[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1951 te [geboorteplaats] , wonende [woonplaats] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het inhoudelijke onderzoek ter terechtzitting van 29 september 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.F. Klunder, advocaat te Heerenveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2022 tot en met 30 juni 2024 te Harlingen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door onverhoeds de (bedekte) borst(en) van [slachtoffer] te betasten en/of aan te raken en/of vast te houden, die [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten door
2
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 1 maart 2025 te Harlingen met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten door
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feit 1 en feit 2. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat hoewel op sommige punten misschien wettig bewijs aanwezig is, de overtuiging ontbreekt.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van feit 1 en feit 2, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Voor de verklaring van aangeefster is onvoldoende steunbewijs aanwezig.
Oordeel van de rechtbank Bewijs in zedenzaken Vooraf
Aan verdachte is een zedendelict tenlastegelegd. In zedenzaken spelen de feiten zich doorgaans tussen twee personen af, buiten het zicht van anderen. Bewijs van schuld aan het verwijt of de verwijten is bij zedenzaken daarom vaak moeilijk vast te stellen. In de kern gaat het vaak om het woord van de een tegen het woord van de ander. Dat geldt in beginsel ook voor deze zaak. De belastende verklaring van aangeefster over wat er zich heeft afgespeeld staat immers tegenover de ontkennende verklaring van de verdachte.
Bewijsminimum
In artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald dat het oordeel dat een verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend mag worden gebaseerd op de verklaring van één getuige (in dit geval: aangeefster). Er moet altijd steunbewijs zijn. Als hetgeen de aangeefster verklaart op zichzelf staat en niet wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel, moet de rechter de verdachte vrijspreken. Oók als de rechter de verklaring van de aangeefster geloofwaardig en betrouwbaar acht. Dat wordt niet anders als de aangeefster haar ervaringen met anderen heeft gedeeld. De belastende verklaring is dan immers nog altijd uit één bron afkomstig. Artikel 342 Sv heeft betrekking op de bewezenverklaring als geheel en vereist dus niet dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat het zedendelict als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van het slachtoffer op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Een voorbeeld daarvan is een getuigenverklaring die een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van aangeefster (vlak) nadat het strafbare feit zou zijn gepleegd.
De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
De rechtbank acht feit 1 en feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat niet uit de aangifte en overigens ook niet uit de andere verklaringen in het dossier blijkt dat het geven van een kus op de mond en/of een omhelzing/knuffel tegen de wil van aangeefster zou zijn geweest, zodat verdachte in ieder geval van die betreffende gedachtestreepjes in de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.
Daarmee resteert de vraag of kan worden bewezen dat verdachte onverhoeds of tegen de wil van aangeefster, haar borsten heeft aangeraakt, vastgepakt en/of erin heeft geknepen. De rechtbank beantwoordt die vraag, als gezegd, ontkennend zodat verdachte van al hetgeen hem ten laste is gelegd zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster
Aangeefster heeft op 15 april 2025 aangifte gedaan tegen verdachte, omdat verdachte meermaals haar borsten zou hebben aangeraakt, vastgepakt en erin zou hebben geknepen. Dat gebeurde volgens aangeefster meestal tijdens het begroeten als verdachte bij haar op visite kwam. De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verklaring van aangeefster voldoende betrouwbaar is om deze verklaring als uitgangspunt voor de bewijsvoering te kunnen gebruiken.
De rechtbank stelt voorop dat aangeefster op zich consistent en specifiek heeft verklaard over dat verdachte seksuele handelingen bij haar heeft verricht, maar de omstandigheden waaronder en de momenten waarop deze handelingen hebben plaatsgevonden blijven grotendeels onduidelijk. Aangeefster verklaart wel dat het steeds bij haar thuis is geweest, maar ook dat zij niet meer precies weet wanneer en
hoe vaak ze door verdachte bij haar borsten is gepakt. Hierbij valt op dat wat aangeefster op die onderdelen heeft verklaard in haar aangifte afwijkt van wat zij heeft verklaard in het informatieve gesprek. De rechtbank constateert dat het daardoor lastig is om de verklaring van aangeefster te gebruiken voor het vaststellen van de relevante feiten. Dat wil niet zeggen dat de rechtbank vindt dat de verklaring van aangeefster onbetrouwbaar is, maar wel dat zij daar in deze zaak behoedzaam mee moet omgaan. De rechtbank zal daarom op dit punt niet ingaan op wat er verder is aangevoerd ten aanzien van de betrouwbaarheid van de aangifte, maar zal eerst kijken of er voldoende steunbewijs is en of dat steunbewijs van voldoende gewicht is.
Steunbewijs
Mogelijk steunbewijs voor de verklaring van aangeefster zou in deze zaak gevonden kunnen worden in de verklaring van getuige [getuige 1] (de partner van aangeefster). Aangeefster verklaart in haar aangifte over een concreet moment naar de rechtbank begrijpt in maart of april 2022, althans anderhalve maand na de eerste keer in midden februari 2022 waarop getuige [getuige 1] zou hebben gezien dat aangeefster door verdachte bij haar borsten werd vastgepakt. Getuige [getuige 1] verklaart inderdaad dat hij wel eens heeft gezien dat aangeefster door verdachte bij haar borsten werd gepakt, maar dat was volgens getuige [getuige 1] tijdens de laatste keer dat verdachte bij aangeefster thuiskwam (wat blijkens de verklaring van aangeefster in maart 2025 was). Of getuige [getuige 1] daarnaast meerdere handelingen zelf heeft waargenomen, welke handelingen dit waren en wanneer dit precies was, blijkt niet duidelijk uit zijn verklaring. De verklaring van getuige [getuige 1] is naar het oordeel van de rechtbank daarom onvoldoende duidelijk om als steunbewijs te kunnen dienen.
Hoewel er volgens aangeefster op verschillende momenten ook andere mensen in huis waren tijdens de ten laste gelegde seksuele handelingen, zijn er blijkens het dossier geen andere getuigen geweest die daarvan iets hebben waargenomen, althans daarover hebben verklaard. Ook niet over de emotionele of fysieke toestand van aangeefster nadat de strafbare feiten zouden zijn gepleegd. Getuige [getuige 2] heeft - overigens pas in februari/maart 2025 - alleen gehoord van aangeefster dat verdachte aan haar
borsten zou hebben gezeten; zij heeft dit niet zelf waargenomen. Ook heeft zij geen opvallende emotionele of fysieke toestand van aangeefster waargenomen vlak nadat de ten laste gelegde feiten zouden zijn gepleegd. Getuige [getuige 3] , die in de ten laste gelegde periode altijd met verdachte mee was als hij op bezoek ging bij aangeefster, heeft evenmin iets gezien van de beweerdelijke seksuele handelingen en/of van een veranderde emotionele of fysieke toestand vlak nadat de ten laste gelegde feiten zouden zijn gepleegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaring van aangeefster onvoldoende door de overige bewijsmiddelen wordt ondersteund.
Conclusie
De rechtbank concludeert dat op basis van het strafdossier niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte onverhoeds of tegen de wil van aangeefster, haar borsten heeft aangeraakt, vastgepakt en/of erin heeft geknepen. Er kan daarom niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zodat verdachte zal worden vrijgesproken.
Benadeelde partij
[slachtoffer] (feit 1 en feit 2) heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 8.000,00 ter vergoeding van immateriële schade.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat hij vrijspraak van de feiten heeft gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren gelet op het standpunt dat de verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de feiten waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , feit 1, feit 2:
Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] haar eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.S. van den Berg, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en
mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Bakker-Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 oktober 2026.
Mr. E.S. van den Berg en mr. M.S. van der Kuijl zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.