RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres] (eiseres) en [eiser] (eiser), uit [woonplaats] , eisers
het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland, het college.
Samenvatting
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/5232
(gemachtigde: mr. D. van der Wal),
en
Deze uitspraak gaat over de terugvordering van energietoeslag over 2022. Eiseres heeft volgens het college een gezamenlijke huishouding gevoerd met eiser, haar partner. Zij heeft deze gezamenlijke huishouding niet gemeld bij het college. Het college heeft de van eiseres teruggevorderde energietoeslag mede van eiser teruggevorderd. Eisers zijn het daar niet mee eens en voeren daarvoor een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte heeft gesteld dat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college heeft daarom de energietoeslag over 2022 ten onrechte van eisers (mede)teruggevorderd. Zij krijgen daarom gelijk en het beroep is gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat het college het bedrag van € 1.300,- aan energietoeslag aan eiser dient terug te betalen.
Inleiding en procesverloop
1. De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.1.1. Eiseres staat sinds 9 november 2019 in de Basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op een adres in [woonplaats] (adres). Zij huurt daar zelfstandig een woning. Eiseres heeft op 9 mei 2022 voor het jaar 2022 een eenmalige energietoeslag als bedoeld in artikel 35, vierde lid, van de Participatiewet (PW) aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft eiseres vermeld dat zij geen partner heeft en dat zij een inkomen uit werk heeft dat lager is dan de bijstandsnorm.1.2. Met het besluit van 12 juli 2022 heeft het college eiseres de energietoeslag voor het jaar 2022 toegekend. Zij heeft eerst eenmalig een bedrag van € 800,- gekregen. Op
21 september 2022 zijn aan eiseres de resterende € 500,- uitbetaald.
Op 27 februari 2025 heeft het college een ‘aanvraag briefadres’ ontvangen van eiser op het BRP-adres van eiseres. In het kader van een vooronderzoek heeft een toezichthouder van de gemeente informatie gevorderd bij waterbedrijf Vitens over het waterverbruik op het inschrijfadres/briefadres. Uit de door Vitens verstrekte gegevens volgt dat in de periode van 26 september 2023 tot 17 oktober 2024 op het uitkeringsadres een waterverbruik van in totaal 5 m³ is geregistreerd. Vervolgens heeft de toezichthouder een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan eiseres toegekende energietoeslag. Hiertoe is onder meer internetonderzoek gedaan en informatie gevorderd over het water-, gas- en elektraverbruik op het adres van eiseres. Op basis van de verkregen informatie is vastgesteld dat er gedurende alle jaren van de inschrijving van eiseres op haar adres sprake is van een laag water-, gas- en elektraverbruik. Op 27 maart 2025 hebben twee toezichthouders met eiseres een gesprek gevoerd, waarbij zij werd vergezeld door eiser. De bevindingen van het onderzoek staan vermeld in een rapport van 28 maart 2025.
Met het besluit van 8 april 2025 heeft het college het recht op energietoeslag over het jaar 2022 van eiseres ingetrokken en de ontvangen energietoeslag tot een bedrag van
€ 1.300,- van haar teruggevorderd.
Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Op 3 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de bezwarencommissie, kamer sociaal domein (commissie). De commissie heeft op 6 oktober 2025 advies uitgebracht aan het college.
Met het besluit van 15 oktober 2025 (bestreden besluit) heeft het college, onder overname van het advies van de commissie, het bezwaar tegen het besluit van 8 april 2025 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat eiseres de inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de PW heeft geschonden door geen melding te maken van het voeren van een gezamenlijke huishouding met eiser op zijn adres. Eiseres had in 2022 haar feitelijke hoofdverblijf niet op het BRP-adres, maar bij eiser. De ten onrechte verleende energietoeslag over 2022 wordt op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW van eiseres teruggevorderd. Op grond van artikel 59, tweede lid, van de PW heeft het college eiser hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor deze terugvordering. Er zijn geen bijzondere omstandigheden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigde van eisers; het college heeft zich afgemeld.
Standpunten van partijen
2. Eisers voeren aan dat eiseres de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden en dat daarom terugvordering van het bedrag van € 1.300,- aan energietoeslag over het jaar 2022 niet mogelijk is. Het college lijkt begripsbepalingen te hanteren die van de PW afwijken (‘huishouden’ en ‘zelfstandige woonruimte’). Dus als eisers zich al hadden kunnen verdiepen in de gemeentelijke Beleidsregels (waarvan er in 2022 vier verschillende versies zijn), dan had dit nog geen duidelijkheid gegeven over al dan niet bestaan van recht op de energietoeslag. Wel heeft eiser het bedrag van de terugvordering inmiddels aan de gemeente betaald. Ten slotte heeft eiseres in 2022 haar hoofdverblijf gehad op haar eigen adres en er was geen sprake van een gezamenlijke huishouding met eiser.
3. Het college vindt dat eiseres de inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de PW wél heeft geschonden. Onbekendheid met regelgeving ontslaat haar niet van de verplichting om juiste en volledige informatie te verstrekken. Uit de verklaringen van eiseres blijkt dat in 2022 sprake was van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de PW. Het college is gehouden het ten onrechte verleende bedrag aan energietoeslag over 2022 van eisers terug te vorderen. Van bijzondere omstandigheden om geheel of gedeeltelijk van (mede)terugvordering af te zien, is niet gebleken.
Beoordeling door de rechtbank
Omvang van het geding
4. Eiseres hebben de beroepsgrond dat niet duidelijk is welke versie van de gemeentelijke Beleidsregels op hen van toepassing is, op de zitting laten vallen. De rechtbank zal die beroepsgrond daarom niet meer bespreken. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college de energietoeslag over 2022 van eiseres terecht met terugwerkende kracht heeft ingetrokken en de gemaakte kosten van energietoeslag tot een bedrag van € 1.300,- terecht van eisers heeft (mede)teruggevorderd. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eisers, die hierna, voor zover nodig, zullen worden besproken.
Intrekking en terugvordering
De in artikel 17, eerste lid, van de PW neergelegde inlichtingenverplichting houdt in dat eiseres aan het college uit eigen beweging mededeling moet doen van alle feiten en omstandigheden waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op – in dit geval - het recht op energietoeslag. Als door de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte energietoeslag is verleend, moet het college de energietoeslag intrekken en de kosten daarvan terugvorderen.
Het besluit tot intrekking en (mede)terugvordering van energietoeslag is een voor eisers belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor terugvordering is voldaan in beginsel op het college. Dit betekent dat het college de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. In dit geval houdt dit in dat het college aannemelijk moet maken dat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij in het gehele jaar 2022 een gezamenlijke huishouding met eiser heeft gevoerd.
In artikel 2 van de Beleidsregels energietoeslag 2022 gemeente Smallingerland (Beleidsregels) is bepaald dat de eenmalige energietoeslag een vorm van bijzondere bijstand is, waarop de daarop betrekking hebbende bepalingen uit de PW van overeenkomstige toepassing zijn. In artikel 11, eerste lid, van de Beleidsregels is bepaald dat de aanvrager aan de inlichtingenplicht dient te voldoen zoals bedoeld in de wet (lees: de PW).
De rechtbank is van oordeel dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres haar inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de PW heeft geschonden als gevolg waarvan het college de energietoeslag over 2022 had moeten intrekken en terugvorderen. Zij zal dat hieronder uitleggen.
Iemand die een eenmalige energietoeslag aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij daarop recht heeft. De bewijslast rust dus in beginsel op eiseres als aanvraagster. Dit betekent concreet dat zij informatie diende te verstrekken over haar woonsituatie en haar inkomen. Daarna moest het college in het kader van de onderzoeksplicht deze informatie op juistheid en volledigheid controleren.
Eiseres heeft, zoals zij op de zitting heeft toegelicht, op het aanvraagformulier voor een eenmalige energietoeslag haar gegevens over haar woonsituatie en inkomen naar waarheid ingevuld. Het college heeft haar na beoordeling van deze aanvraag een energietoeslag toegekend van € 800,-, die later is verhoogd met een bedrag van € 500,-. Zij mocht er ten tijde van het indienen van de aanvraag dus vanuit gaan dat zij voldeed aan de in de Beleidsregels opgenomen voorwaarden om in aanmerking te komen voor een eenmalige energietoeslag die haar kenbaar waren. Eiseres kon uit de tekst van de Beleidsregels niet afleiden wat voor haar de toepasselijke regels waren. Ook al had zij de Beleidsregels gelezen, dan heeft zij nóg niet de in artikel 17, eerste lid, van de PW neergelegde inlichtingenverplichting geschonden. In artikel 2 van de Beleidsregels staat namelijk dat de daarop betrekking hebbende bepalingen uit de PW van overeenkomstige toepassing zijn. Met deze bepaling wordt verwezen naar artikel 35, vierde lid, van de PW, dat over bijzondere bijstand in de vorm van een eenmalige energietoeslag gaat, en niet naar de bepalingen van de PW in zijn geheel.
Dat in artikel 11, eerste lid, van de Beleidsregels is bepaald dat op de aanvrager de inlichtingenplicht rust zoals bedoeld in de wet, maakt het niet anders. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres geen bijstandsuitkering heeft en dat zij bij het indienen van haar aanvraag de juiste informatie aan het college heeft verstrekt zoals zij die zag. Bovendien staat in het toekenningsbesluit van 12 juli 2022 dat eiseres aan alle voorwaarden voldoet voor de energietoeslag. Dat het college in dat besluit heeft verwezen naar de in artikel 17 van de PW neergelegde inlichtingenplicht, leidt – gelet op wat hiervoor is overwogen – niet tot een ander oordeel. Eiseres hoefde zich dus niet af te vragen of zij bij het indienen van de aanvraag wel had voldaan aan de inlichtingenverplichting. Hoewel die verplichting objectief geformuleerd is en verwijtbaarheid daarbij geen rol speelt, heeft het college in dit geval ten onrechte aan eiseres tegengeworpen dat zij de inlichtingenverplichting niet is nagekomen.
Het college heeft het recht op energietoeslag over 2022 daarom ten onrechte ingetrokken. Dit heeft ook tot gevolg dat het college de gemaakte kosten van energietoeslag over 2022 tot een bedrag van € 1.300,- ten onrechte van eisers heeft (mede)teruggevorderd. De overige beroepsgronden die gaan over onder meer het water-, gas- en elektraverbruik en een gezamenlijke huishouding hoeven daarom niet meer te worden besproken.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Zij zal zelf in de zaak voorzien door de besluiten van 12 juli 2022 en 21 september 2022 te herroepen. Dit betekent dat de intrekking en de terugvordering van de energietoeslag over 2022 ongedaan worden gemaakt en dat het recht daarop blijft bestaan. De rechtbank bepaalt dat het college het bedrag van € 1.300,- aan eiser dient terug te betalen.
Eisers krijgen een vergoeding voor de kosten die zij in beroep hebben moeten maken voor verleende rechtsbijstand. Deze worden begroot op € 1.332,- (één punt voor het indienen van het bezwaarschrift en één punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde van € 666,- per punt), en € 1.868,- in beroep (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het bijwonen van de zitting; waarde per punt € 934,-), in totaal dus € 3.200,-. Zij krijgen ook het griffierecht terug.
Beslissing
De rechtbank:
uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.