ECLI:NL:RBNNE:2026:4332

ECLI:NL:RBNNE:2026:4332

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 01-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer LEE 26/2802
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de uitvoering van twee lasten onder bestuursdwang gericht op het verwijderen van een noodwoning en een vouwwagen op het perceel. De uitspraak gaat ook over de afwijzing van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het voortzetten van gebruik van de noodwoning op dat perceel. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verweerschrift in deze verzoekschriftprocedure in strijd met de goede procesorde is ingediend. Voor zover het verzoek om voorlopige voorziening betrekking heeft op de brief van de burgemeester 18 augustus 2026 is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voldaan aan het connexiteitsvereiste. Het samenhangende beroep is ingetrokken. De voorzieningenrechter was ook anderszins niet bevoegd om een voorziening te treffen om de uitvoering van bestuursdwang te voorkomen. De brieven van de burgemeester daarover zijn geen besluiten. Verder is de voorzieningenrechter, afgezien van de vraag over de feitelijke aanwezigheid van de noodwoning, van oordeel dat de belangen van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening minder zwaar wegen dan de belangen van het college bij het niet treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 oktober 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

de burgemeester van de gemeente Opsterland, de burgemeester

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/2802

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland, het college

(gemachtigden: mr. N.F. van der Meer en mr. J. Yedema).

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de uitvoering van twee lasten onder bestuursdwang gericht op het verwijderen van een noodwoning en een vouwwagen op het adres [perceel] (het perceel). De uitspraak gaat ook over de afwijzing van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het voortzetten van gebruik van de noodwoning op dat perceel. Verzoeker is het niet eens met het handhavend optreden en het afwijzen van de vergunning. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter weegt de belangen af van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Hieronder schets de voorzieningenrechter het procesverloop en andere feiten en omstandigheden die hij bij de uitspraak betrekt.

Verzoeker is eigenaar van het perceel. Op het perceel staan onder meer een hoofdwoning, een schuur, een noodwoning en een vouwwagen. Verzoeker woont in de noodwoning, samen met zijn partner en hun zoon. Hun dochter woont in de vouwwagen.

Op 11 juli 2023 heeft het college verzoeker gelast om de noodwoning van het perceel te verwijderen en verwijderd te houden, bij gebreke waarvan het college bestuursdwang gaat toepassen inhoudende dat de woonunit op kosten van verzoeker wordt verwijderd. Tegen dat besluit is geen bezwaar gemaakt.

Op 3 september 2024 heeft het college verzoeker gelast om de vouwwagen van het perceel te verwijderen, bij gebreke waarvan het college bestuursdwang gaat toepassen inhoudende dat het bouwwerk op kosten van verzoeker wordt verwijderd. Tegen dat besluit is geen bezwaar gemaakt.

Partijen zijn daarna een bemiddelingstraject gestart.

Het college heeft op 25 februari 2026 een aanvraag van verzoeker voor een omgevingsvergunning voor het voortzetten van het gebruik van de noodwoning afgewezen. In het besluit van 21 juli 2026 op het bezwaar van verzoeker is het college bij die afwijzing gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld bij brief van 23 augustus 2026.

De burgemeester heeft in een brief van 18 augustus 2026 aan verzoeker een oproep gedaan om de noodwoning en de vouwwagen op het perceel voor 1 september 2026 te verwijderen. Daarbij is aangegeven dat de gemeente genoodzaakt zal zijn om de noodwoning en de vouwwagen te verwijderen als aan de oproep geen gehoor wordt gegeven. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Verzoeker heeft op 23 augustus 2026 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Het college heeft op 4 september 2026 in een e-mailbericht meegedeeld dat het college bereid is de uitvoeringstermijn van verwijdering van de noodwoning en de vouwwagen eenmalig op te schorten tot 29 september 2026.

In het besluit van 16 september 2026 heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen de brief van de burgemeester van 18 augustus 2026 niet-ontvankelijk verklaard.

Op 24 september 2026 heeft het college een gecombineerd verweerschrift ingediend voor de onderhavig verzoekschriftprocedure en voor de beroepsprocedure tegen de afwijzing van de aanvraag over het gebruik van de noodwoning.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 25 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester en van het college.

Na de zitting heeft verzoeker op 27 september 2026 beroep ingesteld tegen het besluit op het bezwaar tegen de brief van de burgemeester en opnieuw een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Op 28 september 2026 heeft de voorzieningenrechter aan partijen per e-mail bericht dat hij geen aanleiding zag voor het treffen van een maatregel, vooruitlopend op de aangekondigde uitvoering van bestuursdwang op 29 september 2026.

Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening dat na de zitting door verzoeker zijn ingediend, zijn door verzoeker per e-mail van 30 september 2026 ingetrokken.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is het verweerschrift is in strijd met de goede procesorde ingediend?

3. Verzoeker heeft ter zitting gesteld dat sprake is van een schending van de goede procesorde. Volgens verzoeker heeft hij geen kennis kunnen nemen van het verweerschrift, omdat het verweerschrift per e-mail is toegestuurd en hij door een technische blokkade niet tevens de vereist toegangscode heeft ontvangen. Hij verzoekt om een reactietermijn te krijgen om het verweerschrift goed te kunnen lezen en doorgronden.

Op grond van de artikelen 8:58 en 8:83, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot één dag voor de zitting nadere stukken indienen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dat deze termijn niet bepalend is voor de vraag of het overleggen van nadere stukken in strijd is met de goede procesorde. Voor het antwoord op die vraag is namelijk doorslaggevend of een zinvolle bespreking van de stukken op de zitting kan plaatsvinden. Er is sprake van strijd met de goede procesorde als de nieuwe stukken zo laat worden ingediend en/of zodanig complex of omvangrijk zijn, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren, dat de voorzieningenrechter wordt belemmerd in zijn voorbereiding van de zitting of dat de goede voortgang van de procedure daardoor op een andere wijze wordt belemmerd.

Het verweerschrift is op 24 september 2026 om 10:23 uur bij de rechtbank ingediend. Het verweerschrift bestaat uit 14 pagina’s, met vijftien bijlagen. De rechtbank heeft die stukken op diezelfde dag met Zivver aan verzoeker toegestuurd.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verweerschrift in deze verzoekschriftprocedure in strijd met de goede procesorde is ingediend. Van belang is dat het verweerschrift behoorlijk omvangrijk is en dat verzoeker vóór de zitting geen kennis van die stukken heeft kunnen nemen. De voorzieningenrechter betrekt het verweerschrift en de bijlagen daarom niet bij de beoordeling van dit verzoek om voorlopige voorziening.

4. Gelet op het bovenstaande maakt de voorzieningenrechter geen gebruik van zijn bevoegdheid – als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb – om (ook) op het beroep met zaaknummer LEE 26/2925 te beslissen. De voorzieningenrechter acht het aangewezen dat de rechtbank verzoeker de gelegenheid geeft om op het verweerschrift te reageren voordat het beroep verder wordt behandeld.

Is voldaan aan het connexiteitsvereiste?

5. Uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb volgt dat een voorlopige voorziening kan worden getroffen ten aanzien van een besluit waartegen bezwaar dan wel beroep is aanhangig is. Dit wordt het vereiste van connexiteit genoemd. Ten aanzien van de connexiteit van de gevraagde voorziening overweegt de rechtbank als volgt.

Verzoeker verzoekt om het besluit van 21 juli 2026 alsmede de daaraan ten grondslag liggende last onder bestuursdwang ten aanzien van de noodwoning per direct te schorsen en die schorsing eveneens te laten gelden voor de vouwwagen. Door verzoeker is aangegeven dat het verzoek ook is gericht tegen de brief van de burgemeester van 18 augustus 2026.

Met betrekking tot de gevraagde schorsing van het besluit tot afwijzing van de aanvraag voor het voortgezette gebruik van de noodwoning is voldaan aan de eis van connexiteit. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek om voorlopige voorziening connex is aan het beroep met zaaknummer LEE 26/2925.

Voor zover het verzoek betrekking heeft op de brief van de burgemeester 18 augustus 2026 is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voldaan aan het connexiteitsvereiste. Vaste jurisprudentie is dat de voorzieningenrechter alleen bevoegd is om een voorziening te treffen als op het moment van de uitspraak een procedure aanhangig is. Tijdens de behandeling van dit verzoek om voorlopige voorziening is beslist op het bezwaarschrift tegen de brief. Ingevolge artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb heeft de voorzieningenrechter verzoeker in de gelegenheid gesteld beroep in te stellen bij de bestuursrechter. Van die mogelijkheid heeft verzoeker gebruik gemaakt, echter dit beroep is vervolgens op 30 september 2026 ingetrokken.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat hij ook anderszins niet bevoegd was een voorziening te treffen om de uitvoering van bestuursdwang te voorkomen, ook indien wel zou zijn voldaan aan het connexiteitsvereiste ten aanzien van de brief van de burgemeester. De voorzieningenrechter stelt vast dat de lasten onder bestuursdwang van 11 juli 2023 en 3 september 2024 onherroepelijke besluiten zijn. De brieven van de burgemeester, waarin de feitelijke uitvoering van de bestuursdwang wordt aangekondigd, zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen besluiten waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld. Die brieven zijn namelijk niet gericht op rechtsgevolg. Tegen vermeend onrechtmatig feitelijk handelen door de gemeente bij de uitvoering van de lasten onder bestuursdwang kan alleen worden opgekomen bij de burgerlijke rechter.

6. Uit het bovenstaande volgt dat de voorzieningenrechter alleen bevoegd is om een voorziening te treffen ten aanzien van de beslissing op bezwaar van 21 juli 2026, waarin het college is gebleven bij haar besluit om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het voortzetten van het gebruik van de noodwoning af te wijzen.

Er bestaat geen aanleiding om een voorziening te treffen voor bewoning van de noodwoning

7. De voorzieningenrechter overweegt dat voortzetting van het gebruik van de noodwoning, zoals verzoeker wenst, alleen mogelijk is als de noodwoning voorlopig op het perceel blijft staan. Als het college zoals aangekondigd op 29 september 2026 de bestuursdwang heeft uitgevoerd en de noodwoning is verwijderd, is het treffen van een voorlopige voorziening tot het voortzetten van het gebruik in zoverre betekenisloos.

8. Afgezien van de feitelijke aanwezigheid van de noodwoning, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening minder zwaar wegen dan de belangen van het college bij het niet treffen van een voorlopige voorziening. Hoewel verzoekers gezin al geruime tijd in de noodwoning woont, weet verzoeker al vanaf juli 2023 dat hij de noodwoning van het perceel moet verwijderen en verwijderd moet houden. Na het afwijzende besluit van 25 februari 2026 op zijn vergunningaanvraag is verzoeker meerdere keren opgeroepen om de illegale situatie met de noodwoning te beëindigen. Verzoeker heeft echter geen gehoor gegeven aan die oproep. Verder is van belang dat verzoeker niet heeft geconcretiseerd welke pogingen hij heeft ondernomen om vervangende woonruimte te vinden. Zijn stellingen over gebrekkig huuraanbod en ongeschikte recreatiewoningen zijn niet met stukken onderbouwd. Dat terwijl verzoeker ook in het bemiddelingstraject is geadviseerd om onderzoek te doen naar (het vinden van) vervangende woonruimte. Die voorgeschiedenis en de beginselplicht tot handhaving laten de belangenafweging in het voordeel van het college doorslaan. In het licht hiervan ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat geen voorlopige voorziening wordt getroffen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Knuttel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.A. Schaapsmeerders

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand