RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
de burgemeester van de gemeente Groningen, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/2641
(gemachtigde: mr. E.T. van Dalen),
en
(gemachtigde: mrs. M.A. Vos en mr. G. Urban).
1. Deze uitspraak gaat over het besluit om de woning van eiseres drie maanden te sluiten vanwege het bezit van handelshoeveelheden drugs. Eiseres is het niet eens met deze sluiting.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan wetsartikelen die in deze uitspraak van belang zijn.
Procesverloop
Op 15 november 2021 heeft de politie een instap gedaan in de woning op het adres [adres] . Daarbij is een handelshoeveelheid drugs aangetroffen. Eiseres huurde toen deze woning van een corporatie.
Met het primaire besluit van 22 januari 2024 heeft verweerder de woning gesloten met ingang van 8 februari 2024 voor de duur van zes maanden. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Met het bestreden besluit van 2 mei 2024 op het bezwaar van eiseres heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie bezwaarschriften, de bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder is bij de woningsluiting gebleven, maar heeft verweerder de duur van de woningsluiting teruggebracht naar een periode van drie maanden. Daardoor is de woningsluiting geëindigd op 29 mei 2024.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
3. De rechtbank is van oordeel dat eiseres procesbelang heeft bij het voeren van deze procedure. De rechtbank volgt dus niet het standpunt van verweerder, die primair heeft aangevoerd dat er geen procesbelang zou zijn. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Hoewel de woningsluiting op 29 mei 2024 is geëindigd, heeft eiseres belang bij de vraag of de woningsluiting voor de duur van drie maanden al dan niet rechtmatig is geweest. Eiseres stelt dat de gevolgen van de woningsluiting voor haar onevenredig groot zijn en dat zij daardoor schade heeft geleden. Eiseres geeft in dit verband ter onderbouwing, kort samengevat, het volgende aan. Vanwege de woningsluiting heeft de verhuurder het huurcontract met eiseres heeft ontbonden en een ontruimingsprocedure tegen haar gestart, heeft zij kosten gemaakt om de woning te moeten verlaten, die bestaan uit het huren van een busje en de opslag van de inboedel. Ook is het voor haar moeilijk om een nieuwe woning te vinden, omdat bij een inschrijving wordt gekeken naar haar huurverleden. De rechtbank acht de stellingen van eiseres aannemelijk en ziet hierin een begin van een onderbouwing van mogelijk geleden schade die eiseres, zoals zij heeft aangegeven, via civielrechtelijke weg op verweerder wil verhalen. Bovendien blijkt uit navraag van verweerder bij de verhuurder, dat eiseres voor drie jaren wordt uitgesloten van een corporatiewoning in [woonplaats] . De rechtbank vindt dit voldoende om procesbelang aan te nemen.
Dat er een kort geding heeft plaatsgevonden op 15 juli 2024, waarin als resultaat tussen verhuurder en eiseres een vaststellingsovereenkomst is gesloten met het gevolg dat eiseres per 7 oktober 2024 uit de woning is vertrokken, doet daar niet aan af. De vaststellingsovereenkomst maakt niet dat eiseres geen belang meer heeft bij een oordeel over de rechtmatigheid van de woningsluiting, gelet op de door haar gestelde schade.
De rechtbank zal daarom het beroep inhoudelijk behandelen en hierna ingaan op de beroepsgronden van eiseres.
Kan de motivering het bestreden besluit dragen?
4. Volgens eiseres heeft verweerder het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Zij voert daartoe aan dat de woning niet is gelegen in een kwetsbare woonwijk. Daarnaast is er nooit drugshandel en loop naar de woning aangetoond. Volgens eiseres is er dan ook geen sprake geweest van aantasting van het woon- en leefklimaat. Eiseres merkt op dat zij weet dat verwijtbaarheid niet ter zake doet bij een dergelijke maatregel, maar zij hecht eraan te vermelden dat zij niets te maken heeft met de aangetroffen drugs in haar woning. Eiseres had de sleutel uitgeleend en was op dat moment bij haar zieke moeder, die in diezelfde periode is overleden. Dit maakt ook dat er sprake is van bijzondere omstandigheden. Eiseres vindt dat verweerder daar onvoldoende naar heeft gekeken. Eiseres heeft bovendien negen maanden op straat geleefd met haar hond, waarvan zij vervolgens gedwongen afstand heeft moeten doen. Ook kon eiseres de opslagbox niet meer betalen. Hierdoor is zij haar volledige inboedel kwijtgeraakt met onder andere spullen van haar (inmiddels) overleden ouders, die voor eiseres grote emotionele waarde hebben.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de motivering van het bestreden besluit voldoende is. De beroepsgronden van eiseres zijn bovendien identiek aan de bezwaargronden. Bij wijze van verweer moeten de stukken van verweerder in bezwaar daarom als herhaald en ingelast worden beschouwd. Volgens verweerder is het besluit niet onevenredig geweest voor eiseres. De sluiting is geschikt, omdat daarmee een belangrijk signaal wordt afgegeven aan de woon- en leefomgeving. Sinds de sluiting speelt de woning immers geen rol meer in de keten van drugshandel. De sluiting is noodzakelijk, omdat er sprake is van een kwetsbare woonwijk. Uit statistieken blijkt dat de [straat] een straat is met veel incidenten op het gebied van drugscriminaliteit. Tot slot merkt verweerder op dat hij goed kan begrijpen dat de situatie voor eiseres vervelend is (geweest). Dit neemt niet weg dat hij de bijzondere omstandigheden voldoende heeft meegewogen en gewogen bij zijn besluit. Hierom is de woningsluiting namelijk verkort met drie maanden.
5. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond van eiseres niet kan slagen. Eiseres stelt de redenering en motivering van het bestreden besluit -zoals zij het formuleert- ‘opnieuw ter discussie’. Zij onderbouwt haar stellingen, bijvoorbeeld dat wel sprake is van een kwetsbare woonwijk, niet nader en daar komt bij dat zij deze gronden ook al heeft aangevoerd in bezwaar. Voor de rechtbank valt daarom niet in te zien waarom de motivering het bestreden besluit niet kan dragen.
Voor de beoordeling van de evenredigheid van het besluit, geldt op basis van de Awb in samenhang met rechtspraak een concreet beoordelings- en toetsingskader. Dit houdt in dat de sluiting geschikt en noodzakelijk moet zijn ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde en dat de genomen maatregel evenwichtig moet zijn.
Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder het besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank stelt verder vast dat het advies van de adviescommissie bezwaarschriften, waar verweerder in het bestreden besluit bij aansluit, een uitgebreide motivering betreft waarom de woningsluiting geschikt, noodzakelijk en, voor de duur van drie maanden, evenwichtig is. Daarbij zijn de bijzondere omstandigheden meegewogen die eiseres in de bezwaarfase heeft aangevoerd. In de enkele herhaalde stellingen van eiseres in deze beroepsprocedure, ziet de rechtbank geen aanleiding om de motivering van verweerder niet deugdelijk te vinden. Het bestreden besluit is dan ook niet onevenwichtig of onevenredig.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat zij begrijpt dat eiseres in een moeilijke situatie is beland, maar dat dit niet tot de conclusie kan leiden dat het bestreden besluit onrechtmatig zou zijn.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van K.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2 De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Titel 4.3. Beleidsregels
Artikel 4:84
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Opiumwet
Artikel 13b
1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a.een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b.een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.