RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
Zaak-/rekestnr.: C/18/251415 / FA RK 26-60
Afwijzing machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
Beschikking van 27 januari 2026 naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] , [geboorteplaats]
wonende aan [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. P. Rijnsburger, kantoorhoudende te Leeuwarden.
1. Het procesverloop
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift van de officier van justitie met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 6 januari 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026, bij betrokkene thuis. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
betrokkene, bijgestaan door mr. P. Rijnsburger;
[naam] , psychiater en tevens de zorgverantwoordelijke;
[naam] , regelbehandelaar.
De officier van justitie is niet ter zitting verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.
2. De beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 5:17 lid 3 Wvggz voegt de officier van justitie bij het indienen van een verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging onder meer een medische verklaring toe. Deze medische verklaring moet op grond van artikel 5:7 Wvggz zijn opgesteld door een psychiater, die onafhankelijk functioneert. Uit deze medische verklaring moet op grond van artikel 5:8 lid 1 Wvggz de actuele gezondheidstoestand van betrokkene blijken. Volgens vaste rechtspraak moet de psychiater betrokkene persoonlijk onderzoeken, dat wil zeggen dat hij de betrokkene in een direct (fysiek) contact spreekt en observeert. Indien dit in uitzonderlijke omstandigheden niet mogelijk is, moet de psychiater uiteenzetten waarom hij de betrokkene niet of slechts in beperkte mate heeft kunnen onderzoeken en op welke gronden hij, mede aan de hand van de van derden verkregen informatie, tot de slotsom is gekomen dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Van de psychiater mag worden verwacht dat hij alles in het werk heeft gesteld wat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd om het onderzoek op een verantwoorde wijze te laten plaatsvinden.
Bij het onderhavige verzoek is door de officier van justitie een medische verklaring gevoegd, waarbij het de onafhankelijke psychiater bij het opstellen van de medische verklaring ondanks meerdere pogingen niet is gelukt om in contact te komen met betrokkene. De psychiater heeft geprobeerd betrokkene op 16 december 2025 te spreken. Betrokkene is hiervoor per brief uitgenodigd en hij heeft vanuit het regioteam nog een herinnering via WhatsApp gekregen. Betrokkene is niet verschenen op deze afspraak. Op 22 december 2025 is door de psychiater nogmaals geprobeerd om betrokkene te spreken te krijgen. Betrokkene is nogmaals per brief uitgenodigd en het regioteam heeft hem ook nog een herinnering via WhatsApp gestuurd. Betrokkene is opnieuw niet verschenen op de afspraak. De onafhankelijke psychiater heeft daarom besloten om de medische verklaring op te stellen op basis van dossieronderzoek en verkregen informatie van de zorgverantwoordelijke.
De rechtbank is in beginsel van oordeel dat het tweemaal schriftelijk uitnodigen in combinatie met een WhatsAppbericht onvoldoende is om te concluderen dat alles in het werk gesteld is wat redelijkerwijs van de psychiater mag worden verwacht. De psychiater had bijvoorbeeld ook op huisbezoek kunnen gaan, wat gelet op de vermoede problematiek voor de hand had gelegen. De rechtbank zal hieraan geen consequenties verbinden nu betrokkene tijdens de mondelinge behandeling duidelijk heeft gezegd dat hij bewust niet is verschenen en ook niet wil meewerken aan een (nieuw te plannen) gesprek met de onafhankelijk psychiater. Gelet hierop is rechtbank van oordeel dat, ondanks dat betrokkene niet in persoon is onderzocht, deze medische verklaring met de overige verkregen inlichtingen, voldoende informatie over de geestelijke gezondheid heeft opgeleverd om het verzoek om een zorgmachtiging te kunnen beoordelen.
De rechter kan op verzoek van de officier van justitie een zorgmachtiging verlenen ten aanzien van de betrokkene wanneer wordt voldaan aan de criteria en de doelen van verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:3 en 3:4 Wvggz. Verplichte zorg is zorg die ondanks verzet kan worden verleend.
Wanneer het gedrag van de betrokkene als gevolg van een psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel, kan als uiterste middel verplichte zorg worden verleend, mits er geen mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid zijn, er geen minder bezwarende alternatieven zijn, het verlenen van verplichte zorg evenredig is en redelijkerwijs te verwachten is dat het verlenen van verplichte zorg effectief is.
Verplichte zorg kan worden verleend om ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen of de door een psychische stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek niet voldoet aan deze vereisten en overweegt hiertoe als volgt.
Uit de overgelegde stukken en uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is gebleken dat betrokkene eerder gedwongen zorg heeft ontvangen voor een psychische stoornis, in de vorm van schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen. In oktober 2020 heeft betrokkene de behandeling door het FACT gestaakt. Binnen enkele maanden was er sprake van een ernstige recidief psychose en werd betrokkene opgenomen middels een crisismaatregel en later met een zorgmachtiging. Uit de zitting en in de stukken is toegelicht dat betrokkene zich op dit moment (opnieuw) aan de behandeling onttrekt. Hij is niet meer te bereiken, is gestopt met werken bij Mind-Up en reageert niet op pogingen van de GGZ om in contact te komen. Er is weer eenzelfde patroon zichtbaar als bij eerder ontregelingen. In het signaleringsplan is het volgens de GGZ fase rood wanneer betrokkene geheel uit contact gaat, zoals nu het geval is. Ook de Lorezepam waarvan betrokkene altijd aangaf dit nodig te hebben heeft hij niet opgehaald. Betrokkene onttrekt zich aan de behandeling, dit doet hij naar eigen zeggen omdat hij van mening is dat hij op dit moment geen behandeling nodig heeft. De rechtbank acht het begrijpelijk dat de GGZ zich zorgen maakte over betrokkene en de kans op decompensatie. Met betrokkene is de rechtbank echter van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat het gedrag van betrokkene als gevolg van een psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. De situatie is kwetsbaar en gelet op het verleden, begrijpt de rechtbank de zorgen, maar op dit moment is er geen acuut ernstig nadeel aanwezig. Het enkel terugtrekken is daarvoor niet voldoende.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank - in overeenstemming met wat de advocaat primair heeft bepleit - het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging afwijzen, omdat er niet is voldaan aan de wettelijke criteria.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging af.
Deze beschikking is mondeling gegeven op 27 januari 2026 door mr. J. Teertstra, rechter, bijgestaan door de griffier en schriftelijk uitgewerkt en ondertekend op 6 februari 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
..
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
fn. 1231
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.