ECLI:NL:RBNNE:2026:4470

ECLI:NL:RBNNE:2026:4470

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 16-10-2026
Datum publicatie 14-10-2026
Zaaknummer C/18/261003 / KG ZA 26-438
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Kort geding. Onrechtmatige publicatie. Weergave van uitlatingen van (anonieme) bronnen. Wederhoor. Reikwijdte kort gedingprocedure. Vorderingen afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer: C/18/261003 / KG ZA 26-438

Vonnis in kort geding van 16 oktober 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. C.J. Nierop,

tegen

MEDIAHUIS NEDERLAND B.V. h.o.d.n. LEEUWARDER COURANT,

te [plaats 1] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: LC,

advocaat: mr. L. Oranje.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding- de producties 1 t/m 38 van [eiser]- de conclusie van antwoord- de producties 1 t/m 13 van LC- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 oktober 2026- de pleitnota van [eiser]- de pleitnota van LC.

2. De kern van de zaak

Aanleiding van dit kort geding is een publicatie van LC in haar papieren krant en op haar website. In dat artikel tekent LC ervaringen van voormalig personeel en leveranciers van [eiser] op, uit de tijd dat [eiser] een snackbar exploiteerde. In die ervaringen wordt in de kern aan de orde gesteld dat [eiser] als snackbarhouder zijn voormalig personeel en leveranciers niet of slechts deels betaalde en geen verhaal biedt voor schuldeisers.

Volgens [eiser] is deze publicatie onrechtmatig, omdat hiermee zijn eer en goede naam wordt geschaad. [eiser] lijdt naar zijn zeggen schade door de publicatie. [eiser] heeft daarom in kort geding (kort gezegd) gevorderd dat LC het artikel van haar website moet verwijderen en een rectificatie dient te publiceren op straffe van een dwangsom.

De voorzieningenrechter zal de vorderingen van [eiser] afwijzen. De voorzieningenrechter zal die beslissing hierna toelichten, nadat eerst de relevante feiten en de vordering van [eiser] zijn weergegeven.

3. De feiten

[eiser] is een horecaondernemer. Vijftien jaar geleden verscheen hij regelmatig in de media omdat hij een groot geldbedrag in een casino had gewonnen. [eiser] heeft vervolgens meerdere horecaondernemingen gekocht, die vrij snel daarna failliet gingen.

Recent exploiteerde [eiser] als franchisenemer gedurende ongeveer twee jaar een snackbar in winkelcentrum [plaats 2] voor verschillende franchisegevers.

Twee journalisten van LC, [journalist 1] en [journalist 2] , zijn in 2025 een onderzoek gestart naar [eiser] , nadat zij signalen hadden ontvangen dat (oud-) medewerkers en zakelijke relaties nog geld tegoed hadden van [eiser] .

[eiser] heeft op 15 december 2025 contact opgenomen met chef van de redactie [medewerker 1] en heeft toen bezwaar gemaakt tegen het onderzoek door LC.

In een brief van 18 december 2025 heeft de toenmalige advocaat van [eiser] , mr. [advocaat 1] , aan LC geschreven dat [eiser] een conflict heeft met een voormalig personeelslid en haar partner en dat deze personen gedreigd hebben zijn onderneming kapot te maken, onder meer door inschakeling van de media. [eiser] heeft LC gesommeerd schriftelijk te bevestigen dat LC haar (verdere) medewerking aan één of meer publicaties over [eiser] , waarbij gebruik zal worden gemaakt van informatie die afkomstig is van het voormalig personeelslid en haar partner, zal staken.

LC heeft hierop gereageerd deze bevestiging niet te kunnen geven. Volgens LC is van enige onrechtmatigheid bij haar journalistiek handelen geen sprake. LC verzekert [eiser] daarbij contact met hem op te zullen nemen in het kader van wederhoor.

[eiser] heeft op 26 januari 2026 ongeveer een uur telefonisch gesproken met journalist [journalist 2] . [eiser] heeft in dit gesprek verklaard dat de financiële problemen van de snackbar grotendeels te wijten zijn aan de vorige eigenaresse, die volgens hem fraude heeft gepleegd. [eiser] heeft daarbij verklaard dat hij deze beschuldigingen met bewijs kon onderbouwen.

In een e-mail van 11 juni 2026 heeft LC aan [eiser] geschreven dat [eiser] door meerdere partijen wordt beschuldigd van wanbetaling, dat LC daar onderzoek naar gedaan heeft en dat dit zal leiden tot een publicatie in de LC. LC biedt [eiser] de kans te reageren op de beschuldigingen van deze partijen en heeft in dat kader verschillende vragen aan [eiser] voorgelegd.

In een brief van 16 juni 2026 heeft de voormalig advocaat van [eiser] , mr. N.M. [advocaat 2] , een ‘voorlopige inhoudelijke reactie’ op de vragen van LC gegeven. Mr. [advocaat 2] heeft verder in deze brief geschreven dat [eiser] reeds expliciet heeft aangeboden zijn standpunt nader toe te lichten en te onderbouwen aan de hand van onderliggende stukken, waaronder loonadministratie en correspondentie.

In een e-mail van 19 juni 2026 heeft LC aan mr. [advocaat 2] geschreven:

Uw cliënt stelt over loonadministratie en bijbehorende documentatie te beschikken. Daaruit zou blijken dat salaris betalingen structureel zouden hebben plaatsgevonden. U schrijft dat uw cliënt heeft aangeboden zijn standpunt te onderbouwen met onderliggende stukken.

Kunt u ons voor maandag 22 juni 2026, 12:00 uur, deze informatie doen toekomen via de mail? Dan kan de lezing van de medewerkers worden getoetst aan die onderliggende stukken.

Mr. [advocaat 2] heeft hierop gereageerd dat gezien de persoonlijke aard van de gegevens het gepast lijkt een inzage op zijn kantoor te organiseren zodat de privacy van alle betrokkenen kan worden gewaarborgd.

[journalist 1] , [medewerker 1] en bedrijfsjurist [bedrijsjurist] zijn op 22 juni 2026 om 11:00 uur op het kantoor van mr. [advocaat 2] verschenen. [eiser] was hierbij ook aanwezig. Mr. [advocaat 2] heeft nadien over dit bezoek geschreven:

De Leeuwarder Courant is op maandag 22 juni 2026 in de gelegenheid gesteld om de salarisadministratie van de heer [eiser] in te zien. De Leeuwarder Courant was met drie personen aanwezig: de heren [journalist 1] , [medewerker 1] en [bedrijsjurist] . Ze zijn om 11:00 uur bij ons op kantoor gearriveerd, waarna ze in de gelegenheid zijn gesteld om de administratie in te zien. Rond 11:45 uur heb ik verzocht om de inzage af te ronden, waarna de heren rond 12:00 uur ons kantoor weer verlieten. De Leeuwarder Courant is in de gelegenheid gesteld om aantekeningen te maken gedurende de inzage. Ook is aangegeven dat de Leeuwarder Courant terug kon komen als zij na de inzage nog vragen hadden. Hier is geen gebruik van gemaakt.

Op [datum] publiceerde LC op haar website het artikel “Snackbarhouder (43) uit Leeuwarden dreef personeel en leveranciers tot wanhoop. Waar bleef hun geld? ‘Nog nooit zoiets meegemaakt’” en in de papieren krant het artikel “Wat ging er mis bij deze snackbar in Leeuwarden?”. Beide artikelen hebben de volgende inhoud:

Leeuwarden Hij werd omschreven als een ’gepassioneerde en ervaren’ horecaondernemer, maar [eiser] (43) uit Leeuwarden maakte vooral zijn personeel en leveranciers boos. Wat ging er mis bij de snackbar in [plaats 2] ?

[journalist 2] , [journalist 1]

9 juli 2026, 08:10

Het is er al een tijd donker en stil, maar op deze plek in Winkelcentrum [plaats 2] was jarenlang een goedlopende snackbar gevestigd. Hongerige Leeuwarders treffen nu een dichte deur. Patat wordt er niet meer gebakken, de vriezers zijn verdwenen en de geur van snacks is vervlogen. Wat is er aan de hand?

De van oorsprong [woonplaats 2] ondernemer [eiser] was de afgelopen twee jaar eigenaar van de eetgelegenheid die achtereenvolgens bekendstond als [bedrijf 1] , Cafetaria [plaats 2] en [bedrijf 7] . Medewerkers zeggen dat [eiser] hun salaris niet of slechts deels betaalde. Ook diverse leveranciers geven aan dat ze amper vat kregen op [eiser] , die volgens hen lang niet altijd zijn telefoon opnam en rekeningen niet of heel laat betaalde.

De snackbar in winkelcentrum [plaats 2] is sinds januari gesloten. De zaak was eerder bekend als [bedrijf 1] en Cafetaria [plaats 2] .

Horecaondernemer [eiser] , bekend als ’de [bijnaam] ’, nam de snackbar twee jaar geleden over.

Voormalige medewerkers en leveranciers melden achterstallige betalingen, beweren dat salarissen niet of niet volledig werden uitbetaald en onbetaalde facturen.

De Arbeidsinspectie onderzoekt de loonkwesties, maar oud-medewerkers hebben weinig hoop op uitbetaling.

[bedrijf 7] presenteerde [eiser] als ’gepassioneerde en ervaren’ franchisenemer, maar de vestiging werd in januari alsnog gesloten.

[eiser] ontkent via zijn advocaat wanbetaling en zegt een gezonde horecazaak te hebben nagestreefd.

Het is niet voor het eerst in zijn leven dat [eiser] onder vuur ligt van schuldeisers. Hij won zo’n vijftien jaar geleden een groot geldbedrag in een casino. Hij stond vervolgens bekend als ’de [bijnaam] ’ en kocht meerdere horecazaken, die vrij snel failliet gingen. [eiser] haalde in 2013 zelfs het tv-programma Opgelicht?!, waar meerdere schuldeisers spraken van verbroken beloftes en smoezen over redenen waarom hij niet zou kunnen betalen. Een dergelijke geschiedenis lijkt zich nu te herhalen.

[bijnaam]

[eiser] werd bekend als ’de [bijnaam] ’, een bijnaam die media sinds zijn faillissement in 2012 gretig op [eiser] plakten. Hij liet zelf weten 2,2 miljoen euro te hebben gewonnen bij een casino. Maar over dat bedrag gingen destijds al verschillende verhalen rond. Hoe zit dat?

Het programma Opgelicht?! wijdde in 2013 in een uitzending aandacht aan [eiser] . Daarin kwam schuldeiser [schuldeiser] van [bedrijf 2] aan het woord. „Hij had een heel grote jackpot gewonnen bij een casino”, aldus [schuldeiser] . Volgens [eiser] ging het om een bedrag van 1,2 miljoen euro. „Maar twee weken daarna was het 1,4 en vier weken daarna was het 2 miljoen of zo. Het werd steeds meer.”

[eiser] heeft in de media altijd beweerd 2,2 miljoen euro te hebben gewonnen. Het faillissementsverslag uit 2013 laat iets anders zien. Het ging volgens curator [curator] om een ’gewonnen geldprijs van ongeveer 1 miljoen’, schreef zij toen. Dit geld zou zijn besteed aan ’de verwerving van [bedrijf 3] , het opstarten van discotheek [bedrijf 4] , de verwerving van de grond waarop de woning aan [adres] [in [woonplaats 2] – red.] is gebouwd en diverse andere zakelijke en privé-uitgaven’.

In de uitzending van Opgelicht?! liet Holland Casino weten dat in 2007 eenmalig een bedrag hoger dan 2 miljoen euro is gewonnen. Dat was in Amsterdam. [eiser] won zijn prijs in Groningen. En niet in 2007, maar in 2011. Tegen Opgelicht?! zei hij onder meer dat de prijs te vroeg viel door een systeemfout, dat er een geheimhoudingsovereenkomst was getekend door beide partijen.

Het casino gaf aan dat dit niet klopte en Opgelicht?! kreeg bewijs in handen dat [eiser] op 17 april 2011 een bedrag van bijna 1,1 miljoen euro won. Nog geen jaar later werd hij failliet verklaard. In gesprek met LC erkent [eiser] in december 2025 dat hij ’een miljoen’ heeft gewonnen.

Frustratie en boosheid

LC sprak met veertien oud-medewerkers, leveranciers, de franchisegever en de eerdere uitbater van de cafetaria. Zij kwamen allemaal met dezelfde boodschap: [eiser] belooft veel, maar komt zijn woord lang niet altijd na. Ze willen hun verhaal doen, maar op één voorwaarde: dat ze anoniem blijven. Sommige ex-werknemers zijn bang dat ze definitief kunnen fluiten naar hun geld als ze met naam worden genoemd, anderen vrezen dat [eiser] juist juridische stappen tegen hen zal ondernemen.

De situatie zorgt voor veel frustratie en boosheid. De gedupeerden hebben een tijd lang geprobeerd de hulp in te schakelen van een advocaat, maar dat bleek makkelijker gezegd dan gedaan. Meerdere keren kregen ze namelijk ’nee’ te horen op de vraag of een advocatenkantoor hen bij wilde staan. De reden? Al die kantoren hadden in het verleden al eens te maken gehad met [eiser] en konden vanwege een ’mogelijk conflicterend belang’ niks voor de schuldeisers betekenen.

Toen de snackbarmedewerkers uiteindelijk een juridisch luisterend oor vonden, ontstond er een nieuw probleem: ze konden in veel gevallen geen arbeidsovereenkomst en ook geen loonstrookjes overhandigen. Zonder deze papieren was het lastig om te bewijzen of zij daadwerkelijk voor [eiser] hebben gewerkt. De medewerkers zeggen honderden euro’s tot een paar duizend euro van de ondernemer te moeten krijgen. Ze hebben uiteindelijk een advocaat aan het werk gezet om hun geld te krijgen. Dat is tot nu toe zonder succes.

De oud-medewerkers hebben ook aangeklopt bij de Arbeidsinspectie, die onderzoek doet naar de kwestie en onlangs op huisbezoek is geweest bij een aantal ex-werknemers van [eiser] . Erg hoopvol zijn ze echter niet meer, stelt een van hen. Volgens haar hebben haar voormalige collega’s „gewoon geen zin meer om te blijven vechten voor hun geld, met zo’n kleine kans van slagen”. „De moed is weggezakt. We hadden het gevoel dat we sterk stonden met de waarheid achter ons. Het is een stuk moeilijker dan gedacht om gerechtigheid te krijgen.”

Voordeel van de twijfel

Dit verhaal begint in 2024, als [eiser] de vestiging van [bedrijf 1] in [plaats 2] binnenloopt. De zaak staat te koop en hij heeft interesse om de snackbar over te nemen. „Ik heb het bedrijf toen aan hem verkocht”, bevestigt de vorige eigenaresse. „Ik slaap er slecht van. Hij heeft er een potje van gemaakt. De zaak liep hartstikke goed en hij hoefde niet eens cijfers te zien. We waren er snel uit.” [eiser] hield zich daarna niet aan de betalingsafspraken, zo beweert de vrouw. „Telkens was er weer een ander smoesje.”

In mei 2025 besloot de oud- [woonplaats 2] het voor gezien te houden bij [bedrijf 1] . [eiser] gaat daarna op eigen houtje verder. De eigenaar van [bedrijf 1] – een franchiseformule met meerdere vestigingen in Friesland – laat weten dat [eiser] in eerste instantie op hem overkwam als een hardwerkende ondernemer.

„Je gelooft in het goede van de mens en ik kende zijn verleden niet”, zegt de man. „Je gaat niet iedereen googelen, dat kwam later pas. Hij handelde op een wijze waar wij ons niet in kunnen vinden.”

Hij wil niet zeggen hoeveel geld [eiser] hem nog is verschuldigd. „Dat vind ik niet netjes. Maar ik wil liever niks meer met de heer [eiser] te maken hebben en hem zo ver mogelijk bij mijn bedrijf vandaan houden.” De man benadrukt dat hij het niet eens was met hoe [eiser] ’met zijn personeel omging’. „We bestaan meer dan 25 jaar en hebben nog nooit zoiets meegemaakt.”

De voormalige medewerkers van de cafetaria zeggen dat het loon regelmatig niet of te laat kwam. Betalingen gingen soms als voorschot via een Tikkie, nadat ze er bij [eiser] om vroegen. Een van de oud-medewerkers wacht nog op een bedrag van 2000 euro. De twintiger zegt dat er ’altijd smoesjes’ waren wat betreft de betaling van het salaris. „Het was constant te weinig of te laat.”

De meeste werknemers met loonvorderingen vertrokken al gauw. Een aantal bleef een tijdje aan, in de hoop alsnog centen te beuren. Iemand anders zegt: „De eerste maanden ging het goed, maar daarna betaalde hij bijna niemand meer uit. Als ik erom vroeg, kreeg ik elke keer kleine beetjes.”

Een buitenlandse ex-medewerker laat weten nog zo’n 700 à 800 euro tegoed te hebben van [eiser] , maar het exacte bedrag weet hij niet. „Want ik heb nooit mijn volledige salaris gekregen. Hij zei dat er problemen waren met de accountant en dat het wel goed zou komen. Maar dat was bullshit.” De medewerker dacht dat salaris in Nederland altijd op tijd betaald zou worden. „Maar ik had het mis.”

Uit Whatsapp-gesprekken blijkt dat [eiser] een werknemer, die meerdere keren om salaris vroeg, af en toe een bedrag betaalde. Het was bij lange na niet genoeg. De medewerker kwam in de knel. ’M’n rekeningen stapelen maar op. Ik krijg allemaal extra kosten en kan het niet meer hebben’, appte de jonge man. Er kwam dagenlang geen reactie. „Ik heb maandenlang van mijn zorgtoeslag moeten leven en ben nu nog bezig met het afbetalen van de schulden”, zegt hij nu.

Een ander personeelslid dat via uitzendbureau [uitzendbureau] werkte, heeft ook nog een flinke vordering. [eiser] koos er in augustus 2025 voor om de loonadministratie en -betaling uit te besteden aan het uitzendbureau. De medewerker klopte aan bij [uitzendbureau] en ook bij [eiser] zelf, maar kreeg beide keren nul op het rekest. In de herfst van vorig jaar vroeg ze [eiser] om haar salaris. ’Ik sta altijd voor je klaar maar ik wil ook kunnen leven. We hebben al een maand niks gekregen.’ Het antwoord van de snackbarhouder: ’Dat weet ik, maar dit is niet mijn probleem. Je bent niet in dienst bij mij op dit moment.’

’Veel praatjes’

Ook leveranciers zeggen slechte ervaringen met [eiser] te hebben. Een van hen stelt dat hij ’heel veel praatjes heeft, maar niks waarmaakt’. De man leverde snacks aan de cafetaria, maar kreeg telkens niet het volledige bedrag betaald. „Het is bij hem altijd de schuld van een ander en het ligt nooit aan hem.” De leverancier wilde geen zaken meer met hem doen en dus ging [eiser] daarna naar een ander.

Die had aanvankelijk prima ervaringen met hem. [eiser] betaalde zijn snacks ter plaatse en contant. De ondernemer stelde voor om het voortaan via een factuur te doen. [eiser] stemde in, maar betaalde vervolgens drie rekeningen niet. „Ik vond het überhaupt al heel gek dat hij bij ons kwam, want wij zijn geen horecaleverancier en dus ook niet goedkoper voor de horeca.” Later kwam [eiser] alsnog over de brug met het betalen van de openstaande rekeningen van beide leveranciers.

Voor het bezorgen van bestellingen maakte [eiser] gebruik van acht auto’s van [bedrijf 5] . De leasemaatschappij haalde de voertuigen terug omdat er niet werd betaald. Medewerkers van [bedrijf 5] stellen normaliter niet in zee te gaan met ondernemers in de cafetariawereld. „We denken achteraf: hadden we dit wel moeten doen? Het is een ondernemer met een wat roemrucht verleden. We zijn ook niet graag actief in deze sector”, zeggen meerdere medewerkers. Dit laatste is omdat bezorgers niet altijd even voorzichtig met de voertuigen omgaan. Of dit in dit geval speelde, is niet bekend.

Bij fietsverhuurder [bedrijf 6] in [woonplaats 1] kennen ze [eiser] ook. „Hij had één bezorgfiets van ons”, zegt een van de eigenaars. „Het meeste geld hebben we gekregen, maar op het laatst niet meer. Hij was ineens met de noorderzon vertrokken.”

[bedrijf 6] stuurde geen aanmaningen naar [eiser] , zegt de vrouw. „Dat heeft weinig zin met zulke mensen. Van een kale kip valt niks te plukken. Het kost veel tijd en energie en er is toch geen geld.” De verhuurder heeft de fiets opgehaald en daarmee was het „wel weer goed”.

Een vloerenlegger, die inmiddels een incassobureau heeft ingeschakeld, zegt ’tegen beter weten in’ met [eiser] in zee te zijn gegaan. Hij kwam via een kennis aan de klus en was op de hoogte van het opzienbarende faillissement van de ondernemer in 2013. „Ik was gewaarschuwd, maar toch.”

Na een aanbetaling bleef het stil. De vloerenlegger heeft nog duizenden euro’s tegoed, blijkt uit facturen en aanmaningen die in handen zijn van LC. Sommige documenten dateren van bijna een jaar geleden. Nog altijd heeft de aannemer zijn geld niet. „Ik heb honderden appjes van hem en dan zegt hij dat het goed komt, maar daar trap ik niet meer in. Dit wordt waarschijnlijk een gevalletje ’van een kale kip kun je niet plukken’.”

Nieuwe naam

Nadat [eiser] in mei 2025 de letters van [bedrijf 1] van zijn snackbar laat halen, verschijnt de naam Cafetaria [plaats 2] op de gevel. Maar ook dat is niet voor lang, want in november vorig jaar krijgt de snackbar opnieuw een andere naam. [eiser] wordt dan via een persbericht aangekondigd als de nieuwste franchisenemer van snackformule [bedrijf 7] .

Hij zou volgens het bedrijf ’een gepassioneerde en ervaren’ horecaondernemer zijn. ’ [eiser] zet zijn klanten centraal door klantgerichte service, goede kwaliteit en een gevarieerd aanbod’, schreef de organisatie. ’Of je nu komt voor een kopje koffie, een lunch of een uitgebreide maaltijd, je bent altijd van harte welkom.’

[bedrijf 7] was vooraf op de hoogte van het eerdere bankroet van [eiser] . Dat was geen reden om hem te wantrouwen, laat operationeel manager [medewerker 2] schriftelijk aan LC weten. Hij rept van ’een bijzondere tijd’ in de jeugd van [eiser] en schrijft dat hij daarvoor in het verleden reeds de prijs heeft betaald.

’Dat heeft hij jaren geleden achter zich gelaten. Hij is bezig zijn bedrijf op te bouwen en wij ondersteunen daarin’, aldus [medewerker 2] . ’Wij kunnen u alleen zeggen dat de heer [eiser] hard werkt, ons niet teleurgesteld heeft en niet de intentie heeft om moedwillig mensen te benadelen.’

Dwingende brief

Enkele weken nadat LC met werknemers en leveranciers heeft gesproken, krijgt [eiser] daar lucht van. Hij belt naar de redactie en eist een gesprek met de hoofdredacteur.

[eiser] botste in het verleden vaker met de pers. Hij koos in 2013, na zijn faillissement, voor de aanval en sleepte nieuwssite Wâldnet en Omrop Fryslân voor de rechter. Hij was het niet eens met hun berichtgeving en vond dat boze lezersreacties onder de artikelen zijn ’goede eer en naam’ aantastten. [eiser] kreeg ten dele gelijk.

Nog voordat LC een letter over zijn snackbar heeft geschreven, stuurt [eiser] ’s advocaat [advocaat 1] al een dwingende brief. Hij eist dat deze krant per direct ’medewerking aan één of meer publicaties over cliënt (...) zal staken en gestaakt zal houden’. Zo niet, dan zou een rechtszaak volgen.

De advocaat verwijst ook naar een verklaring van [eiser] dat een voormalig personeelslid betrokken zou zijn geweest bij ’diefstal van een geldbedrag’. De bewuste medewerker laat aan LC weten dat zij met toestemming van [eiser] , in afwachting van haar loon, geld uit de kassa kon meenemen. „Hij vond het niet leuk, maar zei het wel te begrijpen”, legt ze uit. „Het was bedoeld voor de boodschappen.”

Sluiting

Begin dit jaar pakt [eiser] weer de telefoon en meldt hij LC de vestiging van [bedrijf 7] in [plaats 2] te zullen sluiten. [bedrijf 7] -manager [medewerker 2] wil ’uit respect voor alle betrokkenen’ geen toelichting geven op de sluiting van de cafetaria. ’Wij vinden het spijtig dat de vestiging haar deuren heeft moeten sluiten en beseffen dat dit (...) een ingrijpende gebeurtenis is.’

Eind januari wordt de zaak leeggehaald. Van de tafels en stoelen tot de apparatuur in de keuken: na de ontruiming is er amper iets overgebleven. Wie naar binnen gluurt, ziet alleen nog een stukje keukenblok staan en veel stroomkabels uit het kale beton steken.

Na drie maanden leegstand hangt er inmiddels een poster op de ramen: [bedrijf 7] kondigt een verbouwing aan en hier weer een nieuwe vestiging te zullen openen. Volgens [medewerker 2] is het vervelend voor ’ [eiser] en alle andere betrokkenen dat een sluiting noodzakelijk is geweest’. Verder wil hij er niks over zeggen.

Ook [eiser] zelf weidt er in januari niet over uit en ook telefonisch wil hij geen directe vragen beantwoorden. Daarvoor verwijst hij naar zijn advocaat [advocaat 1] . Voorafgaand aan de publicatie van dit verhaal neemt LC daarom contact op met de raadsman. Het wordt een kort telefoontje. Nadat de naam van [eiser] wordt genoemd, valt het stil aan de andere kant van de lijn. Nog voordat er een vraag kan worden gesteld, hangt [advocaat 1] op.

[eiser] blijkt een andere advocaat in de arm genomen te hebben: Niek [advocaat 2] . Via zijn nieuwe raadsman vraagt LC de ondernemer om te reageren op de verhalen van zijn ex-medewerkers en leveranciers.

In een brief van zijn advocaat ontkent [eiser] de beschuldigingen van wanbetaling. Hij wilde een ’gezonde en rendabele horecazaak’ opbouwen en ontkent zich onjuist tegen personeel te hebben gedragen. ’Salarisbetalingen hebben structureel plaatsgevonden, via een professionele loonadministratie’, aldus advocaat [advocaat 2] namens zijn cliënt. ’Behoudens incidentele en verklaarbare situaties zijn betalingen conform de geldende verplichtingen uitgevoerd.’

Ook leveranciers zijn ’in beginsel betaald’. In het geval [eiser] te laat betaalde, is er ’in overleg met de betrokken partijen’ gehandeld. Uit gesprekken met de vloerenlegger blijkt dat dit vooral eenzijdig was: [eiser] vroeg herhaaldelijk om uitstel en zei onder meer dat het benodigde geld niet op zijn rekening stond. De vloerenlegger schakelde uiteindelijk een incassobureau in om zijn geld te krijgen.

In de laatste alinea’s van de brief aan LC geeft [eiser] via zijn advocaat nog aan dat hij bereid is om inzage te geven in zijn ’loonadministratie en correspondentie’. ’Cliënt meent (...) dat hij de juistheid van al zijn stellingen kan onderbouwen’.

Twee mappen

Op die uitnodiging gaan de auteurs van dit verhaal in en op maandagochtend 22 juni legt [eiser] twee mappen met administratie over de jaren 2024 en 2025 op tafel. Hij benadrukt vanaf de eerste dag een professionele loonadministratie gevoerd te hebben en dat een accountant altijd heeft meegekeken.

De loonstrookjes en bankafschriften in de twee mappen mogen niet worden gefotografeerd en wanneer de journalisten aantekeningen willen maken, wordt ook dat in eerste instantie niet toegestaan. Na een onderling beraad op de gang concluderen de verslaggevers van LC dat deze ontmoeting op deze manier weinig nut heeft.

Nadat [eiser] en zijn advocaat met elkaar hebben overlegd, mogen de verslaggevers toch enkele notities maken, maar dan is er nog slechts een kwartier over om een blik te werpen op de honderden A4’tjes. Stipt om 12 uur zegt advocaat [advocaat 2] te willen afronden en gaan de mappen weer in de tas van [eiser] .

Als LC aan de hand van haar steekproef navraag doet bij de voormalige medewerkers van de snackbar, herkennen zij de bedragen op de loonstrookjes en bankafschriften wel. Maar zij geven aan dat die bedragen niet overeenkomen met het salaris dat ze hadden moeten ontvangen op basis van het aantal gewerkte uren.

[eiser] geeft in het gesprek aan dat de situatie hem hoog zit en dat hij het gevoel heeft in een kwaad daglicht te worden gesteld. „De waarheid staat bij mij altijd hoog in het vaandel. Ik vind het prima om elke dag in de krant te staan, maar dan moet het wel waar zijn wat er geschreven wordt. Als ik in 2013 niet in het nieuws was gekomen, dan hadden jullie dit verhaal nooit gemaakt.”

Verantwoording

Voor de totstandkoming van dit artikel heeft LC gesproken met veertien oud-medewerkers, leveranciers, de franchisegever en de eerdere uitbater van de snackbar. Zij wilden alleen anoniem hun verhaal doen, maar ze zijn bekend bij de redactie. De verslaggevers hebben daarnaast meerdere (onbetaalde) facturen in handen gekregen, correspondentie naar [eiser] ingezien en uitvoerige chatgesprekken tussen de ondernemer en zijn schuldeisers bekeken.

In een brief van 24 augustus 2026 heeft [eiser] LC gesommeerd het artikel per direct van de website te halen, alle verwijzingen ernaar op social media-accounts te verwijderen en een rectificatie op de voorpagina van de zaterdagkrant van LC te plaatsen. [eiser] stelt LC in deze brief ook aansprakelijk voor de door hem geleden en te lijden schade als gevolg van de onrechtmatige publicatie.

LC heeft aan deze sommatie geen gehoor gegeven.

4. Het geschil

[eiser] vordert, samengevat weergegeven:

LC te gelasten het artikel “Snackbarhouder (43) uit [woonplaats 1] dreef personeel en leveranciers tot wanhoop. Waar bleef hun geld? ‘Nog nooit zoiets meegemaakt’”, van haar website te verwijderen en verwijderd te houden, alsmede alle verwijzingen ernaar via de social media-accounts van LC;

LC te gelasten om binnen twee dagen na betekening van het vonnis een rectificatie te plaatsen op de homepage van LC en geplaatst te houden in tenminste 12 punts lettertype en zwart omlijnd met de navolgende inhoud: “RECTIFICATIE: De hoofdredactie heeft het artikel ‘Snackbarhouder uit [woonplaats 1] dreef personeel en leveranciers tot wanhoop. Waar bleef hun geld? ‘Nog nooit zoiets meegemaakt’’ gepubliceerd op 4 juli 2026 ingetrokken en van haar website verwijderd. Gebleken is dat er vele onjuistheden in stonden waardoor de betrokken snackbarhouder ten onrechte negatief en als wanbetaler is neergezet. Reden waarom de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland heeft bepaald dat het artikel onrechtmatig is en van de website van de Leeuwarder Courant verwijderd moet worden.”Althans een rectificatie bestaande uit door de rechtbank in goede justitie te bepalen bewoordingen, op een door de rechtbank te bepalen wijze;

LC te gelasten voornoemde rectificatie ook te plaatsen op haar social media-accounts;

LC te gelasten voornoemde rectificatie zo spoedig mogelijk doch niet later dan 14 dagen na betekening van het vonnis, te publiceren in de papieren zaterdagkrant op de voorpagina in het gebruikelijke lettertype;

LC te veroordelen om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag dat zij niet aan de geboden onder 1 tot en met 4 voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt;

[eiser] vordert verder veroordeling van LC in de proceskosten en [eiser] wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

LC voert verweer. LC concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

5. De beoordeling

Toetsingskader kort geding

Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor een uitgebreid feitenonderzoek of bewijslevering.

Spoedeisend belang

[eiser] heeft voldoende aangevoerd om aan te nemen dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Het gaat in dit kort geding immers om beweerdelijk onrechtmatig handelen dat nog steeds voortduurt vanwege de omstandigheid dat het om een artikel gaat dat op internet is geplaatst en dat vrij gemakkelijk wordt aangetroffen indien de naam ‘ [eiser] ’ wordt ingevoerd in een zoekmachine. Weliswaar heeft [eiser] ruim zeven weken gewacht met het aanspreken van LC op de gewraakte publicatie, maar de voorzieningenrechter acht deze termijn niet zodanig lang dat vanwege dit enkele tijdsverloop het spoedeisend belang aan de vordering is komen te ontvallen. Daarbij komt dat [eiser] (in zoverre onweersproken) heeft toegelicht dat het in de periode vlak na de publicatie vanwege de zomervakantie voor hem niet eenvoudig was een (gespecialiseerd) advocaat te vinden en dat het tijdsverloop mede daaraan te wijten is.

Toetsingskader onrechtmatige publicaties

[eiser] vordert verwijdering van het artikel van LC en plaatsing van een rectificatie. Hij meent dat de publicatie van het artikel jegens hem onrechtmatig is omdat hij wordt aangetast in zijn eer en goede naam. Volgens [eiser] wordt hij in het artikel neergezet als ondernemer die zijn betalingsverplichtingen niet nakomt, die zijn personeel niet betaalt, die om duistere redenen steeds van bedrijfsnaam wisselt, mogelijk om schuldeisers te ontlopen, als ‘kale kip’ die met de ‘noorderzon’ is vertrokken en steeds met ‘smoesjes’ komt. Volgens [eiser] bevat het artikel vele feitelijke onjuistheden en heeft onvoldoende wederhoor plaatsgevonden.

Het gaat in deze zaak om twee fundamentele grondrechten die tegenover elkaar staan. Aan de ene kant staat het recht van LC op vrijheid van meningsuiting (beschermd door artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM). Meer concreet gaat het om het belang van LC om zich in het openbaar, kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend te kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Daar tegenover staat het recht van [eiser] op eerbiediging van zijn eer en goede naam en zijn persoonlijke levenssfeer (beschermd door artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM). Meer concreet gaat het om het recht van [eiser] om niet lichtvaardig te worden blootgesteld aan beschuldigingen en dat zijn reputatie niet onnodig wordt geschonden.

Welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt (en dus of al dan niet sprake is van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW) is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gepubliceerde beschuldigingen, de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die beschuldigingen betrekking hebben, de ernst van de misstand die de publicatie aan de kaak beoogt te stellen, de mate waarin ten tijde van de publicatie de beschuldigingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal en de inkleding van de beschuldigingen.

In het kader van het recht op vrijheid van meningsuiting komt aan de positie van de pers bijzondere betekenis toe. De pers vervult in een democratische samenleving een noodzakelijke rol als publieke waakhond. De wijze waarop de pers te werk gaat bij de vervulling van die rol, is in beginsel vrij (de journalistieke vrijheid). De journalistieke vrijheid strekt verder dan de bescherming van uitsluitend een objectieve en ingetogen wijze van verslaglegging en kan ook een bepaalde mate van overdrijving of zelfs provocatie omvatten. Van groot belang is of de betreffende publicatie bijdraagt aan het debat over aangelegenheden van publiek belang. Als dat het geval is, bestaat meer ruimte voor de journalistieke vrijheid en daarmee ook minder ruimte voor een beperking van de vrijheid van meningsuiting.

Tegelijkertijd is de vrijheid van meningsuiting in het kader van publieke informatievoorziening niet onbeperkt. Zo gaat het EHRM uit van een journalistieke plicht om te goeder trouw, op basis van accuraat onderzocht feitenmateriaal, aan betrouwbare en nauwkeurige verslaglegging te doen in overeenstemming van de ‘ethics of journalism’. Hoe ver die plicht in een concreet geval gaat, hangt onder meer af van de aard van de uitlating en de te verwachten gevolgen voor degene op wie de uitlating betrekking heeft. Naarmate een beschuldiging ernstiger van aard is, mogen meer eisen worden gesteld aan de feitelijke basis waarop de beschuldiging steunt. Journalistieke maatstaven zijn een omstandigheid die gewicht in de schaal leggen bij de te verrichten afweging, maar zijn daarbij niet doorslaggevend. Verder moet de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM goed in het oog worden gehouden.

Relevant is verder wat de aard, het bereik en het gezag is van het medium is waarin de uitlating is gedaan. In dit geval gaat het om de papieren krant en de website van LC. LC is een medium dat zich tot doel stelt een onafhankelijk en betrouwbaar nieuwsplatform te zijn voor de hele provincie Friesland, onder andere door aan het publiek diepgravende verslaggeving, analyses en achtergronden over lokale politiek, economie, cultuur en sport in Friesland te bieden.

Daarnaast is van belang dat de grenzen van toelaatbare kritiek volgens vaste rechtspraak ruimer zijn bij een publiek figuur dan bij anderen en dat de categorie publieke figuren in de jurisprudentie ruim wordt gedefinieerd. Het criterium is niet bekendheid, maar of iemand ‘has entered the public arena’. Dat is bij [eiser] het geval. [eiser] heeft regionale bekendheid verworven als, zoals hij destijds in de media werd genoemd, de ‘ [bijnaam] ’ nadat hij in 2008 een bedrag van een miljoen had gewonnen in het casino. In de daarop volgende jaren is [eiser] veelvuldig en uit eigen beweging in de media verschenen. [eiser] kocht verschillende horecaondernemingen en organiseerde grote feesten. In 2012 verscheen [eiser] opnieuw in de media toen hij failliet werd verklaard. Het faillissement en de klachten van schuldeisers kwamen destijds onder andere aan de orde in een uitzending van ‘Opgelicht?!’ uit 2013. [eiser] heeft daarmee te gelden als een bekende lokale horecaondernemer. Dat [eiser] nadien lange tijd niet in de media is verschenen doet hier niet aan af. De publicatie heeft betrekking op het handelen van [eiser] als horecaondernemer en wordt de relatie gelegd met de verantwoordelijke positie die [eiser] in die zin in de samenleving vervult. [eiser] is dan ook aan te merken als publiek figuur, in die zin dat hij zich door zijn zakelijke activiteiten en het feit dat hij al bij het publiek bekend was uit het verleden meer publiciteit moet laten welgevallen dan een willekeurig ander persoon.

De voorzieningenrechter zal met inachtneming van het voorgaande de publicatie nader beoordelen. De conclusie zal zijn dat in het kader van de belangenafweging tussen het recht op bescherming van eer en goede naam van [eiser] en vrijheid van meningsuiting van LC, het recht van LC naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter prevaleert boven het recht op bescherming van eer en goede naam van [eiser] . Daartoe is het volgende redengevend.

Het weergeven van uitlatingen van (anonieme) bronnen is niet onrechtmatig

Het debat spitst zich hoofdzakelijk toe op de vraag of de inhoud van het artikel voldoende steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal en of LC voldoende zorgvuldig wederhoor heeft toegepast. In dit kader heeft LC terecht aangevoerd dat van haar niet hoeft te worden verwacht dat de feitelijke juistheid van de publicatie en de daarin opgenomen verklaringen van derden onomstotelijk vast is komen te staan. Wel mag van haar verwacht worden dat zij voldoende zorgvuldig journalistiek onderzoek verricht. Onderdeel hiervan is correcte toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is aan deze eis voldaan.

[eiser] stelt dat hij in het artikel ten onrechte wordt neergezet als wanbetaler, die het salaris van zijn werknemers en de facturen van zijn leveranciers niet of te laat betaalt en voor schuldeisers niet aanspreekbaar is. Volgens [eiser] vinden deze beschuldigingen geen steun in de feiten. [eiser] stelt dat hij beschikt over een sluitende loonadministratie met daarbij behorende betaalspecificaties en dat door geen van zijn (ex-)medewerkers een loonvordering is ingesteld. Daar waar er inderdaad op enig moment een tijdelijke betalingsachterstand is ontstaan, gaat het volgens [eiser] om reguliere handelsgeschillen over te laat betaalde facturen. Ook de verklaringen van de franchisegever en de voormalig uitbater zijn volgens [eiser] onjuist. Volgens [eiser] heeft hij de franchiseovereenkomst zelf buitengerechtelijk vernietigd en heeft de voormalig uitbater verzwegen dat zij belastingfraude had gepleegd, waardoor de snackbar er financieel gezien al slecht voorstond toen [eiser] hem overnam, en dat ook een belangrijke reden is dat er op enig moment betalingsmoeilijkheden of -achterstanden zijn ontstaan, en ook redengevend was voor het uiteindelijke besluit om met de snackbar te stoppen.

De journalisten van LC hebben gesproken met 14 ex-medewerkers en leveranciers die over [eiser] en de situatie bij de snackbar hebben verklaard. Hun verklaringen zijn in het artikel weergegeven. De ex-medewerkers hebben in de kern verklaard dat hun loon regelmatig niet of te laat werd betaald en dat betalingen soms als voorschot via een Tikkie gingen, nadat ze er bij [eiser] om vroegen. Meerdere ex-medewerkers hebben verklaard dat zij hierdoor zelf in financiële problemen terecht zijn gekomen. De leveranciers verklaarden beiden dat [eiser] hun facturen telkens te laat betaalde.

Daarnaast heeft LC gesproken met de franchisegever en de voormalig uitbater van de snackbar. De voormalig uitbater heeft verklaard dat [eiser] er ‘een potje van heeft gemaakt’. Volgens haar ‘liep de zaak hartstikke goed’ en hoefde [eiser] ‘niet eens cijfers te zien’ voordat hij de zaak overnam. Daarna hield [eiser] zich volgens de voormalig uitbater niet aan de betalingsafspraken en was er ‘telkens weer een smoesje’. De franchisegever heeft verklaard dat [eiser] ‘handelde op een wijze waar hij zich niet in kan vinden’, dat [eiser] hem nog geld verschuldigd is en dat hij niets meer met [eiser] te maken wil hebben. De franchisegever benadrukte daarbij dat hij het niet eens was met hoe [eiser] ‘met zijn personeel omging’.

Anders dan [eiser] stelt, hoeft LC niet in te staan voor de juistheid van de beweringen van haar bronnen. LC komt een grote vrijheid toe bij het weergeven van de uitingen van derden, ook als die beschuldigend van aard zijn. LC heeft in dit geval voldoende duidelijk gemaakt dat het niet om door LC gepresenteerde feiten gaat, maar om verklaringen van betrokkenen, gelet op het gebruik van formuleringen als “de medewerkers zeggen”, “volgens haar”, “zegt”, “laat weten”, “stelt”, “bevestigt de vorige eigenaresse”, “De [franchisegever] laat weten dat”, “zegt de man” en “De man benadrukt” en het gebruik van aanhalingstekens om duidelijk te maken dat sprake is van citaten. LC heeft deze uitlatingen niet tot de hare gemaakt en is daarmee als ‘boodschapper’ opgetreden. LC komt een ruime mate van vrijheid toe voor zover zij haar boodschappersfunctie vervult en kan als boodschapper alleen aansprakelijk worden gehouden voor de uitlatingen als daar bijzonder zwaarwegende redenen voor zijn. Anders dan [eiser] stelt, geldt de omstandigheid dat met betrekking tot de ex-medewerkers en leveranciers gebruik is gemaakt van anonieme bronnen niet als een dergelijke zwaarwegende reden. Het staat LC vrij gebruik te maken van verklaringen van anonieme bronnen, zolang zij maar zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de geloofwaardigheid van de door die bronnen afgelegde verklaringen. Dat onderzoek gaat echter niet zover dat LC met een bepaalde mate van zekerheid moet kunnen vaststellen of bewijzen dat die verklaringen volledig juist zijn.

LC heeft voor wat betreft dat onderzoek aangevoerd dat zij de verklaringen van de ex-medewerkers en leveranciers heeft onderzocht en waar mogelijk aan schriftelijke stukken en andere verklaringen heeft getoetst. LC heeft in totaal met 14 ex-medewerkers gesproken. Van al deze ex-medewerkers is de identiteit bij LC bekend. De verklaringen van de ex-medewerkers vertonen overeenkomsten en vinden dus steun in elkaar, maar ook in andere bewijsmiddelen zoals berichtenverkeer, facturen, betalingsherinneringen en betalingsregelingen. Ter illustratie hiervan heeft LC gewezen op verklaringen van enkele van de ex-medewerkers, waarin zij bevestigen dat zij vóór publicatie met de journalisten van LC hebben gesproken over de door hen ervaren betalingsproblemen. LC heeft verder inzage gehad in een e-mail van de Arbeidsinspectie, waarin de inspectie aankondigde vragen te willen stellen aan de ex-medewerkers met betrekking tot de snackbar. Ook heeft LC inzage gehad in facturen van leveranciers en bijbehorend berichtenverkeer waaruit bleek dat [eiser] een bepaald bedrag onbetaald liet. Hiermee heeft LC naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende onderzoek gedaan naar de geloofwaardigheid van de verklaringen. Hierdoor zijn de uitlatingen die betrekking hebben op het niet of te laat betalen van ex-medewerkers en leveranciers, ten aanzien waarvan [eiser] heeft aangevoerd dat deze uitlatingen onvoldoende steun vinden in de feiten, niet onrechtmatig. Bij deze uitlatingen is immers in het artikel vermeld dat het gaat om verklaringen van ex-medewerkers en leveranciers, en niet om een door LC gepresenteerd feit.

Voor zover [eiser] nog heeft aangevoerd dat LC zich ‘voor het karretje heeft laten spannen’ van een groep mensen, aangevoerd door zijn broer, met wie [eiser] al langere tijd een conflict heeft, overweegt de voorzieningenrechter dat LC gemotiveerd heeft betwist dat zij zich door de broer van [eiser] of personen uit zijn omgeving heeft laten aansturen en voert zij aan dat zij de broer van [eiser] gelet op de familievete bewust niet als bron heeft gebruikt voor de publicatie. Gelet op deze betwisting kan de voorzieningenrechter zonder nadere bewijslevering niet vaststellen of de broer van [eiser] , al dan niet indirect, betrokken is geweest bij de totstandkoming van het artikel. De kort gedingprocedure leent zich echter naar zijn aard niet voor dergelijke bewijslevering. De conclusie is daarom dat binnen het bestek van dit kort geding niet geoordeeld kan worden dat LC onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de geloofwaardigheid van haar bronnen.

Of het algemeen beeld dat in de publicatie wordt geschetst onvoldoende steun vindt in de feiten kan in kort geding niet worden vastgesteld

[eiser] heeft verder aangevoerd dat het artikel in zijn algemeenheid het beeld schetst van [eiser] als wanbetaler en oplichter. Volgens [eiser] is dit beeld onjuist en vindt het geen steun in de feiten. [eiser] voert in dit kader aan dat de oorzaak van de financiële problemen van de snackbar gelegen is bij de voormalig uitbater. Volgens [eiser] heeft deze voormalig uitbater in het verleden belastingfraude gepleegd en was de zaak toen hij hem overnam feitelijk al failliet. [eiser] herkent zich daarbij niet in het beeld dat hij de onderneming lichtzinnig zou hebben overgenomen. Volgens [eiser] heeft hij voorafgaand aan de aankoop alle jaarrekeningen ingezien en heeft zijn accountant een ondernemingsplan opgesteld. [eiser] acht het verder onrechtmatig dat LC zijn verleden oprakelt door te verwijzen naar een uitzending van Opgelicht?! uit 2013. [eiser] wijst erop dat deze uitzending niet meer online te vinden is en dat de beschuldigingen die in de uitzending zijn gedaan ongefundeerd zijn.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de gemiddelde geïnformeerde lezer uit de publicatie op zou kunnen maken dat [eiser] een bepaald gedragspatroon laat zien waarin hij betalingsachterstanden laat ontstaan, toezeggingen niet nakomt en betrokken is bij financiële geschillen en in zoverre geen bonafide ondernemer is. De verwijzing naar de uitzending van Opgelicht?! uit 2013 en de toevoeging “Een dergelijke geschiedenis lijkt zich nu te herhalen” draagt aan dit beeld bij. Of, zoals [eiser] stelt, dit geschetste beeld onvoldoende steun vindt in de feiten en daarmee onrechtmatig is, kan de voorzieningenrechter in het kader van deze kort gedingprocedure echter niet vaststellen. De door [eiser] ingebrachte stukken bieden hiertoe in ieder geval onvoldoende onderbouwing. Een bodemprocedure is de aangewezen weg om de feitelijke verwijten die [eiser] op dit punt heeft gemaakt nader te onderzoeken omdat daarvoor een nader en uitvoerig debat op de feiten noodzakelijk is, waarbij het naar de inschatting van de voorzieningenrechter ook aan zal komen op (nadere) bewijslevering waarvoor in dit kort geding geen plaats is.

Wederhoor

[eiser] verwijt LC dat zij onvoldoende wederhoor heeft toegepast door hem niet op alle afzonderlijke beschuldigingen te laten reageren. Was dit wel gebeurd, dan had [eiser] onder andere kunnen toelichten wat de werkelijke oorzaak van de sluiting van de snackbar was. Ook heeft LC volgens [eiser] zijn weerwoord onvoldoende in de publicatie verwerkt.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat wederhoor geen recht is, maar een journalistiek basisprincipe en dat schending daarvan op zichzelf nog geen onrechtmatig handelen oplevert. Uitgangspunt is dat het tot de journalistieke vrijheid behoort hoe het weerwoord in een publicatie wordt verwerkt en dat op LC geen verplichting rust om het weerwoord integraal of kritiekloos over te nemen. [eiser] was vanaf december 2025 op de hoogte van het journalistieke onderzoek van LC. Op 26 januari 2026 heeft [eiser] ruim een uur met een van de journalisten die het artikel heeft geschreven gesproken. Vervolgens heeft LC [eiser] op 11 juni 2026 concrete vragen voorgelegd met betrekking tot alle wezenlijke onderwerpen van de voornomen publicatie. LC is daarna nog ingegaan op de uitnodiging van [eiser] schriftelijke stukken te bekijken en heeft daarbij inzage gehad in de salarisadministratie.

Voor zover de verwijten van [eiser] betrekking hebben op een gebrek aan wederhoor ten aanzien van de beschuldigingen die geuit zijn door ex-medewerkers en leveranciers, is de voorzieningenrechter van oordeel dat van onzorgvuldige toepassing van wederhoor en verwerking van het weerwoord van [eiser] geen sprake is. LC heeft in het artikel een voldoende evenwichtig beeld neergezet waarin de kern van het weerwoord van [eiser] - dat hij de beschuldigingen over wanbetaling en de behandeling van personeel ontkent, dat volgens hem sprake was van een professionele loonadministratie, dat eventuele betalingsvertragingen incidenteel en verklaarbaar waren en dat hij het gevoel heeft in een kwaad daglicht gesteld te worden - voldoende naar voren komt.

Voor zover [eiser] LC een gebrek aan wederhoor verwijt ten aanzien van de uitlatingen van de voormalig uitbater overweegt de voorzieningenrechter het volgende. [eiser] heeft tijdens het gesprek met de journalist op 26 januari 2026 toegelicht dat de financiële problemen van de snackbar volgens hem grotendeels te wijten zijn aan de vorige uitbater, die volgens hem fraude heeft gepleegd. [eiser] heeft daarbij aan de journalist verklaard dat hij deze beschuldigingen met bewijs kon onderbouwen. LC heeft [eiser] vervolgens op 11 juni 2026 vragen voorgelegd, waarbij één van de vragen luidde: “Waarom bent u dit jaar weggegaan bij [bedrijf 7] en waarom is de zaak in januari uiteindelijk ook gesloten? Volgens [bedrijf 7] was de sluiting noodzakelijk. Hoe kijkt u daarnaar? Liep de snackbar goed?”. De advocaat van [eiser] heeft hierop geantwoord: “Ten aanzien van de beëindiging van de exploitatie van [bedrijf 7] en de sluiting van de vestiging in januari geldt dat dit een beslissing van cliënt is geweest, genomen naar aanleiding van omstandigheden die voortzetting van de exploitatie niet langer wenselijk maakten. (…) De sluiting houdt verband met bedrijfseconomische en externe factoren en vormt geen aanwijzing voor structureel disfunctioneren van de onderneming.” De advocaat van [eiser] heeft daarbij aangeboden zijn standpunt nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen. LC heeft daarop gevraagd naar de loonadministratie en ‘bijbehorende documentatie’. Vervolgens zijn de journalisten van LC ingegaan op de uitnodiging van [eiser] om schriftelijke stukken in te zien. Vaststaat dat zij daarbij alleen de salarisadministratie hebben ingezien; volgens LC omdat andere stukken hen niet ter inzage zijn aangeboden, volgens [eiser] omdat LC geen interesse had in andere stukken. Had LC wel navraag gedaan naar de situatie met betrekking tot de voormalig eigenaar dan stelt [eiser] dat hij met stukken had kunnen onderbouwen dat de reden van de sluiting van de snackbar was gelegen in de fraude die de voormalig uitbater heeft gepleegd. Dit zou volgens [eiser] een ander licht werpen op de uitlatingen zoals die nu in het artikel zijn gedaan door de voormalig uitbater.

De voorzieningenrechter constateert dat LC in de fase voorafgaand aan publicatie van het artikel niet concreet gevraagd heeft naar stukken die het standpunt van [eiser] onderbouwen dat de voormalig uitbater belastingfraude heeft gepleegd en dat daarin de oorzaak van de financiële problemen van de snackbar is gelegen. [eiser] had dit in het telefoongesprek van januari 2026 en in de brief van zijn advocaat van 16 juni 2026 wel aangeboden. Dat, zoals [eiser] stelt, LC niet over had kunnen gaan tot publicatie van het artikel indien zij wel verder navraag bij [eiser] had gedaan naar de situatie met de voormalig eigenaar, kan de voorzieningenrechter in het kader van dit kort geding echter niet vaststellen. De stukken waarop [eiser] zich ter onderbouwing hiervan heeft beroepen - een ongetekend addendum op de koopovereenkomst met de voormalig uitbater waarin hem een korting op de koopprijs wordt verleend en Whatsapp-berichten waarin verschillende buitenlandse ex-werknemers [eiser] vragen of het mogelijk is zonder contract bij hem te komen werken - zijn hiertoe onvoldoende. Om vast te kunnen stellen of nadere wederhoor op dit punt tot het gevolg zou hebben geleid dat LC het artikel niet op deze manier heeft mogen publiceren, is nader (feiten)onderzoek nodig waarvoor de onderhavige kort gedingprocedure zich niet leent.

De slotsom

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft LC met haar publicatie niet onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld. De door [eiser] ingestelde vorderingen worden dan ook afgewezen.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van LC worden begroot op:

- griffierecht

€

735,00

- salaris advocaat

€

1.766,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.690,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen van [eiser] af,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.690,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026.

949

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand