RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/25/259 R
vonnis d.d. 8 juli 2026
in de schuldsaneringsregeling van:
[schuldenaar] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de schuldenaar.
PROCESGANG
Bij vonnis van deze rechtbank van 27 augustus 2025 is de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van de schuldenaar.
Door de bewindvoerder, mevrouw [bewindvoerder] , is op 9 april 2026 schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
Op 18 mei 2026 heeft een verificatievergadering plaatsgevonden in de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar.
De rechter-commissaris heeft vervolgens de voordracht gedaan de schuldsaneringsregeling te beëindigen.
De zaak is behandeld ter zitting van 24 juni 2026, alwaar de schuldenaar is verschenen, vergezeld door zijn beschermingsbewindvoerder mevrouw [beschermingsbewindvoerder] . Ook de bewindvoerder mevrouw [bewindvoerder] is verschenen.
RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank dient te beoordelen of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Ingeval van een toerekenbare tekortkoming zal de rechtbank vervolgens beoordelen of dat tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling moet leiden onder onthouding van ‘de schone lei’.
Uit de verslagen van de bewindvoerder en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken.
De schuldenaar heeft een boedelachterstand laten ontstaan van € 1.405,23.
De schuldenaar heeft de rechtbank ter zitting verzocht zijn schuldsaneringsregeling met drie maanden te verlengen, zodat de boedelachterstand door hem kan worden ingelopen.
De bewindvoerder heeft ter zitting aangegeven akkoord te kunnen gaan met de door de schuldenaar verzochte verlenging, en heeft daarbij aangegeven dat over de maand juni 2026 nog regulier moet worden afgedragen.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de schuldenaar weliswaar is tekortgeschoten in zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, maar dat hieraan vooralsnog geen gevolgen verbonden worden. De rechtbank zal de termijn waarop de schuldsaneringsregeling van toepassing is verlengen met 3 maanden, om de schuldenaar zodoende in de gelegenheid te stellen de boedelachterstand vóór het einde van de schuldsaneringsregeling in te lossen. De rechtbank zal de schuldenaar daarbij vrijstellen van de reguliere afdrachtverplichting aan de boedel, met uitzondering van het salaris van de bewindvoerder. De rechtbank gaat ervan uit dat de schuldenaar zich in de verlengingsperiode van de schuldsaneringsregeling ook voor het overige tot het uiterste zal inspannen om aan zijn verplichtingen te voldoen. Zodra de boedelachterstand in zijn geheel is weggewerkt, kan zoveel eerder een verzoek om beëindiging van de schuldsaneringsregeling worden gedaan.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de voordracht afwijzen.
BESLISSING
De rechtbank:
- weigert de beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de schuldenaar;
- stelt de termijn waarop de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar van toepassing is vast op 21 maanden te rekenen vanaf 4 december 2024, waardoor deze termijn eindigt op 4 september 2026.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 door mr. M.C. Groenewegen, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.