RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/26/1247 R
vonnis van 17 augustus 2026
in de zaak van:
[verzoekster] , geboren op [geboortedag] 1967 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: verzoekster.
1. PROCESGANG
Verzoekster heeft op 17 juni 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 10 augustus 2026. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met haar partner de heer [naam] . Tevens zijn verschenen mevrouw [schuldhulpverlener A en schuldhulpverlener B] en werkzaam bij Volkskredietbank Noord-Oost Groningen .
2. RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
Ingangsdatum wsnp
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek om een eerdere ingangsdatum te bepalen, is dat een schuldenaar zich tijdens het minnelijk traject maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. De eventuele omstandigheid dat de verplichtingen die voortvloeien uit het minnelijke voortraject niet geheel gelijk zijn aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wettelijke schuldsaneringsregeling, staat in beginsel niet eraan in de weg de termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling te laten lopen vanaf de dag waarop de eerste aflossing is gedaan. Wel dient in dat geval te worden aangetoond dat de schuldenaar zich tijdens het minnelijke voortraject voldoende heeft ingespannen ten behoeve van zijn schuldeisers, (r.o. 3.5.3. Hoge Raad 20 december 2024, ECLI:HR:HR:2024:1913).
Verzoekster heeft verzocht om de Wsnp in te laten gaan op 30 maart 2026. Dit is de datum waarop de schuldregeling is gestart. De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde berekening van het vrij te laten bedrag blijkt dat verzoekster vanaf 30 maart 2026 geen afloscapaciteit heeft. Daarnaast is de rechtbank op basis van de overgelegde stukken en hetgeen verzoekster ter zitting heeft verklaard gebleken dat verzoekster niet in staat is om fulltime betaalde arbeid te verrichten. Verzoekster heeft dit onderbouwd met een besluit van de gemeente Het Hogeland van 1 april 2026, waaruit blijkt dat haar belastbaarheid momenteel beperkt is en dat de werkzaamheden, die verzoekster verricht, het hoogst haalbare zijn voor haar. Verzoekster begeleidt de gehandicapte zoon van haar partner en ontvangt daarvoor een vergoeding vanuit diens PGB.
Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de ingangsdatum van de wettelijke schuldsaneringsregeling bepalen op 30 maart 2026 omdat verzoekster vanaf die datum heeft voldaan aan de inspannings- en afdrachtverplichting.
3. 3. BESLISSING
De rechtbank:
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedag] 1967 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats]
stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf 30 maart 2026, waardoor deze termijn eindigt op 30 september 2027;
benoemt tot rechter-commissaris mr. S. van Gessel,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te Postbus [adres] ;
geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga, rechter, en in het openbaar uitgesproken op
17 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.