RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen
[eisers] , namens [naam] ,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3506
uit [plaats] , eisers
en
(gemachtigde: mr. T.F. Brandenburg).
1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eisers om een evenementenvergunning. Verweerder heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld. Eisers zijn het daar niet mee eens en hebben beroep ingesteld.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers geen procesbelang hebben bij de behandeling van dit beroep. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een vergunning voor een evenement op 31 december 2024. Met het besluit van 1 maart 2024 heeft verweerder deze aanvraag buiten behandeling gesteld.
Met het bestreden besluit van 11 juli 2024 heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en is verweerder bij de buitenbehandelingstelling van de aanvraag gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eisers waren niet aanwezig.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat uit het verweerschrift naar voren komt dat eisers in 2024 voor hetzelfde evenement op 31 december 2024 een tweede vergunningsaanvraag hebben ingediend en dat deze vergunning is verleend. Op de zitting heeft verweerder dit desgevraagd bevestigd.
De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of eisers procesbelang hebben. Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.
Nu de gevraagde vergunning voor het evenement op 31 december 2024 later alsnog is verleend, hebben eisers bij de beoordeling van dit beroep geen belang. In het beroepschrift zijn door eisers geen andere omstandigheden gesteld op basis waarvan de rechtbank procesbelang moet aannemen. De rechtbank had dit eisers op zitting willen vragen, maar eisers zijn niet verschenen zonder voorafgaand bericht,. Dit komt voor hun rekening en risico.
Conclusie en gevolgen
4. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat eisers geen procesbelang hebben bij het voeren van deze beroepsprocedure. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.
Gelet op het voorgaande krijgen eisers het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van K.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.