[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 september 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.J.H. Lina, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door de officier van justitie mr. S. Zoer.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode tussen 11 mei 2026 tot en met 12 mei 2026 te Groningen opzettelijk brand heeft gesticht, in een auto, een blauwe Toyota Yaris, (met het kenteken [kenteken 1] ), door
-op de bijrijdersstoel te gaan zitten van de voornoemde auto en/of
-daarbij een jerrycan op zijn schoot te houden en/of op de bestuurdersstoel (naast zich) te houden en/of
-open vuur (middels een aansteker) in aanraking te brengen met een brandbare materie
terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten overige onderdelen van die voornoemde auto en/of andere voertuig(en) die naast en/of in de directe omgeving, van de voornoemde auto geparkeerd stonden, te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 11 mei 2026 tot en met 12 mei 2026 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk een auto, een blauwe Toyota Yaris, (met het kenteken [kenteken 1] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar heeft gemaakt;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode tussen 11 mei 2026 tot en met 12 mei 2026 te Groningen, zeer, in elk geval aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend een aansteker en/of
een sigaret, in ieder geval open vuur, in aanraking heeft gebracht met een jerrycan, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan brand is ontstaan, waardoor het aan verdachtes schuld te wijten was dat er brand is ontstaan en/of een ontploffing teweeg is gebracht, terwijl daardoor
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een auto, een blauwe Toyota
Yaris, (met het kenteken [kenteken 1] ) in elk geval enig goed en/of andere voertuig(en) die naast en/of in de directe omgeving, van de voornoemde auto geparkeerd stonden
onstond.
De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat er sprake is van een kennelijke verschrijving in de tenlastelegging, nu er telkens [kenteken 2] had moeten staan in plaats van [kenteken 1] . Zij heeft verzocht om dit verbeterd te lezen.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit. Hiertoe heeft zij gesteld dat een verbalisant heeft gezien dat er vlammen uit een jerrycan kwamen, dat deze jerrycan niet van aangeefster was en dat het wel duidelijk is dat verdachte die jerrycan bij zich had. Hij had ook een aansteker in zijn hand en een andere aansteker in zijn broekzak. Nu vastgesteld kan worden dat hij een jerrycan met een brandbare vloeistof bij zich had en hij met aanstekers bezig was in de buurt daarvan, kan het opzet op de brandstichting, in ieder geval in voorwaardelijke zin, bewezen worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Verdachte heeft zelf vanaf het begin verklaard dat hij een sigaret aan het roken was. Het is onduidelijk of hij een sigaret in de jerrycan heeft gestopt, of hij de aansteker bij de jerrycan heeft gehouden of dat de sigaret bijvoorbeeld in de jerrycan is gevallen. Het is daarbij onbekend hoe de jerrycan daar is gekomen. Tot slot is ook nog de vraag wat verdachte wist van de inhoud van de jerrycan. Gelet op al deze onduidelijkheden verzoekt de verdediging vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde, nu het opzet niet vastgesteld kan worden.
De raadsvrouw heeft daarbij ook verzocht om verdachte van het meer subsidiaire ten laste gelegde vrij te spreken. Het is onduidelijk wat verdachte heeft gedaan in de auto en of het voor hem voorzienbaar was dat er brand zou ontstaan. Er kan dus ook niet vastgesteld worden dat hij met een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid heeft gehandeld.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde
De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om vast te stellen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht, ook niet in voorwaardelijke zin.
Voor de beantwoording van de vraag of verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het stichten van brand is in de eerste plaats van belang wat er in verdachte omging voorafgaand aan en ten tijde van de brand. De rechtbank stelt vast dat verdachte te dien aanzien geen coherente verklaringen heeft afgelegd, waardoor niet kan worden vastgesteld wat op het moment van het ontstaan van de brand in verdachte is omgegaan. Vol opzet op het stichten van brand kan aldus niet worden vastgesteld.
Het (voorwaardelijk) opzet kan evenwel ook worden afgeleid uit de gedragingen van verdachte. De officier van justitie heeft gesteld dat de in de auto aangetroffen jerrycan niet van aangeefster was en dat het derhalve verdachte moet zijn geweest die deze bij zich had. Door naast die jerrycan een sigaret te roken, zou verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans op het ontstaan van brand hebben aanvaard. De rechtbank heeft echter in het dossier geen steun gevonden voor de vaststelling dat de jerrycan niet van aangeefster was. Ook volgt nergens uit dat verdachte de jerrycan bij zich had. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet geconcludeerd kan worden dat verdachte zelf de jerrycan meegenomen moet hebben. Uit de verklaring van verdachte volgt verder enkel dat hij in de auto een sigaret heeft gerookt. Daaruit kan niet zonder meer de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op het ontstaan van brand door verdachte worden afgeleid. Voor het overige zijn er in het dossier onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat het niet anders kan dan dat verdachte met (voorwaardelijk) opzet heeft gehandeld.
Uit het dossier leidt de rechtbank af dat de brand in de auto kennelijk is ontstaan doordat een brandbare (vloei)stof (die zich in een jerrycan bevond) in aanraking is gekomen met vonken dan wel open vuur, maar op welke wijze dit precies is gebeurd, volgt niet uit het dossier. In het licht van het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de wil heeft gehad om brand te stichten, dus ook niet dat hij een aanmerkelijke kans op het ontstaan van brand bewust heeft aanvaard. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op brandstichting. Om diezelfde reden is er ook onvoldoende bewijs voor (voorwaardelijk) opzet op vernieling van de auto.
De rechtbank acht derhalve de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
Meer subsidiair ten laste gelegde Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 mei 2026, opgenomen op pagina 7 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2026125859 d.d. 13 mei 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Ik ben eigenaar van het voertuig, een Toyota Yaris, voorzien van het kenteken [kenteken 2] . Ik heb mijn auto gisteren 11 mei 2026 om 16:30 uur geparkeerd in een parkeervak aan de [adres] te Groningen ter hoogte van de ingang van mijn flat. Omstreeks 00:15 uur werd ik wakker door veel lawaai. Toen ik naar buiten keek zag ik dat mijn auto in de brand stond.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 12 mei 2026, opgenomen op pagina 9 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :
Op 11 mei 2026, omstreeks 23.30 uur, zag ik vanuit mijn woning aan de [adres] te Groningen dat er een persoon in de auto van mijn buurvrouw zat. Ik zag dat de persoon op de bijrijdersstoel zat. Ik zag daarnaast enkele vonken in het voertuig. Kort daarna zag ik dat zich rook ontwikkelde in het voertuig, terwijl de persoon in de auto bleef zitten. Ik zag vervolgens dat de politie ter plaatse kwam en dat een politieagent de persoon uit het voertuig trok. Enkele seconden daarna zag ik dat het voertuig in brand vloog.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 12 mei 2026, opgenomen op pagina 23 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Omstreeks 00:15 uur kwam ik ter plaatse aan de [adres] . Ik zag aldaar een personenauto staan, te weten een blauwe Toyota Yaris. Ik zag dat zich een persoon bevond op de bijrijdersstoel van het voertuig.
Ik zag een witte jerrycan op de bestuurdersstoel staan. Op dat moment zag ik dat zich rook ontwikkelde in het voertuig. Tevens zag ik aan de bovenkant van deze jerrycan vlammen ter hoogte van het stuur. Ik heb de man (de rechtbank begrijpt: verdachte) uit het voertuig getrokken en op de grond gebracht. Kort hierna zag ik dat het voertuig daadwerkelijk in brand vloog.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 mei 2026, opgenomen op pagina 14 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en
[verbalisant] :
Verdachte hield een roze aansteker in zijn rechterhand. Tijdens de fouillering werd in de kleding van de verdachte een auto (12 volt) aansteker aangetroffen.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 mei 2026, opgenomen op pagina 16 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Wij waren belast met het onderzoek naar de brandstichting aan de [adres] te Groningen. Wij zagen brandschade aan het wegdek bij de parkeerplaatsen en wij zagen dat er op de twee naastgelegen parkeerplaatsen restanten van gebroken glaswerk te zien was.
Wij zagen aan de locatie dat de twee voertuigen die zijn weggehaald door de collega(s), dat er direct gevaar was voor deze goederen om ook in brand te vliegen.
Bewijsoverweging
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie onder schuld als bestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat uit verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte, zonder toestemming, in de auto van aangeefster is gaan zitten. Hij zat op de bijrijdersstoel en op de bestuurdersstoel stond een witte jerrycan. Op enig moment heeft hij een aansteker gebruikt en zijn er vlammen ontstaan aan de bovenkant van de jerrycan. De rechtbank kan niet vaststellen of de brand is ontstaan door, bijvoorbeeld, het direct aansteken van een brandbare vloeistof of door het aansteken van een sigaret, waarna deze contact heeft gemaakt met de inhoud van de jerrycan. Wel is de rechtbank van oordeel dat verdachte met een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid heeft gehandeld. Verdacht is immers in de auto van iemand anders gaan zitten en heeft op enige wijze vuur in contact laten komen met de inhoud van de jerrycan. Ook als dit gebeurd zou zijn door het onopzettelijk laten vallen van een sigaret in de jerrycan, is de rechtbank van oordeel dat in deze omstandigheden in de auto met een jerrycan (met onbekende inhoud) naast zich een hoge mate van voorzichtigheid geboden was en dat verdachte verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld.
De rechtbank komt daarom tot een bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het meer subsidiaire ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij in de periode tussen 11 mei 2026 tot en met 12 mei 2026 te Groningen, aanmerkelijk onvoorzichtig open vuur, in aanraking heeft gebracht met een jerrycan, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan brand is ontstaan, waardoor het
aan verdachtes schuld te wijten was dat er brand is ontstaan, terwijl daardoor
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een auto, een blauwe Toyota Yaris, met het kenteken [kenteken 1] , en andere voertuigen die in de directe omgeving van de voornoemde auto geparkeerd stonden, ontstond.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:
aan zijn schuld brand te wijten zijn, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 155 dagen, met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat in het geval van een veroordeling verdachte meteen in vrijheid gesteld zou moeten nu verdachte zich voor onderhavig feit al te lang in voorarrest bevindt.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van het Leger des Heils [locatie] , het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Het is aan de schuld van verdachte te wijten dat er een brand is ontstaan in de auto van aangeefster. Het veroorzaken van een brand is een ernstig feit dat schade en gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt voor omwonenden. Uit het schade-onderbouwingsformulier blijkt dat ook bij aangeefster gevoelens van onzekerheid, onveiligheid en angst speelden.
De auto is volledig vernield door de brand en alleen door het optreden van verbalisanten kon voorkomen worden dat daar geparkeerde autos niet ook vlam hebben gevat.
Persoon van verdachte
Uit de justitiële documentatie van verdachte volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De rechtbank weet weinig over verdachte, anders dan dat hij uit Somalië komt en sinds 2014 heeft gewoond in verschillende landen in Europa. Sinds 10 mei 2026 zijn er in Nederland meldingen met betrekking tot verdachte geregistreerd door de politie.
De rechtbank heeft gezien en gelezen dat verdachte veel verward gedrag heeft vertoond, onder meer bij de reclassering, bij de politie en bij de rechtbank. Er is geen psychiatrisch of psychologisch rapport opgesteld, nu verdachte geen verblijfsstatus heeft en de mogelijkheden om te adviseren over een passend behandel- of toezichtkader beperkt werden geacht. Wel heeft de rechtbank acht geslagen op de uitlatingen en gedragingen van verdachte tijdens zittingen bij de rechtbank en op de medische gegevens die door de verdediging zijn overlegd. Uit de medische gegevens blijkt onder meer van een psychotisch toestandsbeeld bij verdachte waarvoor hij inmiddels ook medicatie krijgt. Ook blijkt dat verdachte de afgelopen maanden soms zorgwekkend gedrag heeft vertoond in de PPC.
Toerekeningsvatbaarheid
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het zeer waarschijnlijk is dat bij verdachte sprake is van een stoornis en zijn functioneren ook ten tijde van het strafbare feit beïnvloed en beperkt werd door die stoornis. Dit leidt tot het oordeel dat het bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.
Op te leggen straf
Bij gebrek aan landelijk vastgestelde oriëntatiepunten heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. In strafmatigende zin houdt de rechtbank daarbij rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Deze straf valt lager uit dan de eis van de officier van justitie, mede doordat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.395,00 ter vergoeding van materiële schade en 600,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de kosten van de auto en de immateriële schade toegewezen kan worden en dat de benadeelde voor het overige in de vordering nietontvankelijk dient te worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering slechts ten aanzien van de dagwaarde van de auto toegewezen kan worden en de benadeelde voor het overige in de vordering voor het overige nietontvankelijk verklaard dient te worden.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij een deel van de gestelde schade, te weten de dagwaarde van de Toyota Yaris, heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Dit deel van de vordering, waarvan de hoogte niet inhoudelijk door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 12 mei 2026. De rechtbank zal daarbij de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
Ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde reparatiekosten voor een reparatie aan de auto voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit in beginsel niet te kwalificeren zijn als rechtstreekse schade. Dit was wellicht anders geweest als de dagwaarde van de auto door de reparatie hoger was uitgevallen, maar dit is niet onderbouwd. De benadeelde partij zal voor dit deel dan ook nietontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
De benadeelde partij heeft ook vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen.
Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, kunnen de aard en ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen, tenzij de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank komt dit deel van de vordering niet voor toewijzing in aanmerking, nu geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld en de benadeelde partij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. De aard en de ernst van de normschending in combinatie met de gevolgen daarvan brengen in dit geval niet met zich mee dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de benadeelde in de vordering voor dit deel nietontvankelijk is en dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 158 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige deel van de materiële schade niet-ontvankelijk is in de vordering.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] ten aanzien de immateriële schade niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit
1.000,00 aan materiële schade
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet
op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. S. Zwarts en mr. J. Faber, rechters, bijgestaan door mr. S. Runia, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 oktober 2026.
Mr. Faber is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.