RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Leeuwarden
Zaaknummer: C/18/251513 / JE RK 26-37
Datum uitspraak: 30 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen de GI (Gecertificeerde Instelling),
wonende in Leeuwarden,
over
[Naam] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[Naam] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[Naam] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S.M. Carabain-Klomp uit IJhorst.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 8 januari 2026;
- het bericht van mr. Carabain-Klomp met bijlage, ontvangen op 29 januari 2026. Met als bijlage het eerste hulpverleningsplan (bekend bij de GI). De andere bijlage van [naam hulpverleningsinstantie] is teruggetrokken door de moeder. De derde bijlage heeft de kinderrechter buiten beschouwing gelaten, omdat deze te laat is ingediend en de GI deze brief niet kende.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- [naam] en [naam] , namens de GI.
Daarnaast is [naam] , de begeleider van de moeder van [naam hulpverleningsinstantie] , bij de zitting aanwezig geweest.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben twee broertje en twee zusjes.
Bij beschikking van 22 augustus 2025 zijn alle zes kinderen van de moeder onder toezicht gesteld van de GI tot 22 augustus 2026. Bij diezelfde beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 22 februari 2026.
[Naam] heeft in september 2025 de samenwerking met het pleeggezin waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verbleven stopgezet. Zij verbleven daar (eerst in vrijwillig kader) vanaf 4 december 2024.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op 3 november 2025 overgeplaatst naar Gezinshuis [naam] in [plaats] .
3. Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte accommodatie te verlenen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI voert daartoe, samengevat, het volgende aan.
Inmiddels zijn er voor de moeder verschillende vormen van hulpverlening ingezet. De moeder krijgt vanuit [naam hulpverleningsinstantie] ondersteuning bij haar opvoedvaardigheden, praktische ondersteuning van [naam hulpverleningsinstantie] en zij start binnenkort met traumatherapie bij [naam hulpverleningsinstantie] . De komende periode moet duidelijk worden of de moeder, met de inzet van de genoemde hulpverlening, in staat is de zorg voor de andere vier (thuiswonende) kinderen te dragen. Aan de hand daarvan zal het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten worden bepaald. Omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in november zijn overgeplaatst van een pleeggezin naar Gezinshuis [naam] , waarvoor een andere machtiging nodig is, verzoekt de GI een nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte accommodatie te verlenen.
Ter zitting heeft de GI toegelicht dat de vaste jeugdbeschermers beiden (naar verwachting) langdurig afwezig zijn, waardoor de regie vanuit de GI ontbreekt. De aanwezige vertegenwoordigers van de GI hebben aangegeven beperkt op de hoogte te zijn van de situatie en geschrokken te zijn van de door de moeder geschetste zorgen. De GI staat daarmee voor een moeilijke keuze, om het verzoek al dan niet te handhaven, omdat onduidelijk is of de veiligheid van de kinderen in het huidige gezinshuis voldoende kan worden gewaarborgd. Tegelijkertijd maakt de GI zich ook zorgen over een directe terugplaatsing van de kinderen bij de moeder vanwege haar beperkte draagkracht en draaglast. De aanwezige jeugdbeschermers hebben toegezegd de casus per direct over te nemen en - afhankelijk van de beslissing van de kinderrechter - Ambulante Spoedhulp in te zetten, dat kan zowel in het gezinshuis als bij de moeder thuis. Daarbij vindt de GI het wel belangrijk dat de bij beschikking van 22 augustus 2025 verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg van kracht blijft, zodat snel kan worden geschakeld als dat nodig is, bijvoorbeeld wanneer de kinderen (tijdelijk) terug naar het vorige pleeggezin zouden kunnen.
4. Het standpunt van de moeder
Door en namens de moeder is, samengevat weergegeven, het volgende naar voren gebracht. De moeder stelt dat de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet op een goede plek zitten in het huidige gezinshuis en maakt zich ernstige zorgen over de situatie daar. Deze zorgen zijn versterkt na een gesprek met de gezinshuismoeder, waarbij ook de begeleider van de moeder van [naam hulpverleningsinstantie] aanwezig was. Zo vertelde de gezinshuismoeder dat de William Schrikker Stichting BSN nummers van kinderen kan wijzigen en zo de kinderen in het pedofielennetwerk krijgt. Ook zou jeugdzorg kinderen misbruiken. Daarnaast zou de gezinshuismoeder veroordeeld zijn voor de ontvoering van een kind dat in het gezinshuis verbleef en vertelde zij dat zij eerder verslaafd was aan crack. Ook vertelde de gezinshuismoeder dat ze een pleegkind had laten vastbinden in de taxi. Het valt de moeder op dat de gezinshuismoeder zich professioneel opstelt wanneer de instanties erbij zijn, maar als die weg zijn is zij een heel ander persoon. De moeder heeft de school van [minderjarige 1] gebeld en gehoord dat ze regelmatig te laat komt. De moeder heeft haar zorgen meermaals bij de betrokken jeugdbeschermers neergelegd en hierover een klacht ingediend, maar daar is volgens de moeder niks mee gedaan. De moeder is daardoor het vertrouwen in de huidige jeugdbeschermers kwijtgeraakt. De moeder wil dat de kinderen zo snel mogelijk uit het gezinshuis worden gehaald. Tegelijkertijd geeft de moeder ook aan dat een directe terugplaatsing van de kinderen bij haar mogelijk te zwaar zal zijn, nu de zorg voor de vier andere kinderen al veel van haar vraagt. De moeder staat open voor een terugplaatsing met passende hulp en ontlasting, zoals spoedhulp in de thuissituatie, de BSO, peuterspeelzaal en ondersteuning in de weekenden, eventueel met de inzet van het eerdere pleeggezin, waarvoor volgens de moeder de financiering inmiddels geregeld kan worden.
5. De beoordeling
De machtiging tot uithuisplaatsing
De kinderrechter wijst het verzoek van de GI af en overweegt hiertoe als volgt.
Op grond van artikel 1:265b Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI op haar verzoek machtigen de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen.
De kinderrechter stelt ten eerste vast dat de overplaatsing van de meisjes naar het gezinshuis zonder daartoe benodigde machtiging tot uithuisplaatsing heeft plaatsgevonden. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven al bijna drie maanden in het gezinshuis, wat een gezinsgerichte accommodatie is en geen pleeggezin. De GI heeft niet kunnen uitleggen waarom pas na twee maanden een verzoek is ingediend met het doel om dit verblijf te legaliseren. Ook is niet onderbouwd waarom de meisjes niet naar een ander pleeggezin zijn gegaan onder de lopende machtiging. Daarbij komt dat pleegzorg de voorliggende voorziening is en niet is gebleken dat de problematiek van de meisjes maakt dat zij niet in een pleeggezin kunnen verblijven.
Dit alleen vormt al voldoende reden om het verzoek af te wijzen. Daarbij komt nog dat de moeder forse zorgen heeft geuit over de gezinshuismoeder. De heer [naam] (ambulant begeleider van de moeder) heeft ter zitting de juistheid van de zorgelijke uitspraken die de gezinshuismoeder in zijn bijzijn heeft gedaan bevestigd. De GI heeft op de zitting niet voldoende uit kunnen leggen welke acties zij heeft ondernomen na de door de moeder geuite zorgen. Ook heeft de GI geen verklaring gegeven voor de toegenomen zorgen over het gedrag van met name [minderjarige 1] . De kinderen hebben bijna een jaar in het crisispleeggezin gewoond en ontwikkelden zich daar positief. Ook de opvang zag toen een positieve ontwikkeling bij de kinderen. [minderjarige 1] liet op de opvang een normale cognitieve ontwikkeling zien; wel moesten haar duidelijke grenzen worden geboden. Zorgelijk is dat de huidige school aangeeft dat ze niet hele dagen naar school kan, omdat zij het lastig vindt zich aan de regels te houden. Onduidelijk is gebleven, waardoor dit wordt veroorzaakt. Opvallend is dat zij hiervoor bij de pleegouders ‘gewoon’ naar de opvang kon gaan. Zoals ter zitting is besproken, is de kinderrechter ambtshalve ook bekend met de uitspraak van deze rechtbank van 6 november 2025, waaruit blijkt dat de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering ook zorgen heeft geuit over dit gezinshuis. Dit in combinatie met de toegenomen zorgen over de meisjes maakt ook dat de kinderrechter geen machtiging verleend waarmee de meisjes in dit gezinshuis kunnen worden geplaatst.
Op de zitting is besproken dat de GI gaat bezien of de meisjes met ASH, extra opvang en deeltijdpleegzorg bij de moeder kunnen verblijven. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg loopt nog tot 22 februari 2026. Ook wordt onderzocht of zij opnieuw (deels) in het voormalige pleeggezin kunnen verblijven. De kinderrechter verwacht dat de GI dit met grote spoed gaat regelen. Onbegrijpelijk is bovendien waarom de ontlasting van de moeder nog niet is geregeld, terwijl de kinderrechter in augustus 2025 al heeft geoordeeld dat dit snel moet gebeuren.
De benoeming van de bijzondere curator
De kinderrechter ziet aanleiding om ambtshalve een bijzondere curator over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te benoemen. Dit is op de zitting besproken en de GI en de moeder stemmen hier mee in. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
Op grond van artikel 1:250 van het BW kan de kinderrechter een bijzondere curator benoemen om een minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De kinderrechter kan dit doen als, in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding of het vermogen van een minderjarige, de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders of voogd(en) in strijd zijn met die van de minderjarige. De kinderrechter moet beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen.
De kinderrechter is van oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in genoemd artikel en dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is om
ambtshalve een bijzondere curator te benoemen. De kinderrechter overweegt dat de belangenstrijd is gelegen in de zorgen over of de GI de belangen van de kinderen voldoende behartigt. Daarnaast is het de vraag of het in het belang van de minderjarigen is dat zij thuis (gaan/blijven) wonen. De moeder is eerlijk geweest over haar beperkte draagkracht voor de opvoeding van zes kinderen, helemaal nu zij binnenkort gaat starten met traumabehandeling. Duidelijk is dat er veel ondersteuning, opvang en (deeltijd)pleezorg nodig is, wanneer [minderjarige 1] en [minderjarige 2] thuis gaan wonen. De bijzondere curator kan hierover adviseren en het belang van de meisjes in het oog houden.
Mevrouw mr. M.R. Rauwerda, advocaat, kantoorhoudende te Leeuwarden, heeft zich bereid verklaard de taak van bijzondere curator op zich te nemen en zal hiertoe door de kinderrechter worden benoemd.
De bijzondere curator krijgt de opdracht om de belangen van de minderjarigen te behartigen. Zij dient te onderzoeken of het belang van de minderjarigen wordt gediend met een (voortzetting van de) thuisplaatsing bij de moeder en zo ja welke mate van ondersteuning door middel van pleegzorg aangewezen is. Zij kan ook adviseren over of het belang van de minderjarigen gediend is met het instellen van een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming en of er (meer) hulpverlening nodig is voor de meisjes. De bijzondere curator wordt verzocht gesprekken te voeren met de moeder, de hulpverlening, de GI, de school/opvang voor zover dit nodig is om haar taak te vervullen. Het staat de bijzondere curator vrij het onderzoek in te richten zoals haar dat in het belang van de minderjarigen lijkt. Voor het uitvoeren van de opdracht is het noodzakelijk dat de moeder/GI meewerken aan het onderzoek van de bijzondere curator. Als zij niet meewerken, kan het gebeuren dat de rechter daaruit conclusies trekt die ongunstiger zijn dan wanneer zij wel hadden meegewerkt. Voorts verzoekt de rechtbank de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 BW in acht te nemen.
De bijzondere curator wordt benoemd over meerdere minderjarigen. Het is zeer waarschijnlijk dat ten aanzien van ieder kind verschillende rechtsbelangen spelen, waarmee de bijzondere curator rekening dient te houden. Zo is onder meer de problematiek van de minderjarigen verschillend.
Tegen de beslissing tot benoeming van een bijzondere curator kan hoger beroep worden ingesteld. De kinderrechter zal dit deel van de beslissing daarom uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing direct geldt. Dit is belangrijk omdat de bijzondere curator snel aan het werk moet.
Zoals op de zitting is besproken, zal de kinderrechter de zaak verwijzen naar de zitting van de kinderrechter op 18 februari 2026 om 11.30 uur. De kinderrechter verzoekt de bijzondere curator uiterlijk 16 februari 2026 een beknopt verslag van haar bevindingen over te leggen. Ook de GI wordt opgedragen een actuele stand van zaken in te dienen. De kinderrechter verzoekt de GI wanneer zij een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de minderjarigen in wenst te dienen, het zo spoedig mogelijk te doen, zodat dit verzoek ook op de hiervoor genoemde zitting kan worden besproken.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af;
benoemt ambtshalve met ingang van heden tot bijzondere curator over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] :
mr. M.R. Rauwerda, kantoorhoudende te Leeuwarden, aan de Balthasar Bekkerwei 104, (8914 BE), telefoonnummer: 058-2991131;
verklaart de beslissing onder 6.2 uitvoer bij voorraad;
bepaalt dat de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking en de
processtukken aan de bijzondere curator zal toezenden;
verzoekt de bijzondere curator onderzoek te doen en beknopt schriftelijk verslag uit te brengen van haar bevindingen aan de kinderrechter, waarbij de in de rechtsoverweging 5.10 omschreven vragen worden beantwoord, uiterlijk op 16 februari 2026;
draagt de GI op uiterlijk 16 februari 2026 een actuele stand van zaken in te dienen;
draagt de griffier op en afschrift van de beschikking te zenden aan de bijzondere curator;
houdt de behandeling aan tot de zitting op 18 februari 2026 om 11.30 uur.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026 door
mr. J. Teertstra, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. B. Kuik als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 6 februari 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.