrijven. Als reactie op de eerste aanraking door verdachte lijkt aangeefster het door verdachte betaste been van positie te hebben veranderd. Daarna heeft verdachte meerdere malen met zijn hand het bovenbeen van aangeefster geraakt. Verdachte heeft ter zitting beaamd dat hij, door met zijn hand het bovenbeen van aangeefster te aaien/aan te raken, een grens over is gegaan. Deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken dat sprake is van opzetaanranding.

Overigens kan medeverdachte bij deze opzetaanranding op geen enkele manier als medepleger worden aangemerkt. Niet blijkt dat hij actief betrokken is geweest bij de aanranding van aangeefster door het betasten van haar been. Het door medeverdachte verklaarde voelen aan het haar van aangeefster vindt geen ondersteuning in de verklaring van aangeefster of verdachte en ook niet uit enig ander bewijsmiddel.

Verder is niet gebleken dat de opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiaire feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 19 april 2026 te Groningen met een persoon, te weten [slachtoffer] , seksuele handelingen heeft verricht, te weten door

- met zijn hand een bovenbeen van die [slachtoffer] te betasten

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

opzetaanranding.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van honderd uren, waarvan twintig uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de duur van het reeds ondergane voorarrest. Aan het voorwaardelijk deel dient een contactverbod met aangeefster als bijzondere voorwaarde te worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, verzocht bij een op te leggen onvoorwaardelijke straf aan te sluiten bij de periode die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 juli 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Aard en ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding. In de nacht van 19 april 2026 heeft hij zich voorgedaan als taxibestuurder en het slachtoffer na afloop van een studentenfeest in zijn auto meegenomen. Op dat moment was het slachtoffer onder invloed van alcohol. Tijdens de autorit heeft verdachte het slachtoffer tegen haar wil in meerdere keren op haar bovenbeen betast.

Daarmee heeft hij niet alleen inbreuk op haar lichamelijke integriteit gemaakt, maar ook op grove wijze haar vertrouwen geschaad. Zij had er als passagier vanuit mogen gaan dat zij veilig zou worden thuisgebracht zonder met grensoverschrijdend gedrag te worden geconfronteerd. Bovendien heeft verdachte zich niet bekommerd om de kwetsbare positie en de niet nuchtere toestand waarin het slachtoffer zich bevond, maar enkel oog gehad voor zijn eigen lustgevoelens.

Op zitting is gebleken dat het incident nog steeds een behoorlijke impact op het slachtoffer heeft, nu zij als gevolg hiervan onder meer stressklachten ondervindt.

De rechtbank neemt verdachte dit alles kwalijk.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies gedateerd op 16 juni 2026. Daaruit volgt dat verdachte zijn leven op orde lijkt te hebben en beschikt over een netwerk dat hem steunt. Op basis van de gecombineerde risicotaxatie-instrumenten wordt het recidiverisico als matig tot

laag ingeschat. Een toezicht en interventies met bijzondere voorwaarden worden niet nodig geacht. Gelet op het delict wordt wel een contactverbod wenselijk gevonden.

Motivering strafoplegging

Alles afwegende acht de rechtbank het opleggen van een taakstraf van honderd uren passend en geboden. Hierop zal de duur van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering worden gebracht, waardoor de taakstraf de facto al volledig is tenuitvoergelegd. Gelet daarop ziet de rechtbank geen meerwaarde in de oplegging van een voorwaardelijk strafdeel. In het verlengde daarvan is er ook geen noodzaak tot oplegging van een contactverbod, waarbij in het bijzonder wordt meegewogen dat het slachtoffer een willekeurig persoon betreft.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt met ingang van heden opgeheven.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 9.242,72 ter vergoeding van materiële schade en 4.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij met betrekking tot de door haar gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Voor wat betreft de gestelde immateriële schade ligt toewijzing van een deel hiervan in de rede, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsvrouw verzocht, gelet op de bepleitte vrijspraak, benadeelde partij nietontvankelijk in de gehele vordering te verklaren.

Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit de materiële schadeposten aangaande de jurk en reiskosten af te wijzen en de post die ziet op de studievertraging af te wijzen dan wel nietontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de gevraagde immateriële schadevergoeding is aangevoerd dat dat bedrag naar evenredigheid dient te worden gematigd.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Naar het oordeel van de rechtbank komen de gevorderde materiële schadeposten betreffende de jurk (ten bedrage van 40,-), studievertraging (ten bedrage van 9.175,-) en reiskosten naar de zedenpolitie, slachtofferhulp en het openbaar ministerie (een totaalbedrag van 27,72) niet voor toewijzing in aanmerking.

Ten aanzien van de eerste schadepost is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van rechtstreekse schade die door de benadeelde partij is geleden, aangezien het kledingstuk van een vriendin was geleend.

Voor wat betreft de studievertraging is onduidelijk in hoeverre er daadwerkelijk sprake is van studievertraging en, zo ja, in hoeverre deze studievertraging in causaal verband staat tot de bewezenverklaarde opzetaanranding.

Voor wat betreft de opgevoerde reiskosten in verband met bezoeken aan de zedenpolitie, slachtofferhulp en het openbaar ministerie, geldt dat deze kosten niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en zijn ook niet toewijsbaar als proceskosten op grond van de toe te passen civiele proceskostenregeling. Zij worden in die regeling immers niet genoemd.

De rechtbank zal daarom de vordering van benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade afwijzen voor zover het betreft de kosten van de jurk en de reiskosten en niet-ontvankelijk verklaren voor zover het betreft de gevorderde schade als gevolg van opgelopen studievertraging, dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de subsidiair bewezenverklaarde opzetaanranding. De aard en ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde brengen mee dat sprake is van een persoonsaantasting.

De rechtbank heeft voor de hoogte van het schadebedrag aansluiting gezocht bij een in het schade-onderbouwingsformulier vergelijkbare aangehaalde uitspraak (aangerand door taxichauffeur, twee maal in bil geknepen) en het smartengeldbedrag genoemd binnen de bandbreedte (in de categorie 15.13 aanranding (art. 246 Sr oud) onder (b) ernstig van 1.000,- tot 5.000,-) van de Rotterdamse Schaal.

Daarbij is door de rechtbank meegewogen dat benadeelde in de nachtelijke uren is betast door de persoon die zich voordeed als taxichauffeur, terwijl zij in een rijdende auto zat en geen kant op kon.

Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de schade op 1.500,-. De rechtbank zal het immateriële gedeelte van de vordering van benadeelde partij tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 april 2026, en voor het overige deel afwijzen.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 241 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 100 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij, subsidiaire feit:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:

Verklaart de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk voor zover het betreft de gevorderde schade als gevolg van opgelopen studievertraging. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wijst de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] voor wat betreft de overige immateriële schade en de overige materiële schade af.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.500,- (zegge: duizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 15 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.L. Wolters, voorzitter, mr. H.H. Kielman en mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. M. Huiskamp, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 oktober 2026.

Mr. T.M.L. Wolters is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. T.M.L. Wolters
  • mr. H.H. Kielman
  • mr. T.R. Bosker

Griffier

  • mr. M. Huiskamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand