RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
Nationaal Coördinator Groningen, de NCG
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4713
(gemachtigde: mr. J.F. Koenders),
en
(gemachtigde: mrs. R.M. Don en G.H. Poort-van Drempt).
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag bij het Loket Opname op Verzoek (LOOV) van de NCG, voor een beoordeling van zijn woning in verband met mogelijke versterking. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de NCG terecht heeft geoordeeld dat de woning van eiser niet in aanmerking komt voor een beoordeling binnen het versterkingsprogramma. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft zijn aanvraag ingediend op 29 november 2022. De NCG heeft deze aanvraag met het besluit van 21 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is de NCG bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De NCG heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Op 8 januari 2026 heeft eiser een bevindingenverslag van de Commissie Bijzondere Situaties (CBS) ingebracht.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn partner, de gemachtigde van eiser, deskundige J. Tiel Groenestege van TGBouwadvies, en namens de NCG de gemachtigden van de NCG en deskundige R. Kamer.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is eigenaar van de in 1918 gebouwde vrijstaande woning aan de
[adres], te [woonplaats].
De woning heeft geen (licht) verhoogd risico bij aardbevingen, waardoor de woning niet is opgenomen in het versterkingsprogramma van de NCG.
Eiser heeft een aanvraag ingediend bij het LOOV om alsnog in aanmerking te komen voor opname in het versterkingsprogramma. Naar aanleiding van zijn aanvraag, heeft een deskundige van W2N Groningen b.v. op 8 augustus 2022 een opname van de woning uitgevoerd.
Op 8 december 2022 heeft eiser een melding gemaakt van een acuut onveilige situatie (AOS) bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen (Instituut). Een deskundige van W2N, heeft de AOS-melding -na een inspectie ter plaatse- gegrond verklaard. In het inspectieverslag staat:
‘De gemetselde kolom in de rechter voorhoek van de woning is gebroken en dermate vervormd dat niet uit te sluiten is dat deze gaat bezwijken, waardoor ook een deel van het dak zijn ondersteuning verliest. De situatie is constructief onveilig.’
De gemetselde kolom is vervolgens gespalkt.
Op 15 augustus 2023 heeft W2N een adviesrapport (Expert Opinion) uitgebracht naar aanleiding van de opname in het kader van de LOOV-aanvraag. W2N heeft de NCG geadviseerd om geen verder onderzoek uit te voeren naar de woning.
Met het primaire besluit van 21 november 2023 is de aanvraag van eiser in het kader van LOOV afgewezen. Dit betekent dat de woning niet in aanmerking komt voor een beoordeling binnen het versterkingsprogramma.
Eiser heeft op 14 december 2023 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Eiser heeft zijn bezwaarschrift voorzien van een contra-expertiserapport door deskundige
J. Tiel Groenestege van TGBouwadvies. Deze concludeert het volgende.
‘De bevindingen wijzen op aanzienlijke verzakkingen en structurele schade aan de woning, met duidelijke visuele tekenen zoals scheuren en scheefstand in zowel de gevels als vloeren. Daarnaast zijn er grote scheuren en kieren zichtbaar in de zijgevels, veroorzaakt door verzakking, wat de woning kwetsbaar maakt voor wind, water en ongedierte. De keuken- en woonkamer vloeren hellen in tegengestelde richtingen, en er is aanzienlijke schade aan het metselwerk door verzakking. Het risico op leidingbreuk bij de invoerput van de nutsvoorzieningen achter de voordeur is hoog, wat gevaarlijk is. De ernst en samenhang van de schades worden echter onvoldoende belicht in het rapport, ondanks dat er grote spanningsverschillen en sterk verminderde constructieve samenhang zijn. De tijdelijke maatregelen zijn onvoldoende en de structurele integriteit van de woning is ernstig aangetast. Ondanks de lage seismiciteit, is de woning door de bestaande schades niet bestand tegen toekomstige aardbevingen, en er is dringend een structurele oplossing nodig. Het advies om zelf onderzoek te laten verrichten, komt over als: er is iets aan de hand, maar u hoeft niet bij mij te zijn.’
Op 26 januari 2024 heeft de CBS een locatiebezoek gebracht aan de woning van eiser. In de daaropvolgende aanbeveling van 7 februari 2024 adviseert de CBS om het deskundigenadvies te heroverwegen en de woning op te nemen in het versterkingsprogramma.
Naar aanleiding van het contra-expertiserapport van TGBouwadvies en de aanbeveling van de CBS heeft de NCG een aantal vragen voorgelegd aan W2N, die zijn beantwoord op 27 augustus 2024. TGBouwadvies heeft hier op 11 september 2024 op gereageerd. Eiser heeft afgezien van een hoorzitting.
Op 15 oktober 2024 heeft de NCG het bezwaar ongegrond verklaard.
Bevindingenverslag CBS
4. Op 12 november 2025 heeft een locatiebezoek plaatsgevonden op initiatief van de CBS. Het bezoek had onder andere als doel om de huidige staat van de woning vast te stellen en de herstelmogelijkheden te bepalen. Hierbij waren onder andere deskundige
J. Tiel Groenestege, bouwkundig adviseur B. Jeurissen van de NCG, constructeur H. Wijbenga en bouwkundig adviseur J. Buitenwerf van de CBS aanwezig. In het door eiser ingebrachte bevindingenverslag van 12 december 2025 -dat in gezamenlijkheid van de deskundigen van de CBS en de NCG is vastgesteld- is het volgende opgenomen.
‘Op basis van de constructieve beoordeling kan worden geconcludeerd dat de woning, inclusief fundering, niet langer in herstelbare staat verkeert. De funderingsopbouw is niet onderzocht en er zijn geen grondboringen uitgevoerd. Evenmin is er destructief onderzoek verricht naar de aansluiting van de kapconstructie op de vloer en de wanden. Dit zou mogelijk een beter inzicht geven in de oorzaken van de schade. Desondanks verandert dit niets aan de conclusie dat herstel noodzakelijk is. De kosten van een dergelijk herstel zullen echter dusdanig hoog zijn dat sloop en nieuwbouw de enige realistische optie is. Voor de aanbouw is nader onderzoek vereist om te bepalen of het behoud daarvan mogelijk is.
(…)
Voor de situatie aan de [adres] betekent dit dat windbelasting maatgevender is dan aardbevingsbelasting. Hoewel verdere schade door voortschrijdende zettingen niet kan worden uitgesloten, is een constructief bezwijken als gevolg van aardbevingsbelasting niet aan de orde. Binnen de near-collapse-criteria zijn hierdoor geen versterkingsmaatregelen te definiëren die het pand aardbevingsbestendig zouden kunnen maken.
Er is wel sprake van verzwakte constructieonderdelen. Het Advies Comité Versterking Gebouwen adviseert om bij grondversnellingen groter dan 0,14g (T5:2475 jaar) extra aandacht te besteden aan dergelijke verzwakkingen. Deze situatie doet zich hier niet voor. De woning valt bovendien buiten de primaire versterkingsscope. Er is daarmee geen aanleiding om op basis van de seismische effecten aanvullende maatregelen te treffen.’
Toetsingskader
5. In de Tijdelijke wet Groningen (TwG) staat dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties wettelijk verantwoordelijk is voor het treffen van versterkingsmaatregelen om te voorkomen dat de veiligheid als gevolg van de gaswinning uit het Groningerveld wordt geschaad. Vanaf 1 januari 2020 is de NCG als uitvoeringsorganisatie belast met de beoordeling of gebouwen voldoen aan de veiligheidsnorm. De werkwijze die de NCG bij deze beoordeling hanteert, komt samengevat op het volgende neer.
Op basis van een computermodel, de Publieke Seismische Dreigings- en Risicoanalyse (SDRA-model), wordt door de TNO berekend of gebouwen voldoen aan de veiligheidsnorm. Die veiligheidsnorm, ook wel de Meijdam-norm genoemd, houdt in dat ieder persoon per jaar maximaal een kans van 1 op 100.000 mag hebben om bij een aardbeving te overlijden door het instorten van een (deel van het) gebouw, of afbrokkeling van onderdelen daarvan. Of naar verwachting aan de veiligheidsnorm wordt voldaan, wordt berekend aan de hand van de kans dat een beving met een bepaalde sterkte optreedt, de effecten die zo’n beving op het aardoppervlak heeft en de belastbaarheid van de gebouwen in het effectgebied. Aan de hand daarvan wordt aan elk gebouw een risicoprofiel gekoppeld. Indien een gebouw volgens het SDRA-model een normaal risicoprofiel heeft, wordt het gebouw niet beoordeeld binnen het versterkingsprogramma.
Vanaf 2 maart 2020 is het LOOV van de NCG geopend. Woningeigenaren die zich zorgen maken over de veiligheid van hun woning kunnen een opname aanvragen. Deze mogelijkheid is specifiek bedoeld voor woningen die niet zijn opgenomen in het versterkingsprogramma van de NCG, maar wel in een van de aardbevingsgemeenten staan. Als een aanvraag voldoet aan de voorwaarden, vraagt de NCG een deskundige om te onderzoeken of er aanleiding is om de woning te beoordelen binnen het versterkingsprogramma. Omdat de verwachting op basis van het SDRA-model is dat deze woningen voldoen aan de veiligheidsnorm, beperkt het onderzoek zich tot het in kaart brengen van afwijkingen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie van de woning. Het kan dan gaan om verbouwingen, verzakkingen en schades. Het onderzoek vindt plaats door een bureaustudie en een opname op locatie. Vervolgens wordt beoordeeld of deze afwijkingen in relatie tot de op locatie te verwachten seismiciteit een zodanige invloed hebben op de seismische capaciteit, dat nader onderzoek nodig is. Als dat het geval is, voegt de betreffende gemeente het adres van de woning toe aan het (jaarlijks op te stellen) plan van aanpak, waarin staat welke woningen dat jaar moeten worden onderzocht.Als dit niet het geval is wordt het gebouw niet verder beoordeeld binnen het versterkingsprogramma.
Beoordeling staat van de woning
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. In het deskundigenrapport van W2N zijn de afwijkingen van de woning en de invloed daarvan op de seismische capaciteit namelijk niet juist beoordeeld. De ernst en de samenhang van de schades komen hierin onvoldoende naar voren. De door de NCG gestelde vragen in de bezwaarprocedure, zijn door W2N niet-, of onvoldoende beantwoord. Hiertegenover staat dat drie deskundigen een ander en veel ernstiger beeld van de staat van de woning hebben gegeven. Eiser verwijst daarmee naar het contra-expertiserapport van TGBouwadvies, de aanbeveling van de CBS op 7 februari 2024 en het bevindingenverslag van de CBS van 12 december 2025. In dit laatste verslag wordt geconstateerd dat de woning niet langer in herstelbare toestand verkeerd en wordt erkend dat schade aan de woning kan worden toegeschreven aan seismische belasting.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de staat van de woning niet juist is beoordeeld en dat het bestreden besluit daarom onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. De deskundige van W2N heeft een bureaustudie gedaan, de woning tijdens een locatiebezoek bekeken en vervolgens een deskundigenadvies opgesteld. Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan in principe van een deskundigenadvies uitgaan, als dit inzichtelijk en begrijpelijk is. Uit het deskundigenrapport blijkt dat de aanwezige schades, verzwakkingen en verzakkingen zijn meegenomen door de deskundige. Dit geldt ook voor de gegronde AOS-melding. Daarbij is door de deskundige toegelicht waarom deze afwijkingen niet zodanig zijn dat zij aanleiding vormen om de woning van eiser verder te beoordelen. Zo heeft hij met betrekking tot de schades aangegeven dat deze niet van invloed zijn op de seismische capaciteit, vanwege ofwel het feit dat ze zich niet in dragende muren bevinden, ofwel de geringe omvang. Van de verzakkingen is geconstateerd dat deze binnen de grenswaarden vallen. Hiermee is inzichtelijk geworden hoe W2N tot het advies is gekomen en dit advies is niet onbegrijpelijk. Naar aanleiding van het contra-expertiserapport is opnieuw naar de afwijkingen gekeken en heeft W2N hierover vragen van de NCG beantwoord, waarbij de deskundige van W2N bij zijn eerdere conclusie is gebleven. Naar het oordeel van de rechtbank is de invloed van de afwijkingen op de seismische capaciteit van de woning afdoende beoordeeld.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Lage seismiciteit
7. Daarnaast stelt eiser dat de NCG zich bij de beoordeling ten onrechte lijkt te beperken op de vraag of de seismiciteit ter plekke van de woning buiten de PGA-contour (Peak Ground Acceleration) van 0,05g valt. De PGA-waarde in het geval van eiser is 0,026g. Eiser merkt echter op dat in paragraaf 3.2.1. van de Nederlandse Praktijkrichtlijn (NPR) 9998:2020 wordt vermeld dat belastingen kleiner dan de drempelwaarde, schade niet noodzakelijkerwijs voorkomen. Bovendien is in het contra-expertiserapport opgemerkt dat iedere aardbeving net het zetje voor instorting kan zijn. Daarnaast is het, zoals de NCG stelt, helemaal niet gezegd dat met het sluiten van het Groningenveld de kracht van de aardbevingen af zullen nemen. Daarom kan -rekening houdend met de constructieve staat en de NPR 9998:2020- niet geconcludeerd worden dat de woning van eiser een normaal risicoprofiel heeft en deze derhalve niet voor versterking in aanmerking komt.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De NCG heeft als taak het versterken van woningen in die mate, dat wordt voldaan aan de veiligheidsnorm. In het aardbevingsgebied betekent dit dat iedereen voldoende tijd moet hebben om de woning bij een zware aardbeving veilig te kunnen verlaten. Volgens vaste rechtspraak mag de NCG deze gekozen veiligheidsnorm hanteren. Dit geldt ook voor de SDRA-methode om te berekenen of aan de veiligheidsnorm wordt voldaan. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om niet van deze jurisprudentie te kunnen uitgaan. De PGA-waarde in het geval van eiser (0,026g) komt niet boven de drempelwaarde van 0,05g uit, wat in beginsel betekent dat de woning voldoet aan de veiligheidsnorm. In het kader van de LOOV-aanvraag is gekeken of de afwijkingen van de woning de seismische capaciteit in die mate zouden kunnen beïnvloeden, dat niet meer wordt voldaan aan de veiligheidsnorm. Dat is niet het geval. De beoordeling heeft zich dus niet, zoals eiser stelt, enkel beperkt tot de seismiciteit. Het is ook niet de taak van de NCG om de woning zodanig te versterken dat toekomstige schades aan de woning worden voorkomen. De NCG heeft op basis van de beschikbare informatie -afkomstig van de nieuwste wetenschappelijke inzichten en het uitgevoerde onderzoek naar de specifieke situatie van de woning - de conclusie mogen trekken dat de woning een normaal risicoprofiel heeft en daarom niet voor versterking in aanmerking komt.
Wat hiervoor is gezegd en geoordeeld door de rechtbank doet overigens niets af aan het feit dat er wel degelijk iets aan de hand is met de woning. Dit blijkt ook uit het bevindingenverslag van de CBS van 12 december 2025, waarin staat dat de woning niet meer in herstelbare staat verkeert en sloop en nieuwbouw de enige realistische optie is. Uit dit bevindingenverslag blijkt alleen ook dat windbelasting een groter gevaar voor de woning vormt dan aardbevingsbelasting. Bovendien zijn er volgens de deskundigen van de CBS en de NCG geen versterkingsmaatregelen te definiëren die de woning aardbevingsbestendig kunnen maken. Het ligt dus niet op de weg van de NCG om actie te ondernemen.
Ook als er wel versterkingsmaatregelen in relatie tot aardbevingen nodig en mogelijk zouden zijn, dan zouden dit maatregelen zijn die ervoor zorgen dat eiser de woning bij een zware aardbeving tijdig kan verlaten. Het gaat dus niet om maatregelen die aanvullende schade of uiteindelijke instorting van de woning kunnen voorkomen. Voor hetgeen eiser wil bereiken, namelijk sloop en (aardbevingsbestendige) nieuwbouw van de woning, is de NCG niet de aangewezen instantie. Ook het doen van een financiële bijdrage hiertoe, behoort niet tot de mogelijkheden van de NCG.
Ook in hetgeen eiser ter zitting over het toepassen van een ander tijdvak dan T5 naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Schijn van vooringenomenheid?
8. Ten slotte meent eiser dat met het opnieuw inschakelen van W2N in de bezwaarprocedure, de schijn van vooringenomenheid niet is weggenomen.
De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van W2N, enkel vanwege het feit dat in de bezwaarprocedure dezelfde deskundige wordt geraadpleegd die ook in eerste instantie heeft geadviseerd. De NCG heeft laten weten dat de deskundige daarmee in de gelegenheid wordt gesteld om een nadere toelichting te geven op het advies en eventuele onduidelijkheden weg te nemen. Daarbij heeft de NCG erop gewezen dat W2N aan alle (inhoudelijke) eisen voldoet die de NCG aan deskundigen heeft gesteld. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit iets anders zou blijken.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de NCG het bezwaar terecht ongegrond verklaard heeft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Huizenga-Bergsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.