ECLI:NL:RBNNE:2026:4503

ECLI:NL:RBNNE:2026:4503

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 19-10-2026
Zaaknummer 11506653 / EL EXPL 25-1
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Effectenleaseovereenkomst, Dexia. Advisering door tussenpersoon. Schending van de waarschuwingsplicht. Voorwaardelijk incidentele vordering.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

Zaak/rolnummer: 11506653 EL EXPL 25-1

Vonnis van de kantonrechter van 8 september 2026

inzake

[eiser],

wonende te [plaats],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

verwerende partij in het incident,

hierna [eiser] te noemen,

gemachtigde mr. G. van Dijk, werkzaam bij Leaseproces te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

eisende partij in het incident,

hierna Dexia te noemen,

gemachtigde USG Finance Professionals B.V. te Amsterdam.

1. Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, met een voorwaardelijk incidenteel verzoek;

- de incidentele conclusie inzake vordering tot inzage ex artikel 194 jo 195 Rv, tevens houdende conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie;

- het vonnis van 26 augustus 2025;

de conclusie van dupliek in conventie, tevens houdende conclusie van repliek in reconventie;

de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlaten producties in conventie.

Ten slotte is vonnis bepaald. De uitspraak daarvan is (nader) vastgesteld op heden.

2. De feiten

Dexia is rechtsopvolgster van Dexia Bank Nederland N.V., Bank Labouchere N.V. en Legio Lease B.V. Waar in het navolgende wordt gesproken over Dexia worden hieronder mede verstaan haar rechtsvoorgangsters.

[eiser] heeft op 3 september 1999, via tussenpersoon Spaarkrediet Centrale, een effectenleaseovereenkomst met Dexia gesloten (genaamd: Direct Rendement Effect) onder contractnummer [nummer] met een leasesom van € 45.186,81 en een looptijd van 180 maanden (hierna: de overeenkomst). Daarnaast heeft [eiser] in 1997 en 2000 nog twee effectenleaseovereenkomsten met Dexia gesloten, te weten een Beleggen met Korting-overeenkomst (contractnummer [nummer]) en een Beleggen met Bonus-overeenkomst (contractnummer [nummer]).

De overeenkomst is in 2006 tussentijds door Dexia beëindigd. Daarbij is een restschuld ontstaan. [eiser] heeft deze restschuld aan Dexia betaald.

Bij brief van 12 september 2005 heeft de gemachtigde van [eiser] aan Dexia geschreven dat [eiser] zich beroept op de nietigheid van de hiervoor genoemde effectenleaseovereenkomst en dat deze overeenkomst voor zover nodig worden vernietigd c.q. ontbonden op grond van (onder meer) een onrechtmatige daad. Voorts wordt Dexia in de brief verzocht - en voor zover nodig gesommeerd - om binnen twee weken alle betaalde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente, terug te betalen.

Vanaf omstreeks medio 2002 zijn de effectenleaseproducten van Dexia onderwerp geweest van meerdere juridische procedures. Onder meer door het aanbieden van het zogenaamde "Dexia Aanbod" en door de zogenaamde "Duisenberg regeling" heeft Dexia geprobeerd de geschillen met haar afnemers minnelijk te regelen. Op 25 januari 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam de "Duisenberg regeling" verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM). [eiser] heeft door middel van een zogenaamde "opt-out-verklaring" aangegeven niet aan die regeling gebonden te willen zijn.

Bij brief van 11 november 2024 heeft de gemachtigde van [eiser], onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016 (Beckers/Dexia, ECLI:NL:HR:2016:2012) en 12 oktober 2018 (Timmermans/Dexia, ECLI:NL:HR:2018:1935), Dexia verzocht om al hetgeen onverschuldigd is betaald, vermeerderd met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten te betalen.

3. De vordering in conventie

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

voor recht te verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekort is geschoten jegens [eiser], op de in de dagvaarding genoemde gronden;

voor recht te verklaren dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eiser] te vergoeden;

Dexia te veroordelen tot betaling aan [eiser], al hetgeen [eiser] aan Dexia heeft betaald onder de litigieuze overeenkomst, te vermeerderen met wettelijke rente, telkens vanaf de dag der door [eiser] gedane betalingen althans vanaf de door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum tot aan die der voldoening, te voldoen binnen drie weken na betekening van dit vonnis;

Dexia te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiser] conform rapport Voorwerk II, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

Dexia te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten.

Dexia voert verweer.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De vordering in reconventie en het voorwaardelijk incidenteel verzoek

Dexia vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten:

voor recht te verklaren dat Dexia na betaling aan [eiser] van € 1.927,96, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 31 december 2018 tot aan de dag van algehele voldoening, met betrekking tot de tussen haar en [eiser] gesloten overeenkomst van effectenlease met nummer [nummer] en de overeenkomsten met nummers [nummer] en [nummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eiser] verschuldigd is;

[eiser] ex artikel 195 Rv te veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [eiser] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, althans van andere schriftelijke documenten waar die stellingen aan ontleend zijn;

[eiser] te veroordelen in de proceskosten.

[eiser] voert verweer.

5. Het geschil in conventie en de beoordeling daarvan

Tussen partijen is in de kern genomen in geschil of Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door in strijd te handelen met artikel 41 van de toenmalige Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999). Ten aanzien van de in dit verband tussen partijen opgekomen geschilpunten overweegt de kantonrechter als volgt.

tussenpersoon

[eiser] voert, verkort weergegeven, aan dat Dexia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren via Spaarkrediet Centrale, terwijl het Spaarkrediet Central als cliëntenremisier zonder vergunning ex artikel 7 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) niet was toegestaan om [eiser] te adviseren om effectenleaseovereenkomsten met Dexia aan te gaan en Dexia dit wist, althans dit behoorde te weten. Dexia heeft dit betwist.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling het volgende voorop. In 2016 heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 2 september 2016 (Beckers/Dexia, ECLI:NL:HR:2016:2012) onder meer geoordeeld, samengevat weergegeven, dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van potentiële cliënten bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Indien de cliëntenremisier geen vergunning heeft en zich niet heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt, maar ook jegens de afnemer als financieel adviseur is opgetreden en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn, schendt Dexia niet alleen haar zorgplicht, maar handelt zij ook in strijd met artikel 41 NR 1999. Dit levert volgens de Hoge Raad een (extra) onrechtmatigheidsgrond op, die Dexia zwaar wordt aangerekend. Dit komt doordat een cliënt die is geadviseerd door een dienstverlener (beleggingsadviseur) minder snel bedacht hoeft te zijn op en zich minder snel uit eigen beweging hoeft te verdiepen in niet vermelde risico's dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een effectenleaseproduct. De Hoge Raad oordeelt daarnaast dat niet hoeft te worden aangetoond dat Dexia wist of behoorde te weten dat de cliëntenremisier niet over een vergunning beschikte toen zij ten opzichte van de belegger mede als beleggingsadviseur optrad. Dexia moet als professionele effecteninstelling (geacht worden te) weten dat een cliëntenremisier die tevens adviseert, de grenzen van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 overschrijdt. Daarom lag het ook op haar weg om, als zij wist of behoorde te weten dat Qq mede in de hoedanigheid van beleggingsadviseur was opgetreden, te onderzoeken of Qq over de daartoe benodigde vergunning beschikte. Indien daarvan geen sprake was had Dexia moeten weigeren met de particuliere belegger te contracteren. In zijn arresten van 12 oktober 2018 (Timmermans/ Dexia, ECLI:NL:HR:2018:1935) en van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862) bevestigt de Hoge Raad het voorgaande nogmaals uitdrukkelijk.

In voornoemd arrest van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad voorts geoordeeld dat de reikwijdte van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 als volgt dient te worden bepaald:

een tussenpersoon gaat de reikwijdte van de vrijstelling te buiten indien hij een bepaalde afnemer het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product aanbeveelt;

het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, dat wil zeggen dat zij voorgesteld is als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer;

het moet gaan om een aanbeveling die de tussenpersoon doet in het kader van zijn beroep of bedrijf; daarvan kan ook sprake zijn als de tussenpersoon een dergelijke aanbeveling slechts incidenteel of zelfs eenmalig doet;

geen vergunning behoeft de tussenpersoon voor het verstrekken van algemene informatie over wat effectenleaseovereenkomsten zijn, en evenmin voor het verstrekken van algemeen advies (waarbij in algemene zin wordt aangeraden een, verder op geen enkele wijze nader bepaalde, effectenleaseovereenkomst te sluiten);

uit de enkele omstandigheid dat een tussenpersoon met de afnemer een aanvraagformulier invult, waarbij in voorkomende gevallen een fondskeuze aangekruist wordt, en dit opstuurt, volgt niet dat de tussenpersoon heeft geadviseerd.

Voor de beoordeling of de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst heeft gedaan, kunnen volgens de Hoge Raad de volgende omstandigheden van belang zijn:

de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;

de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;

de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet, naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct, een ander financieel product, zoals een hypothecaire lening, heeft geadviseerd.

In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, ook indien voornoemde omstandigheden niet worden vastgesteld, de mogelijkheid bestaat dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als hiervoor genoemd, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer.

Met inachtneming van het vorenstaande overweegt de kantonrechter als volgt. Niet in geschil is dat Spaarkrediet Centrale is opgetreden als effectenbemiddelaar. Een effectenbemiddelaar die mogelijke cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling wordt ook cliëntenremisier genoemd. Cliëntenremisiers zoals Spaarkrediet Centrale waren uit hoofde van artikel 12 van de Vrijstellingsregeling Wte 1995 vrijgesteld van de vergunningplicht van artikel 7 lid 1 Wte 1995, om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling als Dexia. Op grond van artikel 21 lid 1 Wte 1995 moesten effectenbemiddelaars die van de vergunningplicht waren vrijgesteld, worden ingeschreven in het in dit artikel genoemde register. Voornoemde vrijstelling was slechts beperkt tot werkzaamheden als cliëntenremisier. De effecteninstelling die wist of behoorde te weten dat een cliëntenremisier een aangebrachte belegger vergunningplichtige diensten heeft verleend zonder over de noodzakelijke vergunning te beschikken en deze belegger niettemin als cliënt accepteert, handelt in strijd met artikel 41 NR 1999 en daarmee onrechtmatig jegens die belegger.

De kantonrechter zal voor het antwoord op de vraag of sprake is van schending van artikel 41 NR 1999 dienen te beoordelen of Spaarkrediet Centrale haar vrijstelling te buiten is gegaan en vergunningplichtige diensten heeft verleend, alsmede of Dexia dit wist of behoorde te weten. Vast staat tussen partijen dat Spaarkrediet Centrale niet over een vergunning ex artikel 7 lid 1 Wte 1995 beschikte.

[eiser] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:

[eiser] is naar aanleiding van een advertentie in De Telegraaf, waarin een mooie manier van sparen werd gepromoot, in contact gekomen met Spaarkrediet Centrale. Vervolgens is [eiser] door een medewerker van Spaarkrediet Centrale telefonisch benaderd met de vraag of [eiser] interesse had om zijn financiële situatie en de mogelijkheden van vermogensopbouw telefonisch door te nemen. [eiser] heeft hiermee ingestemd. Tijdens het eerste gesprek heeft de adviseur van Spaarkrediet Centrale geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eiser]. Zo is met de adviseur gesproken over het inkomen, de maandelijkse lasten, de woonsituatie en de gezinssituatie van [eiser]. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [eiser] om vermogen op te bouwen voor de aankoop van een toekomstige woning en een lopende autolening af te lossen. De adviseur heeft aangegeven dat hij een geschikt product kon adviseren om de doelstelling van [eiser] te kunnen verwezenlijken. De adviseur heeft [eiser] geadviseerd om een Direct Rendement Effect-product van Bank Labouchere af te sluiten. De adviseur heeft [eiser] geadviseerd om maandelijks een bedrag van NLG 350,- in te leggen in het Direct Rendement Effect-product, welk bedrag door de adviseur werd vastgesteld aan de hand van het inkomen en de maandelijkse lasten van [eiser]. Op deze wijze zou [eiser] aanzienlijke vermogen opbouwen, waardoor hij een woning zou kunnen kopen en de autolening zou kunnen aflossen. De adviseur heeft vervolgens een prognose opgesteld, die [eiser] via de post heeft ontvangen. Deze prognose is door [eiser] in het geding gebracht. Vervolgens heeft de adviseur de prognose telefonisch toegelicht. De prognose spiegelde enkel positieve rendementen voor met een koersstijging van 20%, waarbij na vijf jaar een bedrag van ruim NLG 52.000,- vrijkwam. Met negatieve koersdalingen werd in de prognose geenszins rekening gehouden. Op de prognose valt ook te lezen dat werd gerekend met een maandbedrag van NLG 350,-. Bovendien heeft de adviseur aangegeven dat enkel zou worden belegd in betrouwbare aandelenfondsen die nooit failliet konden gaan. De koersen zouden enkel en alleen maar stijgen, aldus de adviseur. [eiser] hoefde derhalve niet bang te zijn dat er iets mis zou gaan.

De adviseur heeft [eiser] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een restschuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als [eiser] op deze risico’s was gewezen, had hij de Direct Rendement Effect-overeenkomst niet afgesloten.

[eiser] had geen kennis van complexe financiële producten en heeft daarom volledig vertrouwd op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [eiser] het advies van de adviseur opgevolgd en hij heeft een Direct Rendement Effect-overeenkomst bij Bank Labouchere afgesloten met maandbetalingen van NLG 350,20. De aanvraag voor het Direct Rendement Effect-product is door de adviseur in orde gemaakt. De uiteindelijke overeenkomst is op een later moment door [eiser] per post ontvangen en ondertekend retour gestuurd.

[eiser] heeft, naast de eerder genoemde prognose, zijn versie van de ondertekende overeenkomst in het geding gebracht. Op de overeenkomst staat Spaarkrediet Centrale vermeld als adviseur. Ook heeft [eiser] een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van Spaarkrediet Centrale in het geding gebracht en gewezen op de bedrijfsomschrijving. Daaruit blijkt volgens [eiser] dat advisering tot de vaste praktijk van Spaarkrediet Centrale behoorde.

aanhoudingsverzoek

Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.

Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.

(nieuwe) argumenten Dexia

Dexia heeft tegen de bewuste overwegingen (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:

dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;

dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;

dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vaststellingsplicht rust, en

dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.

Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eiser] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en hij stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat, dan wel hoorde dat te weten. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [eiser], tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eiser] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten en kunnen maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Dergelijke informatie ligt in haar domein. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eiser] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eiser] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eiser] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.

wetenschap Dexia

Dexia heeft voorts betwist dat zij wist of moest weten dat Spaarkrediet Centrale beleggingsadvies gaf, dat mede inhield een effectenleaseovereenkomst met Dexia te sluiten. De kantonrechter overweegt omtrent de wetenschap van Dexia als volgt.

In vergelijkbare zaken bij deze rechtbank, waaronder een vonnis van 24 juni 2020 (rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, ECLI:NL:RBNNE:2020:2219), alsmede in vergelijkbare zaken bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waaronder de arresten van 3 november 2020 (bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARL:2020:8984), is wetenschap bij Dexia aangenomen in zaken waarin onder meer Spaar Select of NBG Finance heeft geadviseerd. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft zijn oordeel bevestigd in een recent arrest van 5 juli 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:5730). De kantonrechter is van oordeel dat die overwegingen over de wetenschap van Dexia ook hier van toepassing zijn (zie onder meer rechtsoverwegingen 5.28 en 5.29 van het vonnis van 24 juni 2020).

aansprakelijkheid Dexia

Omdat Dexia ondanks het voorgaande toch met [eiser] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld. De onder a. en b. gevorderde verklaringen voor recht acht de kantonrechter daarom toewijsbaar. Omdat de aansprakelijkheid van Dexia met het voorgaande al is vastgesteld, kan de stelling van [eiser] dat Dexia haar precontractuele zorgplichten heeft geschonden door [eiser] niet in niet mis te verstane bewoordingen te waarschuwen voor het risico van een restschuld en door geen onderzoek te doen naar de inkomens- en vermogenspositie van [eiser] als particuliere belegger, verder onbesproken blijven.

schade

[eiser] stelt, verkort weergegeven, dat Dexia gehouden is om de gehele schade van [eiser] te vergoeden, te vermeerderen met wettelijke rente. Door het handelen van Dexia heeft [eiser] een effectenleaseovereenkomst afgesloten die bij een juist handelen van Dexia niet was afgesloten. De als gevolg daarvan door [eiser] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financieel overzicht waarvan de juistheid door [eiser] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder door Dexia een schadevergoeding is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).

buitengerechtelijke kosten

Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.

proceskosten

Dexia wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 144,47

- griffierecht € 90,00

- salaris gemachtigde € 759,00 (3 punten x tarief € 253,00)

- nakosten € 126,50

Totaal € 1.119,97

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6. Incidentele verzoek van Dexia

Dexia heeft een voorwaardelijk incidenteel verzoek ingediend ex artikel 195 Rv, voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat Dexia de stellingen van [eiser] niet voldoende concreet heeft betwist. In dat geval verzoekt Dexia de kantonrechter om [eiser] te veroordelen om een afschrift te verstrekken van een intakeformulier dat [eiser] voor zijn gemachtigde heeft ingevuld en bij gebreke daarvan tot het verstrekken van andere relevante schriftelijke documenten, telefoonnotities en/of gespreksverslagen die zien op de intake van [eiser] door Leaseproces.

De kantonrechter is van oordeel dat het niet mogelijk is om het instellen van een incidentele vordering afhankelijk te stellen van een inhoudelijk oordeel van de rechter als hiervoor bedoeld. Een kwestie in incident dient van procedurele aard te zijn en kan niet een enkele materiële (voor)vraag behelzen (T&C Rv, Boek I, Titel 2, Afd. 10, inleidende opmerkingen, onder 2). Dexia heeft haar incidentele vordering afhankelijk gesteld van het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van de stelplicht en bewijslast ter beoordeling van een van die vorderingen. Het is aan Dexia om de stellingen van [naam] voldoende concreet te betwisten. Doet zij dit niet, dan wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Als zij van mening is dat zij voor een gemotiveerde betwisting de beschikking dient te krijgen over bepaalde bescheiden dan had zij daartoe direct een vordering ex artikel 195 Rv moeten indienen. Dat kan niet meer als de kantonrechter daarover al een oordeel heeft gegeven. Dat zou er immers op neerkomen dat Dexia wenst dat de kantonrechter – na een incidentele procedure – op een dergelijk oordeel terugkomt. Daar is een incidentele procedure niet voor bedoeld. De kantonrechter zal Dexia niet-ontvankelijk verklaren in het incident.

Om die reden zal Dexia ook worden veroordeeld in de proceskosten in het incident. De proceskosten in het incident aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 217,00 voor salaris gemachtigde (1 punt x tarief € 217,00).

7. De beoordeling in reconventie

De overeenkomsten met contractnummers [nummer] en [nummer]

Voor wat betreft de Beleggen met Korting-overeenkomst en de Beleggen met Bonus-overeenkomst met contractnummers [nummer] en [nummer] heeft [eiser] de stelling van Dexia dat zij met betrekking tot deze overeenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en daarom niets meer aan [eiser] verschuldigd is, niet weersproken. De door Dexia gevorderde verklaring voor recht is daarom in zoverre toewijsbaar.

Ten aanzien van de Direct Rendement Effect-overeenkomst met nummer [nummer] staat de in conventie toegewezen vergoeding van schade in de weg aan de gevorderde verklaring voor recht dat Dexia niets meer is verschuldigd aan [eiser]. De vordering in reconventie zal daarom op dit punt worden afgewezen.

Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op € 506,00 aan salaris gemachtigde (2 punten × € 253,00).

8. De beslissing

De kantonrechter

In het incident van Dexia

wijst de vordering af;

veroordeelt Dexia in de proceskosten van [eiser], tot op heden begroot op

€ 217,00;

in conventie

verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld;

verklaart voor recht dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eiser] te vergoeden;

veroordeelt Dexia tot betaling van de door [eiser] geleden schade, bestaande uit door [eiser] betaalde bedragen aan inleg in de effectenleaseovereenkomsten en/of betaalde restschuld, verminderd met eventuele dividenduitkeringen en/of fiscaal voordeel en/of het door Dexia gerestitueerde bedrag, een en ander zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.20 nader is gespecificeerd, te vermeerderen met wettelijke rente, telkens vanaf de dag der door [eiser] gedane betalingen tot aan de dag van volledige betaling en te voldoen binnen drie weken na betekening van dit vonnis;

veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 1.119,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Dexia niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de veroordelingen in 8.5, 8.6 en 8.7;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [eiser] gesloten overeenkomsten van effectenlease met nummers [nummer] en [nummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eiser] verschuldigd is;

veroordeelt Dexia in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op € 506,00;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma, kantonrechter, en op 8 september 2026 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: 46593

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.E. Biesma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand