RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 oktober 2026 in de zaak tussen
[naam], uit [woonplaats], verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldambt.
Inleiding
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/3021
en
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster vanwege het niet tijdig beslissen op haar verzoek om handhaving.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Procesverloop
2. Eiseres woont aan de [adres] in [woonplaats] in een nieuwbouwwijk waarvoor op 4 augustus 2022 een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van 14 woningen.
3. Eiseres heeft het college op 2 september 2026 verzocht om handhavend op te treden omdat de centrale ontsluitingsweg van het nieuwbouwproject niet is afgewerkt. Bij neerslag spoelt zand onder de bestrating bij haar woning naar de lager gelegen ontsluitingsweg. Dat leidt tot verzakking van haar bestrating en erfafscheiding. Verder verzoekt zij om handhaving omdat percelen die vergund zijn voor parkeerplaatsen en gemeenschappelijke voorzieningen worden gebruikt voor andere doeleinden.
4. Op 4 september 2026 heeft eiseres vanwege het uitblijven van een besluit op haar verzoek om handhaving een beroep niet tijdig beslissen ingediend en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopig voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
5. In de uitspraak van 12 oktober 2026 (met kenmerk 26/3022) heeft de rechtbank het beroep van verzoekster tegen het niet-tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. In die uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de beslistermijn op 4 september 2026 nog niet was verstreken en heeft de rechtbank vastgesteld dat verzoekster het college niet in gebreke heeft gesteld.
6. Er loopt dus geen beroepsprocedure meer bij de bestuursrechter. Daarom is niet voldaan aan het zogeheten connexiteitsvereiste van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb en is het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding en verzoekster krijgt het griffierecht niet terug.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Steenbergen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026.
(de griffier is verhinderd te tekenen)
Een kopie van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: