[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 september 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.H. Wormmeester, advocaat te Emmen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 19 september 2025 te [plaats] , gemeente Emmen, in ieder geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een boot door open vuur - via een stuk stof - in aanraking te brengen met een fles, gevuld met benzine (een zogenaamde molotov cocktail), althans gevuld met een brandbare stof en dit door een open luik van genoemde boot te gooien, althans in en/of op genoemde boot te gooien, ten gevolge waarvan een slaapzak en/of vloerdelen en/of een (deur van een) kastje van genoemde boot gedeeltelijk zijn/is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor de in die boot aanwezige goederen en/of de boot zelf en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer] , in elk geval levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 19 september 2025 te [plaats] , gemeente Emmen, in ieder geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen in/op een boot, terwijl daarvan
hebbende, verdachte en/of zijn mededader(s) open vuur - via een stuk stof - in aanraking gebracht met een fles, gevuld met benzine (een zogenaamde molotov cocktail), althans gevuld met een brandbare stof en dit door een open luik van genoemde boot te gooien, althans op en/of in de genoemde boot gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte] op of omstreeks 19 september 2025 te [plaats] , gemeente Emmen, in ieder geval in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in een boot door open vuur via een stuk stof - in aanraking te brengen met een fles, gevuld met benzine (een zogenaamde molotov cocktail), althans gevuld met een brandbare stof en dit door een open luik van genoemde boot te gooien, althans op en/of in de genoemde boot gegooid, ten gevolge waarvan een slaapzak en/of vloerdelen en/of een (deur van een) kastje van genoemde boot gedeeltelijk zijn/is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor de in die boot aanwezige goederen en/of de boot zelf en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer] , in elk geval levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was,
tot en/of bij het plegen van welk feit verdachte op of omstreeks 19 september 2025 te [plaats] , gemeente Emmen, in ieder geval in Nederland, medeplichtig is geweest door het opzettelijk verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen en/of door opzettelijk behulpzaam te zijn, welke medeplichtigheid, (onder meer) hieruit heeft bestaan dat verdachte:
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte] op of omstreeks 19 september 2025 te [plaats] , gemeente Emmen, in ieder geval in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in een boot door open vuur via een stuk stof - in aanraking te brengen met een fles, gevuld met benzine (een zogenaamde molotov cocktail), althans gevuld met een brandbare stof en dit door een open luik van genoemde boot te gooien, althans op en/of in de genoemde boot gegooid, ten gevolge waarvan een slaapzak en/of vloerdelen en/of een (deur van een) kastje van genoemde boot gedeeltelijk zijn/is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor de in die boot aanwezige goederen en/of de boot zelf en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer] , in elk geval levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was,
tot en/of bij het plegen van welk feit verdachte op of omstreeks 19 september 2025 te [plaats] , gemeente Emmen, in ieder geval in Nederland, medeplichtig is geweest door het opzettelijk verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen en/of door opzettelijk behulpzaam te zijn, welke medeplichtigheid, (onder meer) hieruit heeft bestaan dat verdachte:
Beoordeling van het bewijs
4 Conclusie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van het primair ten laste gelegde medeplegen van brandstichting, het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing en wordt veroordeeld voor de meer subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan brandstichting. De officier van justitie heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Verdachte heeft verklaard dat overdag in de woning door de medeverdachte al werd gesproken over het in brand steken van de boot van aangever, dat hij het stuk stof dat als lont van de molotovcocktail heeft gediend aan de medeverdachte heeft aangegeven of zelf in het bierflesje heeft gestopt en dat hij s nachts vanuit de woning met de medeverdachte is meegegaan naar de boot van aangever, terwijl hij wist dat daarin die molotovcocktail zou worden gegooid. Verdachte is daarmee opzettelijk behulpzaam geweest aan de brandstichting, waarvan gevaar voor goederen en levensgevaar voor aangever te duchten was.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde medeplegen van brandstichting heeft zij zich op gronden zoals vermeld in haar pleitnota op het standpunt gesteld dat een causaal verband tussen het gooien van de molotovcocktail en de ontstane brandschade niet kan worden vastgesteld, onder meer omdat aangever heeft verklaard dat hij dacht dat een brandende kaars de oorzaak van de brand was. Zij heeft ook aangevoerd dat het letsel van aangever niet past bij de brandschade. Daarnaast kan verdachte niet als medepleger worden aangemerkt omdat geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte is weliswaar meegegaan
naar de boot, maar wist niet dat de medeverdachte de molotovcocktail had meegenomen en is niet degene die de molotovcocktail naar de boot heeft gegooid.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 22 september 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 18 september 2025 was ik samen met de medeverdachte in de woning van [getuige] . De medeverdachte had die dag zon heftige ruzie met aangever dat hij zei dat hij aangevers boot in brand zou steken. Het gebruikte bierflesje werd bij de woning gevuld met mengsmering, dat is benzine met motorolie erin. De mengsmerig was afkomstig uit een jerrycan van mij en gebruik ik voor mijn eigen bootje. Later, in de nacht van 18 op 19 september 2025, is besloten om uit die woning te vertrekken. Het was wel duidelijk waar we naartoe gingen, want de ruzie tussen de medeverdachte en aangever escaleerde. We zijn naar de boot van aangever gegaan. Ik zag dat de medeverdachte daar de molotovcocktail tevoorschijn haalde, deze aanstak en vervolgens gooide naar de boot van aangever.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 januari 2026, opgenomen op pagina 268 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025255155 (NN3R025096 / DANTA) d.d. 19 maart 2026, inhoudend als verklaring van verdachte [verdachte] :
V: Weet jij wat [slachtoffer] [de rechtbank begrijpt: aangever] fysieke gesteldheid? A: Hij was gehandicapt aan zijn been en dat kwam door zijn diabetes.
V: [slachtoffer] had dus een kunstbeen en vervoerde zich met een driewieler, klopt dat? A: Ja.
V: Jij gaf aan dat [medeverdachte] [de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] , medeverdachte] een paar keer heeft geroepen dat hij de boot van [slachtoffer] in de brand wilde steken?
A: [medeverdachte] riep dat wel vaker, maar die avond heeft hij dat zeker geroepen.
V: Kun je ons meenemen in hoe het verder gaat, is er een plan gemaakt?
A: Hij, [medeverdachte] is naar buiten gegaan en zei dat hij een leeg flesje bier had gevuld met benzine? Ik hoorde dat [medeverdachte] zei dat hij het ging doen en ben ik met hem mee gegaan.
V: Er is door [getuige] verklaard dat er een doek in was gestopt, reageer eens? A: Ik herinner mij dat wel, volgens mij was dat een rode lap.
V: Wie heeft deze lap in de fles gedaan?
A: Volgens mij heb ik dat gedaan. Ik weet het niet zeker. Of ik heb hem aan [medeverdachte] gegeven. V: Wat was de reden dat jij deze doek aan hem gaf?
A: Ja, geen idee eigenlijk.
V: En als je er nu over na denkt?
A: Ja, om dit in de fles te douwen. Ik besef dat dit een hele dom zet was en snap dat je dan een molotovcocktail maakt.
V: Ik hoorde jou zeggen dat [medeverdachte] zei: “kom we gaan dat ding gooien", reageer eens? A: Ja, dat klopt en daarna zijn wij weggegaan.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 september 2025, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Plaats delict: [adres 2] , binnen de gemeente Emmen.
Gisteravond, 18 september 2025 omstreeks 23:00 uur, ging ik slapen in de boot. Vannacht het was donker en ik werd wakker omdat ik iets voelde branden op mijn borst. Ik zag en merkte dat de nylon slaapzak waaronder ik lag heet was en schroeide. Vanmorgen, 19 september 2025, vond ik een flesje bier van met merk Hertog Jan met in de hals een doek die brand had gevat, in de ruimte waar ik sliep. Dit flesje is dus vannacht door het dakluik naar binnen gegooid en kwam op mijn slaapzak terecht. Ik heb geluk gehad dat het flesje heel bleef anders was er zeker een ontploffing gebeurd en had mijn leven gevaar gelopen. Ik heb een paar kleine brandwondjes aan mijn handen.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict d.d. 15 oktober 2025, opgenomen op pagina 9 e.v. van het forensisch dossier d.d. 21 mei 2026, behorend bij voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op 20 september 2025 werd door mij een bierfles met daarin een doek in ontvangst genomen. Wij zagen dat de doek tot de bodem in de fles stak en dat er een klein deel van de doek uit de flesopening stak. Wij zagen dat het deel doek dat uit de fles stak door brand was aangetast. Ook zagen wij beroeting op de zijkant van de fles. Wij zagen een zwarte substantie op de zijkant van de fles. Mogelijk dat dit gesmolten materiaal was dat is vastgekleefd aan de fles door hitte inwerking. Het is mogelijk dat dit gesmolten materiaal afkomstig was van de slaapzak waar de aangever in sliep. Bij het aansteken van de lont en het kapot gooien van de fles kan de brandstof in de fles ontbranden.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek woning d.d. 20 oktober 2025, opgenomen op pagina 13 e.v. van het forensisch dossier d.d. 21 mei 2026, behorend bij voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Aangever dacht dat hij de slaapzak overboord had gegooid maar bedacht dat dit niet klopte en haalde vervolgens een bigshopper uit een kastje waar een gedeeltelijk verbrande slaapzak in zat. De deur van de boot bevindt zich aan de straatzijde en geeft toegang tot de kajuit van de boot. Dit betreft tevens de enige in- en uitgang van de boot. In de kajuit stond onder andere een propaan gasfles van 5 kilogram.
In de kajuit, voor de ingang naar het vooronder, zag ik dat het tapijt op de grond was aangetast door brand. Bij binnenkomst in het vooronder, zag ik dat op de grond en een kast direct links, zowel het tapijt als een deel van de kast was aangetast door brand. Dit zou volgens aangever de locatie zijn geweest waar de bierfles had gelegen. Ik zag dat de kast was vervaardigd uit hout. Ik zag dat de slaapzak, die ik van aangever had ontvangen, op diverse plekken aangetast was door brand en dat er een gat in zat. Ik zag dat de randen van het gat in de slaapzak waren aangetast door brand en dat het materiaal voornamelijk gesmolten was.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 13 november 2025, opgenomen op pagina 27 e.v. van het forensisch dossier d.d. 21 mei 2026, behorend bij voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Gelet op de verkregen informatie, de aangetroffen situatie en het uitgevoerde forensisch onderzoek ter plaatse kon worden vastgesteld dat de brand op de slaapzak is ontstaan.
Er werd geen aanwijzing verkregen voor een technische en of een elektrische oorzaak. De bedrading op de boot was intact en er waren geen elektrische apparaten in de directe omgeving van de brand aanwezig.
Ook in de slaapzak was geen elektrisch component aanwezig. Op de boot werd een molotovcocktail aangetroffen, welke zichtbaar gebrand had. Doordat de persoon op de boot wakker werd en de slaapzak van zich af heeft gegooid is de brand door een onbekende oorzaak gedoofd (vermoedelijk door de te weinig toevoer van zuurstof). Op de plek waar de slaapzak werd neergegooid, was inbranding op de vloer zichtbaar als gevolgschade van de brand.
GEVAARZETTING
Als de persoon aanwezig op de boot, niet wakker was geworden, had de brand zich verder kunnen ontwikkelen, waarbij grotere schade aan de inboedel en de boot te verwachten was geweest. Er is gebruik
gemaakt van een molotovcocktail, met de ontbrandbare vloeistof motorbenzine. Dit is een snel ontbrandbare vloeistof.
Goederen
In onderhavige casus zijn meerdere goederen door de brand aangetast. Er bestond een mogelijkheid dat de brand zich had kunnen uitbreiden. Er was genoeg brandbaar materiaal op de boot aanwezig om tot een volledig ontwikkelde brand te komen. Er was gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest zoals genoemd in artikel 157 lid 1.
Personen
Het aspect het duchten van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander was van toepassing. Als de brand niet gedoofd was en de persoon niet wakker was geworden, bestond het gevaar dat de persoon, als minder valide, de boot niet tijdig kon verlaten.
7. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.10.046, d.d. 27 oktober 2025, opgemaakt door ing. [deskundige 1] , op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring:
SIN AARZ6505NL - Brandrest; Stukje doek uit bierfles.
SIN AARZ6505NL - In het monster zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine.
8. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.10.046 (aanvraag 004), d.d. 30 maart 2026, opgemaakt door dr. Ing. [deskundige 2] , op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring:
5. Resultaten, interpretatie en conclusie van het onderzoek
Op basis van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek is geconcludeerd dat een deel van het DNA in bemonsteringen AATH7613NL#01 (Binnenzijde stuk stof) en AATH7614NL#01 (Buitenzijde stuk stof) afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte] .
6. Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek
AATH7613NL#01 (Binnenzijde stuk stof)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van vier personen. DNA-mengprofiel AATH7613NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [verdachte] en drie willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van vier willekeurige onbekende personen.
AATH7614NL#01 (Buitenzijde stuk stof)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van vier personen. DNA-mengprofiel AATH7614NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [verdachte] en drie willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van vier willekeurige onbekende personen.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Oorzaak brandschade
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank ten aanzien van het ontstaan van brand het volgende vast.
Aangever heeft verklaard dat hij in de nacht van 19 september 2025 in zijn boot onder een slaapzak lag te slapen en wakker werd omdat hij iets voelde branden op zijn borst. Aangever heeft tevens verklaard dat hij lag te slapen in het woonkamergedeelte van zijn boot, waarvan het dakluik geopend was. Hij voelde dat de slaapzak heet was en zag dat de slaapzak aan het schroeien was. Hij heeft de slaapzak van zich afgegooid en heeft lichte brandverwondingen opgelopen op zijn borst en zijn handen. De ochtend erop trof aangever in de ruimte waar hij sliep een bierflesje met daarin een doek aan die brand had gevat, een zogeheten molotovcocktail. Verdachte heeft verklaard dat die nacht een brandende molotovcocktail naar aangevers boot is gegooid.
Er heeft forensisch onderzoek plaatsgevonden in aangevers boot en aan de molotovcocktail. In de boot zijn het tapijt en een houten kast aangetast door brand. In de slaapzak die door aangever is aangereikt zat een gat, waarbij de randen van dit gat ook waren aangetast door brand. De aangetroffen molotovcocktail betrof een bierflesje met daarin een doek, naar later bleek een rompertje. Het rompertje zat tot op de bodem in fles, stak een stukje uit de fles en was door brand aangetast. In het rompertje zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine. Op de zijkant van de fles is beroeting waargenomen en een zwarte substantie, mogelijk gesmolten materiaal afkomstig van de slaapzak waaronder aangever sliep.
Er zijn geen aanwijzingen verkregen dat de brand een technische of elektrische oorzaak had en vast kan worden gesteld dat de brand op de slaapzak is ontstaan. Doordat aangever de brandende slaapzak van zich heeft afgegooid is inbranding op de vloer ontstaan.
Gelet op de verklaring van aangever, de forensische bevindingen en de verklaring van verdachte dat die nacht een brandende molotovcocktail naar de boot is gegooid, stelt de rechtbank buiten redelijke twijfel vast dat een brandende molotovcocktail door het dakluik van de boot is gegooid en de oorzaak is geweest van het ontstaan van de brandschade.
Daderschap
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte een rol bij de brandstichting heeft gehad en zo ja, hoe die rol juridisch moet worden geduid. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast.
Verdachte is aanwezig geweest bij het vervaardigen van de molotovcocktail en heeft verklaard dat hij het rompertje dat als lont is gebruikt zelf in het bierflesje heeft gestopt, óf aan de medeverdachte heeft aangereikt. Deze verklaring vindt steun in het aantreffen van een bierfles, met daarin een rompertje en de uitkomsten van het verrichte forensisch DNA-onderzoek aan dat rompertje. Uit de bemonstering is een DNA-mengprofiel verkregen dat overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte. Het DNA-profiel is meer dan één miljard keer waarschijnlijker wanneer kort gezegd verdachte één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat verdachte dan ook daadwerkelijk donor is van een deel van het celmateriaal op het rompertje.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte voorts dat hij heeft verklaard dat hij zich realiseerde dat zij een molotovcocktail aan het maken waren. Verdachte heeft daarnaast verklaard dat de medeverdachte die avond heeft geroepen dat hij de boot van aangever in brand zou steken en is na het fabriceren van de molotovcocktail met de medeverdachte vertrokken naar aangevers
boot, terwijl hij wist wat daar stond te gebeuren.
Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte niet slechts op de hoogte was van het voorgenomen feit, maar door het aanbrengen of aanreiken van het rompertje ook een concrete en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de vervaardiging van de molotovcocktail. Vervolgens is hij meegegaan naar de plaats waar het feit zou worden uitgevoerd, terwijl hij wist wat daar zou gebeuren.
Verdachte heeft door zijn handelen een wezenlijke rol gehad in de voorbereiding en de uitvoering van het delict. De rechtbank acht deze gedragingen, in onderlinge samenhang bezien, van voldoende gewicht om te kunnen spreken van een bewuste en nauwe samenwerking. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte samen met een ander opzettelijk brand heeft gesticht en merkt verdachte aan als medepleger.
Gevaarzetting
De rechtbank ziet zich tot slot voor de vraag gesteld of van de brandstichting gevaar voor goederen, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar te duchten was. Voor de beantwoording van die vraag moet worden vastgesteld of dat gevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest.
De rechtbank stelt vast dat de brandstichting in de nacht heeft plaatsgevonden in een afgesloten ruimte van een boot met slechts één in- en uitgang. Hierdoor bestond er een reëel risico dat aangever in geval van een brand niet tijdig uit zijn boot zou kunnen vluchten. Dit risico was in het bijzonder voorzienbaar ten aanzien van aangever, nu verdachte wist dat aangever mindervalide was en daardoor beperkt was in zijn mogelijkheden om zichzelf tijdig in veiligheid te brengen.
Gelet op deze omstandigheden was naar algemene ervaringsregels voorzienbaar dat door de brandstichting niet alleen schade aan de boot en goederen in die boot kon ontstaan, maar dat daarvan ook levensgevaar voor aangever te duchten was.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, zoals hierna bewezenverklaard.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 19 september 2025 te [plaats] , gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht in een boot door open vuur - via een stuk stof - in aanraking te brengen met een fles, gevuld met benzine (een zogenaamde molotovcocktail), en dit door een open luik van genoemde boot te gooien, ten gevolge waarvan een slaapzak en vloerdelen en een deur van een kastje van genoemde boot gedeeltelijk zijn verbrand en daarvan gemeen gevaar voor de in die boot aanwezige goederen en levensgevaar voor [slachtoffer] te duchten was.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
primair medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar te duchten is
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de meer subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan brandstichting wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden verbonden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit om, als de rechtbank tot enige bewezenverklaring komt, aan verdachte een korte taakstraf op te leggen met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf waaraan de geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden. In dat geval wordt voorkomen dat verdachte zal worden overvraagd, terwijl hij tegelijkertijd kan profiteren van de begeleiding door de reclassering.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en uit het advies van de reclassering van het [instelling] van 4 september 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting door samen met een ander een brandende molotovcocktail door een open luik in de boot van aangever te gooien. De brandstichting heeft plaatsgevonden in de nacht, terwijl aangever op dat moment onder dat luik in de boot lag te slapen. Daarbij komt dat de boot slechts beschikt over één in- en uitgang en verdachte wist dat aangever verminderd mobiel was, omdat hij gebruikmaakte van een kunstbeen.
Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen brandschade in de boot veroorzaakt, maar ook ernstig gevaar voor het leven van aangever in het leven geroepen. Dat de gevolgen van de brandstichting voor aangever uiteindelijk relatief beperkt zijn gebleven is het gevolg van de omstandigheid dat het glas van de molotovcocktail na het gooien niet is gebroken. Hierdoor heeft de brandstichting niet de gevolgen gehad die, gelet op de wijze waarop is gehandeld, hadden kunnen ontstaan. Het uitblijven van ernstiger gevolgen is echter een omstandigheid die buiten de invloedssfeer van verdachte heeft gelegen. De rechtbank rekent verdachte dit feit dan ook zwaar aan.
Persoon van verdachte
Uit het reclasseringsadvies blijkt dat de reclassering het recidiverisico inschat als gemiddeld. De reclassering licht toe dat verdachte jarenlang ogenschijnlijk stabiel heeft gefunctioneerd, tot na een relatiebreuk met de moeder van zijn kinderen alcoholgebruik en, in mindere mate, harddrugsgebruik, fors
toenamen. Verdachte stopte met zijn werk, er ontstonden schulden, hij maakte onverstandige keuzes in vriendschappen en hij was vatbaar voor negatieve beïnvloeding. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis in januari 2026 heeft verdachte zich actief ingezet om aan zijn problematiek te werken. Hij beschikt over stabiele huisvesting, werk, ontvangt begeleiding, volgt behandeling en heeft stabiel contact met zijn ex-partner en zijn kinderen.
De reclassering adviseert om in geval van strafoplegging aan een voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden te verbinden, gelet op verdachtes beperkingen op het gebied van het psychosociaal functioneren, het risico op terugval in problematisch middelengebruik en gelet op zijn kwetsbaarheid op het gebied van draagkracht en het maken van verstandige en doordachte keuzes rondom zijn sociale netwerk. De reclassering adviseert daarom als bijzondere voorwaarden op te leggen een meldplicht, de verplichting om mee te werken aan ambulante behandeling, de verplichting om mee te werken aan controles op het gebruik van alcohol en drugs, de verplichting om mee te werken aan woonbegeleiding en om een contactverbod te stellen met de medeverdachte.
Straf
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, geen andere straf passend is dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Hoewel de rechtbank tot een andere kwalificatie komt dan de officier van justitie, acht zij, alles afwegende, oplegging van de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden.
De rechtbank zal daarom aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 maanden, niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
1. zich na uitnodiging meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
2. zich laat behandelen door de AFPN Emmen, onderdeel van GGZ Drenthe, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek, psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden;
3. op geen enkele wijze, direct of indirect, contact heeft of zoekt met medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 1999;
4. meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles vinden plaats aan de hand van urineonderzoek, ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
5. meewerkt aan ambulante woonbegeleiding van het [instelling] en zich houdt aan afspraken die hij hierover met de begeleiding en de reclassering maakt, zolang de reclassering dit nodig vindt.
Geeft aan de reclassering van het [instelling] Noord-Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Faber, voorzitter, mr. H. de Ruijter en mr. R.A. Valk, rechters, bijgestaan door mr. R. de Boer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 oktober 2026.
Mr. H. de Ruijter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.