RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 oktober 2026 in de zaak tussen
Stichting Ald Makkum, uit Makkum, verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2747
en
(gemachtigden: A.C. Schaap en Y. Boonstra)
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [maatschap 2]
, vergunninghouder (gemachtigde mr. S. Bosch)
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een omgevingsvergunning voor het dempen en graven van sloten, aanleggen van greppels en ophogen van laagtes.
Verzoekster is het niet eens met de omgevingsvergunning. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Op 29 juli 2026 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteit ‘het uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden’. De omgevingsvergunning ziet op het dempen en graven van sloten, aanleggen van greppels en ophogen van laagtes, op de percelen kadastraal bekend [kadastrale aanduiding], plaatselijk bekend als [locatie 2] te [plaats 2]. De percelen waarop de omgevingsvergunning ziet, hebben op grond van het Omgevingsplan Súdwest-Fryslân (onder meer) een (dubbel)functie Waarde-archeologie. De omgevingsvergunning ziet op werkzaamheden die voor een groot deel al zijn uitgevoerd.
Aan de omgevingsvergunning heeft het college wat betreft archeologie enkele voorschriften verbonden. Zo moet het Archeologisch Steunpunt Sneek (ASP) in de gelegenheid moet worden gesteld om de grond te onderzoeken. Ook moeten het ASP en de gemeentelijk archeoloog in de gelegenheid worden gesteld om aanwezig te zijn bij de verdere verwerking van de grondbulten ten behoeve van het verzamelen en documenteren van archeologische vondsten. Tot slot moet vergunninghouder toestemming te geven voor een archeologisch waarderend booronderzoek, uitgevoerd door een gecertificeerd archeologisch bedrijf.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Ook heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om de omgevingsvergunning te vernietigen en om het college te verplichten om een uitgebreid diepgaand archeologisch onderzoek te laten uitvoeren. Verzoekster wil daarmee voorkomen dat er, na uitvoering van de resterende werkzaamheden, geen archeologisch materiaal meer te vinden is.
Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
Vergunninghouder en verzoekster hebben beide nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens verzoekster [naam 2] en [naam 2] de gemachtigden van het college en namens vergunninghouder [naam 2] en de gemachtigde.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
(Spoedeisend) belang
4. Volgens verzoekster is de voorheen bestaande sloot, tussen de percelen met nummers [nummer] en [nummer], gedempt met archeologisch waardevolle grond die is vrijgekomen bij het graven en verbreden van de sloten gelegen tussen de percelen [nummer], [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer] enerzijds en de percelen [nummer], [nummer] en [nummer] anderzijds. Verzoekster vreest dat de betreffende grond niet meer kan worden onderzocht op waardevol archeologisch materiaal na het (terug)graven van een greppel tussen de percelen [nummer] en [nummer]. Volgens haar is de afgegraven grond, wanneer die verder wordt verwerkt en wordt ingezaaid, niet meer herkenbaar. Ook vreest verzoekster dat de – volgens haar – archeologisch waardevolle grond die vanuit twee grondbulten is verspreid in laagtes in het landschap, niet langer herkenbaar en vindbaar is als daar gras groeit. De voorzieningenrechter begrijpt verzoeksters standpunt zo, dat het uitblijven van onderzoek onomkeerbare gevolgen zal hebben voor mogelijke archeologische sporen en vindt dat een voldoende spoedeisend belang. De voorzieningenrechter zal daarom aan de hand van de bezwaargronden beoordelen of er aanleiding is om een voorlopige voorziening te treffen.
Voldoen de voorwaarden ter bescherming van archeologische waarden?
5. Volgens verzoekster zijn de voorschriften die het college aan de vergunning heeft verbonden ontoereikend om nog aanwezig waardevol archeologisch materiaal te beschermen. Wanneer de archeologisch waardevolle grond die is vrijgekomen bij het graven en verbreden van de sloten nog verder wordt verwerkt en wordt ingezaaid is geen grondig archeologisch onderzoek meer mogelijk. Nu is de herkomst van die grond nog bekend en kan de grond nog wél grondig worden onderzocht op archeologisch materiaal.
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoen de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften ter bescherming van archeologische waarden. Daartoe overweegt hij dat de omgevingsvergunning erin voorziet dat het ASP en de gemeentelijk archeoloog aanwezig zijn bij de werkzaamheden en de verdere verwerking van de grond en dat het ASP die grond zal onderzoeken en daarvan verslag zal doen en daarnaast dat een archeologisch waarderend booronderzoek zal worden gedaan langs de verbrede sloot.Mede gezien de daarop ter zitting door de gemeentelijk archeoloog gegeven toelichting wordt daardoor een voldoende zorgvuldig archeologisch onderzoek geborgd.
Het college heeft in het verweer en ter zitting namelijk toegelicht dat eventuele archeologische waarden vooral te vinden waren in het gebied waar de slootverbredingen reeds hebben plaatsgevonden. Volgens het college zijn mogelijke archeologische sporen en vondsten die gevonden worden op hun oorspronkelijke plaats het meest waardevol. Daarom heeft het college opdracht gegeven voor een archeologisch waarderend booronderzoek dat vooral ziet op de zones direct langs de verbrede sloten en steilranden. Daar zijn mogelijk nog archeologische sporen en vondsten te vinden op hun oorspronkelijke plaats. De archeologische waarde van de reeds uitgegraven grond is volgens het college beperkt, omdat eventuele vondsten niet meer kunnen worden gekoppeld aan hun oorspronkelijke vindplaats. De grond waarmee de sloot is gedempt, en waar een greppel moet terugkomen, is namelijk afkomstig van verschillende locaties. Maar scherven en andere vondsten die zijn en nog worden gevonden zullen wel worden verzameld en bij het onderzoek betrokken. Dat is feitelijk ook al gebeurd. ASP en de gemeentelijk archeoloog hebben veel scherven en ander materiaal verzameld uit de grondbulten. En tijdens de zitting heeft verzoekster een aantal archeologische vondsten uit die grondbulten, waarover zij de beschikking kreeg, aan de gemeentelijk archeoloog overhandigd. Al deze vondsten worden samen met de resultaten van het nog uit te voeren booronderzoek betrokken bij de archeologische verslaglegging over dit gebied. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat voor het in kaart brengen van de archeologische waarden in dit gebied daarnaast nog meer of ander archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Gelet op het voorgaande is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, in de situatie waarop deze omgevingsvergunning ziet, voldoende geborgd dat de aanwezige archeologische (verwachtings-) waarden alsmede de gevolgen van de uitgevoerde bodemverstoring worden onderzocht en vastgelegd. Daarom kan deze bezwaargrond naar zijn voorlopig oordeel niet slagen.
Overige bezwaargronden
6. Verzoekster voert aan dat de werkzaamheden illegaal zijn uitgevoerd omdat de watervergunning, die in januari 2023 door het Wetterskip Fryslân aan vergunninghouder was verleend, ten tijde van de werkzaamheden in oktober 2025 niet meer geldig zou zijn. Daarnaast stelt verzoekster dat het college in het najaar van 2025 heeft nagelaten te reageren op een melding over de werkzaamheden, waardoor de uitgegraven grond al is verwerkt ten koste van de archeologie, de structuur van het gebied en belangrijke natuurwaarden in het gebied.
Ook deze bezwaargronden kunnen naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet slagen. De omgevingsvergunning ziet op de omgevingsplanactiviteit ‘het uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden’. Voor de beoordeling van de rechtmatigheid daarvan is de watervergunning uit 2023 niet relevant. Dat geldt ook voor de door verzoekster gestelde nalatigheid van het college in reactie op een melding in 2025 en de gestelde gevolgen daarvan.
7. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat vergunninghouder gebruik mag (blijven) maken van de verleende omgevingsvergunning. Vergunninghouder doet dit wel voor eigen rekening en risico zolang de verleende omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk is. Voor vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Volk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026
Een kopie van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: