[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats ] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 september 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. I.D. van Wijnen, advocaat te Assen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 19 september 2025 te [plaats] , gemeente Emmen, in ieder geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een boot door open vuur via een stuk stof - in aanraking te brengen met een fles, gevuld met benzine (een zogenaamde molotov cocktail), althans gevuld met een brandbare stof en dit door een open luik van genoemde boot te gooien, althans in en/of op genoemde boot te gooien, ten gevolge waarvan een slaapzak en/of vloerdelen en/of een (deur van een) kastje van genoemde boot gedeeltelijk zijn/is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor de in die boot aanwezige goederen en/of de boot zelf en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer] , in elk geval levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 19 september 2025 te [plaats] , gemeente Emmen, in ieder geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen in/op een boot, terwijl daarvan
hebbende, verdachte en/of zijn mededader(s) open vuur via een stuk stof - in aanraking gebracht met een fles, gevuld met benzine (een zogenaamde molotov cocktail), althans gevuld met een brandbare stof en dit door een open luik van genoemde boot te gooien, althans op en/of in de genoemde boot gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde medeplegen van brandstichting terwijl daarvan gevaar voor goederen en levensgevaar te duchten was tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
De betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde volgt uit de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] en van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij samen met verdachte de molotovcocktail heeft gemaakt, dat zij samen naar aangevers boot zijn gegaan en dat verdachte daar de molotovcocktail naar de boot heeft gegooid. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , die hebben verklaard dat verdachte tegen hen heeft gezegd dat hij verantwoordelijk was voor het gooien van de molotovcocktail. Daarnaast zijn er camerabeelden waarop verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] nabij de boot te zien is.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte betrokken is geweest bij het
ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] en getuigen [getuige 1] en [getuige 2] onbetrouwbaar zijn en dat forensisch bewijs dat in de richting van verdachte wijst, ontbreekt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
De rechtbank stelt voorop dat het dossier een belastende verklaring van medeverdachte [medeverdachte] bevat. [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte ruzie had met aangever, dat verdachte die dag riep dat hij aangevers boot in brand zou steken, dat een molotovcocktail is gemaakt en dat zij samen naar de boot van aangever zijn gegaan, waarna verdachte de molotovcocktail naar aangevers boot heeft gegooid.
De rechtbank is echter van oordeel dat deze verklaring, voor zover daarin verdachte als (mede)dader wordt aangewezen, onvoldoende steun vindt in overige bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte kort na de brandstichting, in het bijzijn van medeverdachte [medeverdachte] en aangever, heeft gezegd dat hij de molotovcocktail in de boot van aangever heeft gegooid. De rechtbank acht deze verklaring echter onvoldoende betrouwbaar om als steunbewijs te kunnen dienen, nu aangever heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat verdachte dit zou hebben gezegd. Indien verdachte een dergelijk delict jegens aangever zou hebben bekend, ligt het niet voor de hand dat aangever zich van dit onderdeel van het gesprek niets zou kunnen herinneren.
Ook de verklaring van getuige [getuige 2] biedt onvoldoende steun aan de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] . [getuige 2] heeft verklaard dat hij van verdachte en van getuige [getuige 1] heeft gehoord dat verdachte verantwoordelijk is voor het gooien van de molotovcocktail. Voor zover deze informatie afkomstig is van getuige [getuige 1] geldt dat de rechtbank dat zij, zoals hiervoor overwogen, getuige [getuige 1] als bron van die wetenschap onvoldoende betrouwbaar acht. Verder heeft verdachte steeds stellig enige betrokkenheid bij het ten laste gelegde ontkend. De rechtbank merkt in het licht van getuige [getuige 2] s verklaring bovendien op dat de verbalisant heeft opgemerkt dat [getuige 2] tijdens dit gesprek zeer onduidelijk sprak en van de hak op de tak sprong. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank ook deze verklaring onvoldoende betrouwbaar om tot het bewijs te kunnen dienen.
In het dossier worden weliswaar camerabeelden beschreven waarop is te zien dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] die nacht rond 01:45 uur in de buurt van de boot van aangever zijn, maar uit het dossier volgt niet duidelijk op welk moment in die nacht de molotovcocktail is gegooid en of de camerabeelden met de brandstichting in verband kunnen worden gebracht. Evenmin is op de beelden te zien dat verdachte of medeverdachte [medeverdachte] op dat moment een molotovcocktail bij zich hebben. Tot slot zijn er geen aanwijzingen uit het forensisch onderzoek waaruit enige betrokkenheid van verdachte blijkt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de medeverdachte over de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.
Omdat er onvoldoende wettig bewijs aanwezig is, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde.
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Faber, voorzitter, mr. H. de Ruijter en mr. R.A. Valk, rechters, bijgestaan door mr. R. de Boer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 oktober 2026.
Mr. H. de Ruijter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.