ECLI:NL:RBNNE:2026:4376

ECLI:NL:RBNNE:2026:4376

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 08-10-2026
Zaaknummer C/18/260893 / KG ZA 26-435
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Assen

Samenvatting

In afwachting van het onderzoek in het kader van de aanvraag voor een nieuwe ondertoezichtstelling is een straat- en contactverbod opgelegd aan de ex-partner van de moeder van de betrokken minderjarige. Na een eerder straat- en contactverbod gaat het beter met de minderjarige. Voldoende is gebleken dat de situatie van de minderjarige achteruit gaat sinds er weer contact is tussen de minderjarige en de ex-partner.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Assen

Zaaknummer: C/18/260893 / KG ZA 26-435

Vonnis in kort geding van 30 september 2026

in de zaak van

[eiser] , in haar hoedanigheid als gezaghebbende ouder en daarmee wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige zoon, [zoon],

te [plaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. K.J. Kanning,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

verschenen in persoon.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 september 2026

- de e-mail van [gedaagde] van 8 september 2026 om 10:54 uur waarin hij om uitstel van de mondelinge behandeling heeft verzocht

- de brief van de rechtbank van 8 september 2026 waarin het verzoek om uitstel is afgewezen

- de e-mail van [gedaagde] van 8 september 2026 om 18:23 uur

- de e-mail van [gedaagde] van 9 september 2026

- de e-mails van [gedaagde] van 10 september 2026 om 5:26, 5:38, 5:42 7:41, 16:16, 16:57 en 17:09 uur

- de akte uitlating producties van [eiser] van 11 september 2026- de mondelinge behandeling van 16 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt

- de bij de stukken gevoegde producties.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

[eiser] is de moeder van [zoon] (hierna: [zoon]), geboren op

[geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats]. Zij is alleen belast met het ouderlijk gezag over [zoon]. [zoon] woont bij [woonvoorziening], een kleinschalige woonvoorziening dat zorg biedt aan jongeren met psychische en gedragsmatige problemen. [zoon] kent een complexe voorgeschiedenis. Hij heeft meer dan tien verhuizingen meegemaakt en is als gevolg daarvan ook geconfronteerd met verschillende opvoeders (vader, moeder, pleeggezin, crisisopvang) en meerdere wisselingen van school. [zoon] is bekend met een forse hechtingsproblematiek en sinds 2018 is sprake (geweest) van zorgelijk, onhandelbaar gedrag.

[eiser] en [gedaagde] hebben vanaf ongeveer januari 2024 kortstondig een affectieve relatie met elkaar gehad.

Op 22 januari 2025 heeft de kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, [zoon] onder toezicht gesteld van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te [plaats], voor de duur van een jaar.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft op 5 februari 2025 aan [gedaagde] een straat- en contactverbod opgelegd voor de duur van zes maanden, inhoudende dat hij geen contact op mag nemen met [zoon] en zich niet binnen een straal van 100 meter van [woonvoorziening] mag begeven of ophouden. Op overtreding van de verboden heeft de voorzieningenrechter een dwangsom van € 250,00 per keer, met een maximum van € 10.000,00 gesteld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was er sprake van ongewenste inmenging door [gedaagde] in het leven van [zoon], hetgeen bleek uit de volgende feiten en omstandigheden:

[gedaagde] heeft omstreeks de zomer van 2024 samen met [zoon] een test ingevuld waaruit zou blijken dat [eiser] een borderline stoornis heeft.

[gedaagde] diskwalificeert [eiser] tijdens de mondelinge behandeling van onderhavig kort geding, door uitlatingen als ‘moeder heeft [zoon] naar de rand van de afgrond geduwd’, ‘[zoon] is (door moeder) emotioneel verpest’ en ‘hij heeft verder (behalve gedaagde) niemand’.

[gedaagde] diskwalificeert [eiser] in gesprekken met [zoon]; anders dan [gedaagde] zelf heeft betoogd, blijkt dit uit de door hem overgelegde audiobestand van het gesprek tussen hem en [zoon]. Dat [gedaagde] tussendoor ook een paar keer zegt dat [eiser] zeker gek op [zoon] is, doet hieraan niet af.

[gedaagde] blijft contact zoeken met [zoon], ondanks het feit dat [eiser], [woonvoorziening] én de politie (minimaal één stopgesprek in november of december 2024) hem hebben gevraagd dit niet meer te doen; hiermee ondermijnt [gedaagde] het gezag van [eiser], hulpverlening en politie.

[gedaagde] verschijnt met zijn auto bij het gemeentehuis (13 november 2024) en de rechtbank op momenten dat [eiser] daar moet zijn, terwijl [gedaagde] daar zelf niets te zoeken heeft. Naar eigen zeggen doet hij dit op verzoek van [zoon].

Op 24 november 2024 verschijnt [gedaagde] zonder enig overleg met [woonvoorziening]

en/of [eiser] bij [woonvoorziening], nadat [zoon] aldaar een hevige escalatie had

veroorzaakt. [zoon] had [gedaagde] vooraf geïnformeerd dat hij ‘door het lint’ dreigde te gaan, maar die kennis heeft [gedaagde] niet met [woonvoorziening] gedeeld. Hij komt [zoon] na afloop ‘redden’, als het kwaad al is geschied.

[gedaagde] heeft na het vonnis van 5 februari 2025 contact gehad met [zoon] en tot een bedrag van € 10.000,00 dwangsommen verbeurd.

Op 13 januari 2026 heeft de kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen. In de beschikking is onder andere vermeld:

“5.2. De kinderrechter is van oordeel dat er niet langer sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [zoon]. De kinderrechter constateert dat [zoon] bij [woonvoorziening] inmiddels zijn draai heeft gevonden en begrijpt waarom hij daar op dit moment woont. Ook is het contact tussen de moeder en [zoon] in het afgelopen jaar goed hersteld nadat [gedaagde], die een slechte invloed op [zoon] had, uit beeld is verdwenen. De kinderrechter heeft op basis van het gesprek met [zoon] ook de indruk gekregen dat het beter met hem gaat. (…)”

De ondertoezichtstelling van [zoon] is op 22 januari 2026 geëindigd.

Op enig moment is weer contact ontstaan tussen [zoon] en [gedaagde].

Sinds mei 2026 heeft [zoon] geen contact meer met [eiser].

Op 9 juni 2026 heeft [woonvoorziening] een e-mail gezonden aan [gedaagde]. In die e-mail is – samengevat – aangegeven dat [zoon] tijdens [evenement] bij [gedaagde] wil werken en gevraagd wat de werktijden zullen zijn. Verder is aangegeven dat nog overlegd moet worden of het mogelijk is, omdat toestemming van [eiser] nodig is.

[gedaagde] heeft op enig moment een bericht aan [woonvoorziening] gestuurd. Daarin heeft hij onder andere aangegeven dat [zoon] iedere dag vanaf 14:00 uur welkom is tot de eindtijd die [woonvoorziening] geeft en dat hij hoopt dat [zoon] toestemming krijgt.

[eiser] heeft [gedaagde] verzocht en gesommeerd om geen contact meer te hebben met [zoon]. Hieraan heeft [gedaagde] geen gehoor gegeven.

3. Het geschil

[eiser] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te verbieden om onmiddellijk na het in deze te wijzen vonnis gedurende een jaar op welke wijze dan ook telefonisch, mondeling, schriftelijk, per e-mail, fysiek of anderszins contact te zoeken met [zoon], zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor elke overtreding van dit verbod en met bepaling dat, indien [gedaagde] na overtreding van het verbod de verschuldigde dwangsom niet binnen 24 uur betaalt, na daartoe bij aangetekende brief te zijn gemaand, het vonnis uitvoerbaar zal zijn bij lijfsdwang voor een tijd van ten hoogste twee dagen, met dien verstande, dat geen volgende ingijzelingstelling zal mogen plaatsvinden dan in het geval dat [gedaagde] na de vorige gijzeling opnieuw het verbod overtreedt en hij na overtreding van het verbod de verschuldigde dwangsom niet binnen 24 uur betaalt, na daartoe bij aangetekende brief te zijn gemaand;

II. [gedaagde] te verbieden om onmiddellijk na het in deze te wijzen vonnis zich op te houden binnen een straal van 100 meter in en om [woonvoorziening], gevestigd aan [adres], zo nodig af te dwingen door de sterke arm van de politie en op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor elke overtreding van dit verbod en met bepaling dat, indien [gedaagde] na overtreding van het verbod de verschuldigde dwangsom niet binnen 24 uur betaalt, na daartoe bij aangetekende brief te zijn gemaand, het vonnis uitvoerbaar zal zijn bij lijfsdwang voor een tijd van ten hoogste twee dagen, met dien verstande, dat geen volgende ingijzelingstelling zal mogen plaatsvinden dan in het geval dat [gedaagde] na de vorige gijzeling opnieuw het verbod overtreedt en hij na overtreding van het verbod de verschuldigde dwangsom niet binnen 24 uur betaalt, na daartoe bij aangetekende brief te zijn gemaand.

[gedaagde] voert verweer.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het advies van de Raad

Ter zitting heeft de Raad haar visie gegeven op de onderhavige situatie. De Raad is van mening dat [zoon] het meest geholpen is met een nieuwe ondertoezichtstelling. [zoon] wil zelf ook graag een jeugdbeschermer. De Raad heeft een aanvraag voor een nieuwe ondertoezichtstelling ontvangen en zal daarvoor een onderzoek starten. Het zal ongeveer vier maanden duren voor het onderzoek gestart kan worden en daarna neemt het onderzoek zes weken in beslag.

De raadsvertegenwoordiger heeft geadviseerd om in afwachting van het onderzoek het straat- en contactverbod tijdelijk toe te wijzen. Zij heeft toegelicht dat de zorgen om [zoon] die vooraf gingen aan het vorige straat- en contactverbod precies hetzelfde waren als de zorgen die er nu zijn. Nadat in 2025 het contact tussen [zoon] en [gedaagde] door het opgelegde straat- en contactverbod daadwerkelijk was verbroken, ging het beter met [zoon]. Hij voelde zich op zijn plek bij [woonvoorziening] en gaf zelf ook aan dat het beter met hem ging als hij geen contact had met bepaalde mensen, waaronder [gedaagde]. De Raad ziet dat het steeds een tijd goed gaat met [zoon] en daarna weer een tijd minder goed. Dat het minder goed gaat, zal niet volledig aan het contact met [gedaagde] te wijten zijn, maar het gaat wel slechter met hem als er wel contact is tussen [zoon] en [gedaagde]. Er is momenteel geen contact tussen [eiser] en [zoon]. [zoon] heeft het gevoel dat [eiser] hem niets gunt. [zoon] voelt zich door iedereen in de steek gelaten en ervaart gemis van belangrijke mensen om zich heen, zoals een vaderfiguur. Mogelijk ziet [zoon] in [gedaagde] een vaderfiguur. Het contact tussen [zoon] en [gedaagde] geheel verbieden kan averechts werken, omdat [zoon] dat [eiser] zou kunnen verwijten. Maar de Raad is wel van mening dat een tijdelijk contactverbod voor [zoon] nodig is om rust te krijgen in zijn leven. Wellicht dat het contact tussen [zoon] en [gedaagde] onder regie van een jeugdbeschermer op enig moment kan worden hervat.

5. De beoordeling

Gelet op de aard van de vorderingen acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang voldoende aanwezig.

In deze kort geding procedure moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek, beoordeeld worden of de vorderingen van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevorderde voorzieningen reeds nu gerechtvaardigd is.

Een straat- en contactverbod zoals [eiser] vordert, is een ingrijpende maatregel die inbreuk maakt op het recht op persoonlijke vrijheid, waaronder begrepen het recht dat iedereen heeft om zich vrij te verplaatsen. Een straat- en contactverbod kan alleen worden toegewezen als sprake is van ernstig onrechtmatig handelen en van concreet gevaar voor herhaling daarvan. De voorzieningenrechter moet vervolgens alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking nemen en de betrokken belangen van partijen afwegen om te beoordelen of dat verbod, zoals gevorderd, kan worden gerechtvaardigd. Het is daarbij aan [eiser] om dat gevaar voor herhaling aannemelijk te maken.

De voorzieningenrechter ziet gelet op de processtukken en het verklaarde ter zitting voldoende aanleiding om aan te nemen dat een bodemrechter, zal zijn oordeel worden gevraagd, de gevorderde verboden zal toewijzen. Daarom zal aan [gedaagde] een contact- en straatverbod worden opgelegd voor de duur van zes maanden. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe hij tot deze beslissing is gekomen.

Aan het vorige straat- en contactverbod lagen concrete aanwijzingen ten grondslag dat het contact tussen [zoon] en [gedaagde] een slechte invloed had op [zoon]. Op basis daarvan heeft de voorzieningenrechter een straat- en contactverbod opgelegd voor de duur van zes maanden. Gebleken is dat [gedaagde] zich in eerste instantie niet aan het opgelegde straat- en contactverbod heeft gehouden. Hij heeft toch contact gezocht met [zoon] en hem ook aangespoord om dat contact geheim te houden voor [eiser] en hulpverleningsinstanties. Na het verbeuren van het maximum aan opgelegde dwangsommen is het contact tussen [gedaagde] en [zoon] daadwerkelijk verbroken. Zowel [eiser] als de Raad hebben verklaard dat daarna gedurende een periode van een half jaar de situatie van [zoon] daadwerkelijk verbeterde. Dit blijkt ook uit de beschikking van de kinderrechter van 13 januari 2026 waarbij het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling is afgewezen. Uit die beschikking blijkt dat toen niet langer sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [zoon], dat hij zijn draai bij [woonvoorziening] had gevonden en dat hij ook begreep waarom hij daar woont. Ook is het contact tussen [eiser] en [zoon] goed hersteld, nadat [gedaagde] uit beeld is verdwenen.

Na enige tijd is er weer contact ontstaan tussen [zoon] en [gedaagde]. [gedaagde] erkent dit ook. Gebleken is dat het sindsdien weer slechter met [zoon] gaat. Zowel de Raad als [eiser] hebben dat ook verklaard. Zo is [zoon] toen hij één dag naar het Truckstar festival mocht drie dagen weggebleven en heeft hij tijdens [evenement] voor [gedaagde] gewerkt terwijl hij daarvoor geen toestemming had. Verder is meermaals een mes bij [zoon] aangetroffen en eenmaal een neppistool, met als dieptepunt dat recent onder [zoon] kussen een scherp mes is aangetroffen met 15 messteken in zijn matras waarbij [zoon] heeft gezegd: “Ik ga bij mijn moeder op de koffie en steek een mes tussen haar ribben” (of woorden van gelijke strekking). Momenteel zijn er weliswaar geen concrete feiten en omstandigheden waaruit een causaal verband tussen de verslechterde situatie van [zoon] en de omgang tussen [zoon] en [gedaagde] kan worden afgeleid, maar gelet op het verleden en de hiervoor door [eiser] aangevoerde omstandigheden lijkt dat causaal verband wel voldoende aannemelijk. In die periode is ook het contact tussen [eiser] en [zoon] ernstig verslechterd.

[gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat hij alleen maar het beste wil voor [zoon]. Hij heeft verklaard dat hij voorafgaand aan het vorige straat- en contactverbod oogkleppen op had en dat hij daarvan heeft geleerd. Verder heeft hij verklaard dat hij het contact tussen [zoon] en [eiser] juist probeert te stimuleren en dat hij graag in overleg wil met [eiser] om samen uit deze impasse te komen.

De voorzieningenrechter overweegt dat [gedaagde] wellicht niet bewust een wig probeert te drijven tussen [zoon] en [eiser], maar dat dit, en de verslechterde situatie van [zoon], onbewust wel het gevolg lijkt te zijn van het contact tussen [zoon] en [gedaagde]. De Raad heeft verklaard dat [gedaagde] met bepaalde opmerkingen, zoals “Je kan altijd bij mij wonen’ of “Nog even volhouden, dan kan je daar [[woonvoorziening], voorzieningenrechter] weg”, aan [zoon] het signaal afgeeft dat zijn verblijf bij [woonvoorziening] niet goed voor hem is of dat hij daar weg zou moeten. Ook opmerkingen als “[zoon] mag altijd contact hebben met zijn moeder” impliceren dat [gedaagde] de eerste persoon is in het leven van [gedaagde]. De Raad heeft verklaard dat dergelijke opmerkingen onrust veroorzaken bij [zoon]. De voorzieningenrechter overweegt verder dat vaststaat dat [zoon] geen toestemming van [eiser] had om bij [gedaagde] te werken tijdens [evenement]. Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij niet wist dat [zoon] daar geen toestemming voor had. In de door [gedaagde] als productie overgelegde e-mailwisseling van omstreeks 9 juni 2026 tussen [woonvoorziening] en hemzelf heeft [gedaagde] echter aangegeven dat hij hoopt dat [zoon] toestemming zal krijgen om voor hem te werken. Hieruit blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat [gedaagde], in tegenstelling tot hetgeen hij ter zitting heeft verklaard, wist dat [zoon] toestemming van zijn moeder nodig had om bij hem te werken tijdens [evenement]. Daarnaast heeft [gedaagde] niet concreet kunnen maken hoe een gezamenlijke oplossing er volgens hem uit zou moeten zien. De voorzieningenrechter acht in dat kader ook van belang dat [gedaagde] (impliciet) als uitgangspunt neemt dat hij een bepalende rol zal hebben in het leven van [zoon]. Tot slot neemt de voorzieningenrechter in overweging dat de affectieve relatie tussen [eiser] en [gedaagde] relatief kort heeft geduurd (in ieder geval minder dan een jaar) en dat [gedaagde] dus kort in het leven van [zoon] was toen het eerste straat- en contactverbod werd opgelegd. Hoewel de voorzieningenrechter zich kan voorstellen dat ook in een korte tijd een hechte band kan ontstaan, is er geen sprake van dat [gedaagde] voor een langere periode de rol van vaderfiguur voor [zoon] op zich heeft genomen.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van ernstig onrechtmatig handelen door [gedaagde] en van concreet gevaar voor herhaling daarvan. Aldus ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om het advies van de Raad te volgen en het straat- en contactverbod toe te wijzen. De voorzieningenrechter ziet, gelet op het advies van de Raad om het verbod tijdelijk (voor de duur van het onderzoek voor de ondertoezichtstelling) toe te wijzen, wel aanleiding om de duur van het straat- en contactverbod te beperken tot zes maanden. Daarbij acht de voorzieningenrechter ook relevant dat de Raad heeft verklaard dat het contact tussen [zoon] en [gedaagde] onder regie van een jeugdbeschermer mogelijk hersteld zal kunnen worden, zodat [zoon] – indien hij daartoe de behoefte heeft – wel weer contact met [gedaagde] zal kunnen onderhouden zonder dat dit zijn situatie zal doen verslechteren. Om die reden verzoekt de voorzieningenrechter de Raad vriendelijk doch dringend om het onderzoek in het kader van een nieuwe ondertoezichtstelling binnen een termijn van zes maanden af te ronden.

De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat [zoon] het met deze beslissing niet eens is en wil daarom tegen [zoon] het volgende zeggen. De voorzieningenrechter kan goed begrijpen dat [zoon] behoefte heeft aan contact met [gedaagde], die hij als vaderfiguur lijkt te zien. Dit heeft de Raad ook onderkend. Waarom dan toch een straat- en contactverbod? De voorzieningenrechter denkt dat dit voor de komende periode het beste is voor [zoon]. Ook [eiser] wil met dit straat- en contactverbod [zoon] niet dwarszitten, maar heeft dit verzocht omdat dit noodzakelijk is voor [zoon] ontwikkeling en toekomst. Dat twee mensen erg dol op elkaar zijn, betekent niet altijd dat het goed is als ze samen zijn. Soms kunnen twee mensen, ondanks de goede bedoelingen, toch geen goede invloed op elkaar hebben. Dan kan het beter zijn om elkaar (tijdelijk) niet te zien en later – als de situatie weer rustig is – al dan niet met wat hulp te kijken of en hoe het contact weer kan worden hervat op een manier die voor iedereen goed is. De voorzieningenrechter wil [zoon] dan ook meegeven dat het straat- en contactverbod dus niet wordt opgelegd om [zoon] tegen te werken of voor hem belangrijke personen uit zijn leven te houden (en dat dat ook niet de bedoeling is van zijn moeder).

Omdat [gedaagde] het vorige straat- en contactverbod meermaals heeft overtreden, zal de gevorderde dwangsom worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld. Een prikkel tot nakoming van het straat- en contactverbod is immers noodzakelijk gebleken. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding de dwangsom te maximeren op een bedrag van

€ 20.000,00.

De voorzieningenrechter zal de gevorderde lijfsdwang en naleving van het straatverbod met de sterke arm van de politie afwijzen. Bij het vorige straat- en contactverbod is gebleken dat een dwangsom een voldoende prikkel was tot nakoming, zodat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om deze vorderingen toe te wijzen.

[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- griffierecht

€

93,00

- salaris advocaat

€

1.177,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.459,00

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

verbiedt [gedaagde] om gedurende zes maanden na de datum van dit vonnis op welke wijze dan ook telefonisch, mondeling, schriftelijk, per e-mail fysiek of anderszins contact te zoeken met [zoon],

verbiedt [gedaagde] om gedurende zes maanden na de datum van dit vonnis om zich binnen een straal van 100 meter in en om [woonvoorziening], gevestigd aan [adres], te begeven of op te houden,

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere keer dat één van de verboden genoemd onder 6.1 en 6.2. wordt overtreden na betekening van dit vonnis, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.459,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Kattenberg en in het openbaar uitgesproken op

30 september 2026.

1169/wh

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand