RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/175529-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 oktober 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in de [plaats] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 september 2026 en 7 oktober 2026 waarop het onderzoek is gesloten. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.W. Wurpel, advocaat te Rotterdam.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.G.F. van Boven.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 7 juni 2025 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven als bestuurder van een (personen)auto (Volkswagen Polo) is ingereden op die [slachtoffer] , waarbij die [slachtoffer] door die - door verdachte - bestuurde (personen)auto is geraakt en/of (vervolgens) (terwijl die [slachtoffer] zwaar gewond op de grond lag) met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp in de keel, in elk geval het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde poging tot moord.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van poging tot moord, omdat het vereiste bestanddeel voorbedachten rade niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte heeft niet gehandeld vanuit een voorafgaand en weloverwogen plan. Zijn handelen is voortgekomen uit een acute gemoedsopwelling. Verdachte is eerder die avond door aangever klemgereden en geslagen met een vuurwapen. De uitlatingen die verdachte daarna heeft gedaan en de berichten die hij heeft verstuurd moeten worden beschouwd als een uiting van frustratie en emotie, zonder dat daaraan een daadwerkelijk voornemen tot levensberoving ten grondslag lag. Bij de tweede onverwachtse confrontatie met aangever verkeerde verdachte in de veronderstelling dat aangever opnieuw een vuurwapen pakte, dit keer uit de kofferbak. Verdachte raakte in paniek en heeft vervolgens uit reactie en vanuit die hevige gemoedsopwelling het gaspedaal ingetrapt. Ook het daaropvolgende steekincident heeft plaatsgevonden vanuit diezelfde doorlopende hevige gemoedstoestand en angst waarbij verdachte heeft willen voorkomen dat hem wederom iets aangedaan zou worden. De raadsman heeft daarnaast verzocht om verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde medeplegen, omdat er geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met andere personen. De raadsman heeft zich tot slot gerefereerd ten aanzien van de ten laste gelegde poging tot doodslag.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 23 september 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Het klopt dat ik het slachtoffer heb aangereden. Hij reed voor mij, zette zijn auto neer en rende naar zijn kofferbak. Ik heb in paniek het gaspedaal ingedrukt. Er lag een mes in mijn auto. Ik heb het mes gepakt en ben uitgestapt. Ik was opeens bij hem terechtgekomen en we raakten in een worsteling.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 augustus 2025, opgenomen op pagina 17 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025148845 d.d. 11 december 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Ik reed in mijn auto. [verdachte] bleef achter mij aanrijden. Ik heb mijn vader gebeld en gezegd dat hij achter mij aan zat. Ik parkeerde mijn auto, stapte uit en liep naar mijn kofferbak. Ik voelde een klap en werd tussen twee autos geramd. Ik viel op mijn rug op de grond tussen de autos in. Ik zag mijn benen in duizend stukjes. Ik zie [verdachte] uitstappen. Hij klimt tussen mijn auto en zijn auto. Hij heeft mij gestoken, met een mes in mijn keel. Ik greep het mes vast en kon voorkomen dat het dieper ging. Ik zag dat hij mij nog een keer wilde steken. Toen kwam mijn vader. [verdachte] is gevlucht. Ik ben de onderkant van mijn rechterbeen kwijt, mijn linkerbeen is verbrijzeld en ik heb een klaplong gehad.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 7 juni 2025, opgenomen op pagina 147 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 5] :
Afgelopen nacht werd ik om 02:25 uur gebeld door mijn zoon. Hij was bang en werd achtervolgd. Hij zou naar mij toerijden. Ik rende naar beneden en hoorde een hele harde knal. Buiten aangekomen zag ik [slachtoffer] tussen twee autos liggen op zijn rug. Ik zag iemand bovenop hem zitten die hem heel erg stak. Ik sprong ernaar toe, de persoon rende weg.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 10 juni 2025, opgenomen op pagina 174 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
Vrijdag op zaterdagnacht rond 01:00 uur was ik bij [getuige 2] . [verdachte] kwam aanrijden en ik hoorde hem (de rechtbank begrijpt tegen [getuige 2]) zeggen: Je bent een hoer. Neuk je met hem? Terwijl je met mij bent. Ik vroeg aan [verdachte] : “Maak je nu serieus ruzie om een wijf?". Toen hoorde ik [verdachte] zeggen: "Ja mevrouw, ik maak hem hartstikke dood". Ik zag dat [verdachte] vervolgens wegreed met gierende banden. Toen [verdachte] zei "ik maak hem hartstikke dood" wist ik dat hij het over mijn zoon [slachtoffer] had. De ruzie tussen [getuige 2] en [verdachte] ging ook over hem.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 11 juni 2025, opgenomen op pagina 177 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :
Vrijdagavond omstreeks 01.00 uur kwam [getuige 1] , de moeder van [slachtoffer] , bij mij. Op het moment dat [getuige 1] bij mij was kwam [verdachte] aanrijden. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij [slachtoffer] dood ging maken. Om 02:00 uur kwam [verdachte] weer bij mijn woning. Hij is boos vertrokken.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juni 2025, opgenomen op pagina 86 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op zaterdag 7 juni 2025 omstreeks 02:30 uur ter plaatse aan de [adres] te Groningen. Ik zag [slachtoffer] (de rechtbank leest: [slachtoffer] ) op zijn rug liggen. Ik zag dat zijn rechterbeen, net onder de knie, helemaal opengescheurd was en dat er stukken bot lagen. Ik zag dat, net voorbij die stukken bot, het onderste deel van zijn been met zijn voet daaraan vast lag. Ik zag dat er in zijn linkerbeen een grote wond zat. Ik zag dat er een snee in de keel van het slachtoffer zat. Ik zag een mes op ongeveer 2 a 3 meter van het slachtoffer vandaan.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 augustus 2025, opgenomen op pagina 121 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op de Plaats Delict werd een mobiele telefoon aangetroffen. De inhoud van de mobiele telefoon is onderzocht. Verdachte [verdachte] is de eigenaar/gebruiker van de telefoon. Middels de telefoon van verdachte [verdachte] wordt op 7 juni 2025 vanaf 00:08 uur via Instagram contact gezocht met [getuige 2] . [verdachte] vraagt te 00:40 uur of [getuige 2] wil dat hij haar wx(ex) dood maak en dat hij achter hem rijdt. Te 01:51 uur stuurt [verdachte] het bericht: 'Nu gaat die diod door jou.
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 juni 2025, opgenomen op pagina 111 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op 7 juni 2025 omstreeks 00:06 uur wordt een bericht verstuurd naar gebruiker [account] met de inhoud Heb je die ganoe nog'. Ik, verbalisant, zocht in het straattaalwoordenboek naar het woord Ganoe. Ik zag dat Ganoe kan duiden op 'geweer, pistool.
8. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.06.20.136 (aanvraag 001) d.d. 18 juli 2025, opgemaakt door [medewerker] , BASc, opgenomen op pagina 305 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring:
Het mes is onderzocht. Twee bloedsporen, één op de rechter- en één op de linkerzijde van het lemmet, zijn bemonsterd en als AASB2576NL#01 en #02 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. Het met touw omwonden deel van het heft is bemonsterd en als AASB2576NL#03 veiliggesteld voor DNA-onderzoek. Ook is er één dactyloscopisch spoor op de gekartelde zijde van het heft bemonsterd en als AASB2576NL#04 veiliggesteld voor DNA-onderzoek.
Mes AASB2576NL
9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal FO Verkeer d.d. 29 augustus 2025, opgenomen op 321 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Er kon een vrij nauwkeurige indicatie worden verkregen met betrekking tot de botsplaats en onderlinge posities van de voertuigen. Het slachtoffer had achter de Seat gestaan. De Polo was met zijn voorzijde tegen de achterzijde van de Seat aangebotst. Het slachtoffer bevond zich op dat moment tussen de Seat en de Polo. Uit het forensisch voertuigonderzoek bleek dat de Polo met nagenoeg onverminderde snelheid
reed (van 61 tot 55 km/u) tot op het moment van botsen. Kort voor de botsing, op ongeveer 20 meter afstand van de Seat, maakte de Polo een stuurbeweging naar rechts. Verder bleek dat de bestuurder van de Polo geen handelingen had ondernomen om de aanrijding te voorkomen. De crashdetectie van de Polo had plaatsgevonden op 7 juni 2025 kort voor half drie s 'nachts.
Partiële vrijspraak medeplegen
Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat de medeverdachte, te weten de bestuurder van de auto waarin verdachte is weggevlucht, enige betrokkenheid had bij het inrijden op of het steken van aangever of dat hij hier van te voren wetenschap van had. Om die reden zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken van het ten laste gelegde onderdeel medeplegen.
Opzet op de dood
Op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte met een nagenoeg onverminderde snelheid van 61 tot 55 kilometer per uur op aangever is ingereden, die op dat moment achter zijn auto stond. Vervolgens is verdachte uitgestapt en heeft met een mes in de keel van aangever gestoken, terwijl aangever zwaargewond en ingeklemd tussen twee autos op zijn rug op de grond lag. Deze geweldshandelingen zijn naar hun aard en uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat daarmee is komen vast te staan dat verdachte vol opzet heeft gehad op het doden van aangever.
Voorbedachte raad
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechtbank het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechtbank niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.
Op 7 juni 2025 omstreeks 01:00 uur vindt er op een andere locatie dan die van het onderhavige incident een confrontatie plaats tussen aangever en verdachte. Aangever heeft verdachte geslagen, ten gevolge waarvan verdachte zijn bewustzijn verloor.1 Na deze confrontatie is verdachte naar het huis van [getuige 2] , zijn ex-vriendin, gereden. Getuige [getuige 1] , de moeder van aangever, was ook bij [getuige 2] .
Getuige [getuige 1] heeft verklaard over de ruzie tussen haar zoon en verdachte. Deze ruzie zou over [getuige 2] gaan, de ex-vriendin van zowel aangever als verdachte. Getuige [getuige 1] vroeg aan verdachte “Maak je nu serieus ruzie om een wijf?”, waarop verdachte antwoordde “Ja mevrouw, ik maak hem hartstikke dood”. Ook [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte heeft gezegd dat hij aangever dood ging maken en dat hij boos vanaf haar woning is vertrokken. Verdachte heeft daarnaast meerdere berichten naar [getuige 2] gestuurd. Zo vraagt hij op 7 juni 2025 om 00:40 uur aan [getuige 2] of zij wil dat hij haar wx(ex) doodmaakt en dat hij achter hem rijdt. Om 01:51 uur stuurt hij haar het bericht Nu gaat die diod (de rechtbank gaat er vanuit dat verdachte hier het woord dood wilde gebruiken) door jou. Dan volgt vlak voor half 3 s nachts de achtervolging. Verdachte rijdt in zijn auto achter aangever aan.
Aangever rijdt naar het huis van zijn vader, parkeert de auto en stapt uit. Op het moment dat hij achter
zijn kofferbak staat, rijdt verdachte met nagenoeg onverminderde snelheid van 61 tot 55 kilometer per uur op hem in. Kort voor de botsing maakt verdachte nog een stuurbeweging naar rechts, en, zo begrijpt de rechtbank, in de richting van aangever. Uit het forensisch voertuigonderzoek blijkt dat verdachte geen handelingen heeft ondernomen om de aanrijding te voorkomen. Zoals verdachte zelf ook heeft verklaard, hij heeft juist het gaspedaal ingedrukt. Na de aanrijding ligt aangever zwaargewond op zijn rug op straat. Verdachte is vervolgens uit zijn auto gestapt, met een mes in zijn hand, en heeft met dit mes in de keel van aangever gestoken.
De rechtbank overweegt dat de uiterlijke verschijningsvorm van genoemde handelingen van verdachte wijst op de uitvoering van een tevoren gemaakt plan om aangever van het leven te beroven. Verdachte heeft op meerdere momenten gezegd dat hij aangever dood ging maken, zowel in persoon als via berichtjes. Hij heeft aangever achtervolgd, een stuurbeweging naar rechts gemaakt en is met nagenoeg onverminderde snelheid op aangever ingereden. Vervolgens is hij uitgestapt met een mes in zijn handen en heeft aangever, die zwaargewond op zijn rug op straat lag, in zijn keel gestoken.
De rechtbank leidt daarnaast uit de feiten en omstandigheden af dat sprake was van een lang tijdsverloop tot aan het inrijden en insteken op aangever. In die tijd heeft verdachte meerdere keuzemomenten gehad. Tussen de eerste confrontatie tussen aangever en verdachte en de achtervolging van aangever door verdachte zat ongeveer 1,5 uur. In die periode is verdachte drie keer naar het huis van [getuige 2] gegaan.2 De tweede keer was de moeder van aangever daar ook. De moeder van aangever heeft toen aan verdachte gevraagd “Maak je nu serieus ruzie om een wijf?” en [getuige 2] heeft geprobeerd verdachte rustig te krijgen. In die periode is verdachte ook bij medeverdachte [naam 1] geweest. [naam 1] heeft tegen verdachte gezegd dat hij naar huis moest gaan.3 De rechtbank stelt vast dat verdachte gedurende langere tijd meerdere voor daadwerkelijk beraad geschikte keuzemomenten heeft gehad. Verdachte heeft de gelegenheid gehad zijn plan te overdenken. Hij heeft de adviezen van zowel [getuige 2] als zijn vriend [naam 1] in de wind geslagen en is actief op zoek gegaan naar aangever en heeft (sterker nog) in hetzelfde tijdsbestek gezocht naar een vuurwapen. Hij heeft er dus steeds opnieuw bewust voor gekozen zijn plan voort te zetten en uit te voeren. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte overgaat tot een meervoud aan handelingen. Hij rijdt aangever eerst aan en stapt vervolgens uit om aangever, terwijl deze zwaargewond op de grond ligt, gericht in de keel te steken met een mes. Ook hier ziet de rechtbank meerdere momenten waarop verdachte kiest om de aanval door te zetten en zijn plan om aangever te doden te voltooien.
De rechtbank heeft onderzocht of er sprake is van contra-indicaties die in de weg staan aan het aannemen dat verdachte voor de uitvoering van zijn daad heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. De rechtbank overweegt te dien aanzien het volgende. Verdachte heeft verklaard dat hij al langere tijd werd bedreigd door aangever. Over de confrontatie tussen verdachte en aangever eerder die nacht, waarbij verdachte door aangever werd geslagen, zegt verdachte dat hij met een vuurwapen is geslagen. Verdachte heeft verklaard dat hij in paniek raakte en bang was voor aangever en vanuit die angst en paniek op aangever is ingereden. In het dossier bevindt zich geen enkel aanknopingspunt dat verdachte door aangever met een wapen is geslagen, of dat aangever een wapen bij zich droeg. Daarnaast is er niemand die heeft bevestigd dat verdachte al langere tijd door aangever werd bedreigd. De rechtbank kan alleen vaststellen dat er een confrontatie tussen verdachte en aangever heeft plaatsgevonden waarbij verdachte door aangever is geslagen. Dat verdachte emotioneel was nadat hij door aangever was geslagen en dat er mogelijk sprake is geweest van gevoelens van boosheid en/of angst jegens aangever wil de rechtbank wel aannemen. Deze gevoelens kunnen naar het oordeel van de rechtbank echter in het licht van het tijdsverloop en de meerdere momenten van keuzemogelijkheid als hiervoor beschreven niet worden geduid als een ogenblikkelijke gemoedsbeweging of opwelling. Van andere contra-indicaties is de rechtbank evenmin gebleken. Op basis van haar overwegingen hiervoor in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat
verdachte voor en ten tijde van de uitvoering van zijn daad heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. De rechtbank komt daarmee tot wettig en overtuigend bewijs van voorbedachte raad en acht de ten laste gelegde poging tot moord bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 7 juni 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven als bestuurder van een personenauto (Volkswagen Polo) is ingereden op die [slachtoffer] , waarbij die [slachtoffer] door die - door verdachte - bestuurde personenauto is geraakt en vervolgens terwijl die [slachtoffer] zwaar gewond op de grond lag met een mes in de keel van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
poging tot moord.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte strafbaar is.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit dat er sprake is van noodweer(exces). Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zich geconfronteerd zag met een nieuwe en onmiddellijke dreiging van vuurwapengeweld. Het handelen van verdachte kwam voort uit de door de dreiging veroorzaakte hevige gemoedsbeweging van angst en paniek. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat er sprake is van putatief noodweer. Verdachte
verkeerde in de veronderstelling dat hij zichzelf moest of mocht verdedigen, hij dwaalde ten aanzien van het bestaan van een noodweersituatie.
Oordeel van de rechtbank
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten van de verdediging overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor het voorhanden hebben of hanteren van een vuurwapen door aangever of voor de door verdachte gestelde bedreiging. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een noodweersituatie, noch mocht verdachte redelijkerwijs aannemen dat er sprake was van een (dreigende) noodweersituatie. Het is juist verdachte die aangever achtervolgde en de confrontatie zocht. Het verweer, en daarmee ook het beroep op noodweer(exces), wordt verworpen. De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair gepleit voor de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, met daarnaast een voorwaardelijk strafdeel. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de eis van de officier van justitie te matigen en om daarnaast een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de psychiater
d.d. 26 juni 2026, de psycholoog d.d. 21 juni 2026 en de reclassering d.d. 10 september 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van het feit
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord. Hij is doelbewust op aangever ingereden. Aangever, die zijn benen in duizend stukjes zag, was op dat moment uitgeschakeld en had aan deze verwondingen kunnen overlijden. Vervolgens heeft verdachte met een mes in de keel van aangever gestoken. Dat aangever dit alles heeft overleefd, is niet aan het handelen van verdachte te danken. Aangever kon, terwijl hij zwaargewond op de grond lag, het mes getuige zijn eigen verklaring vastgrijpen en kon daarmee voorkomen dat het mes dieper in zijn keel ging en de kans op zijn overlijden werd vergroot. Ook de vader van aangever greep in en kwam tussenbeide, waarop verdachte is gevlucht. Verdachte heeft geprobeerd aangever het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, te ontnemen. Met zijn handelen heeft verdachte de aangever zowel lichamelijk als psychisch leed aangedaan. Het rechteronderbeen van aangever is
geamputeerd en zijn linkerbeen is verbrijzeld. Aangever zal voor de rest van zijn leven gehandicapt zijn. Het incident heeft niet alleen een enorme impact op aangever, maar ook op zijn familie. De vader van aangever heeft de klap van de aanrijding en het geschreeuw van zijn zoon gehoord en het steken van zijn zoon gezien. De vader, moeder en zussen van aangever hebben hun zoon respectievelijk broer zwaargewond op straat zien liggen. Zij hebben gevreesd voor zijn leven en worden door het letsel van aangever elke dag opnieuw geconfronteerd met het incident en de gevolgen daarvan. Het incident speelde zich bovendien op straat midden in een woonwijk af en treft daardoor ook de bewoners van de woonwijk en de samenleving als geheel. De rechtbank rekent bovenstaande verdachte uitermate zwaar aan.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op de voornoemde rapportages. Uit het rapport van zowel de psychiater als de psycholoog blijkt dat verdachte beperkt heeft meegewerkt aan het onderzoek. De deskundigen hebben daardoor geen advies kunnen geven over de toerekenbaarheid en de recidiverisicos. Ook konden zij geen aanbevelingen doen voor interventies en het juridische kader. Uit de rapportages volgt wel dat verdachte gesloten van aard is en er lijkt sprake te zijn van een emotionele ontwikkelingsachterstand. Voor het bewezenverklaarde had verdachte last van depressieve klachten passend bij een depressieve stoornis. Voorts is er bij verdachte sprake van een disharmonisch intelligentieprofiel, met scores op beneden gemiddeld tot zwakbegaafd niveau. Verdachte lijkt nauwelijks te beschikken over probleemoplossend vermogen. Verdachte is gevoelig voor krenking en afwijzing. Daarnaast is er wantrouwen, een verlaagde frustratietolerantie en een defensieve houding die onverwacht om kan slaan naar vijandigheid. Hij is oppervlakkig gezien aangepast, maar tijdens het onderzoek blijkt dat er weinig nodig is om verdachtes onderhuidse lading van irritatie te actualiseren. Verdachte maakt daarnaast de indruk weinig verantwoordelijkheid voor zijn handelen te nemen en lijkt zich voornamelijk externaliserend op te stellen.
Op te leggen straf
Naar het oordeel van de rechtbank kan op het bewezenverklaarde niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank is van oordeel dat de strafeis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en neemt als uitgangspunt een gevangenisstraf van 15 jaren De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat beide incidenten, zowel het op aangever inrijden als het steken van aangever, tot de dood van aangever hadden kunnen leiden. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak en de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen strafverminderende omstandigheden. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest, dan ook passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Benadeelde partij
Ten aanzien van 18/175529-25 feit 1
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer] , tot een bedrag van 20.300,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [ [getuige 5] , tot een bedrag van 35.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
3. [ [getuige 1] , tot een bedrag van 35.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
3. [ [getuige 3] , tot een bedrag van 35.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
3. [ [getuige 4] , tot een bedrag van 35.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [slachtoffer] , [getuige 5] en [getuige 1] integraal kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [getuige 3] en [getuige 4] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen, omdat het geestelijk letsel onvoldoende is onderbouwd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer] , [getuige 5] en [getuige 1] . De raadsman heeft primair verzocht om de vorderingen van [getuige 3] en [getuige 4] niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, omdat niet is onderbouwd dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de hoogte van de shockschade vast te stellen naar billijkheid, in ieder geval op een lager bedrag dan gevorderd.
Oordeel van de rechtbank
Vordering [slachtoffer] (aangever)
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 juni 2025. De rechtbank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat de gevorderde en toegewezen schadevergoeding ziet op de immateriële schade die is ontstaan als gevolg van het steekletsel in de hals. De overige schade, zowel materieel als immaterieel, is buiten de vordering gelaten.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vorderingen [getuige 3] en [getuige 4] (zussen van aangever)
De rechtbank zal de benadeelde partijen [getuige 3] en [getuige 4] niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen. Een van de vereisten voor de toekenning van shockschade is dat er geestelijk letsel is
veroorzaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is het geestelijk letsel van beide benadeelde partijen onvoldoende onderbouwd.
Vorderingen [getuige 5] en [getuige 1] (ouders van aangever)
Naar het oordeel van de rechtbank is er door het handelen van verdachte een hevige emotionele schok teweeggebracht bij zowel de vader als de moeder van aangever. De (hoogte van de) schade, te weten het geestelijk letsel van beide ouders, is niet door de verdediging betwist. De rechtbank ziet echter aanleiding om de vordering van de moeder van aangever slechts gedeeltelijk toe te wijzen. De vordering van de vader van aangever zal geheel worden toegewezen. Dit onderscheid heeft te maken met de wijze waarop de ouders van aangever zijn geconfronteerd met de door verdachte jegens hun zoon gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. De vader van aangever heeft de klap van de aanrijding en het geschreeuw van zijn zoon gehoord en het steken van zijn zoon gezien. Hij heeft moeten ingrijpen om te voorkomen dat zijn zoon werd gedood. De rechtbank is, gelet op deze omstandigheden, van oordeel dat het incident voor vader nog confronterender is geweest dan voor moeder, die op een later moment ter plaatse kwam. De vordering van de moeder van aangever, te weten mevrouw [getuige 1] , zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van 25.000,00 en zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard. Beide vorderingen zullen worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 juni 2025.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Ten aanzien van 18/175529-25 feit 1
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 20.300,00 (zegge: twintig duizend driehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 126 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van 18/175529-25 feit 1
Verklaart de vordering van [getuige 3] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Bepaalt dat [getuige 3] haar eigen proceskosten draagt.
Ten aanzien van 18/175529-25 feit 1
Verklaart de vordering van [getuige 4] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Bepaalt dat [getuige 4] haar eigen proceskosten draagt.
Ten aanzien van 18/175529-25 feit 1
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [getuige 5] te betalen:
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [getuige 5] aan de Staat te betalen een bedrag van 35.000,00 (zegge: vijfendertig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 175 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van 18/175529-25 feit 1
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [getuige 1] te betalen:
Verklaart de vordering van [getuige 1] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [getuige 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 25.000,00 (zegge: vijfentwintig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 141 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter, mr. L.W. Janssen en
mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 oktober 2026.
1 Zie de verklaring van aangever op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier.
2 Zie de verklaring van [getuige 2] op pagina 201 e.v. van voornoemd dossier.
3 Zie de verklaring van [naam 1] op pagina 217 e.v. van voornoemd dossier.