ECLI:NL:RBNNE:2026:4521

ECLI:NL:RBNNE:2026:4521

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 21-10-2026
Zaaknummer C/18/240339
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Burenrecht. Vordering tot het snoeien van overhangende takken toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Groningen

Zaaknummer: C/18/240339 / HA ZA 24-273

Vonnis van 16 september 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres, hierna te noemen: [eiseres],

advocaat: mr. A. Erents,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden, hierna samen te noemen: [gedaagden],

advocaat: mr. M.E. Bentum,

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 maart 2026,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 mei 2026,

- de conclusie na deskundigenbericht van de zijde van [gedaagden],

- de conclusie na deskundigenbericht van de zijde van [eiseres],

- de antwoordakte waarin [gedaagden] reageert op de producties die waren gevoegd bij de conclusie na deskundigenbericht van de zijde van [eiseres].

Tot slot is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 23 april 2025 geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 5:44 BW tussen partijen moet worden uitgegaan van de kadastrale erfgrens. Vervolgens is een deskundige benoemd om te onderzoeken op welke wijze en wanneer de takken tot de kadastrale erfgrens kunnen worden teruggesnoeid zonder dat de gezondheid van de bomen wordt aangetast en welk periodiek onderhoud er nodig is om het overhangen van takken in de toekomst te voorkomen. Voor het overige is iedere beslissing aangehouden.

Na indiening van het definitieve deskundigenbericht van 5 januari 2026 heeft de rechtbank aanleiding gezien een mondelinge behandeling te bevelen. Dat heeft zij gedaan in het tussenvonnis van 18 maart 2026. Op 20 mei 2026 heeft die mondelinge behandeling plaatsgevonden. Nadien hebben partijen een conclusie na deskundigenbericht genomen.

Door [gedaagden] is in de conclusie na deskundigenbericht inhoudelijk verweer gevoerd tegen de door [eiseres] gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad. Aan dit verweer gaat de rechtbank voorbij omdat het in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De gelegenheid om te concluderen na het deskundigenbericht was uitsluitend bedoeld om te kunnen reageren op het deskundigenrapport en [eiseres] heeft bovendien niet meer op dit verweer kunnen reageren.

De rechtbank dient thans te beoordelen of [gedaagden] moet worden veroordeeld om de takken van zijn bomen te snoeien voor zover die over de kadastrale erfgrens boven het perceel van [eiseres] hangen.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank het volgende voorop.

Op grond van artikel 5:44 BW kan de eigenaar van een naburig erf overhangende beplantingen van een nabuur verwijderen indien deze ondanks aanmaning nalaat deze te verwijderen. In de jurisprudentie wordt aangenomen dat daarvoor voldoende is het enkele feit dat beplantingen (waaronder takken en andere gedeeltes van een boom) over de erfgrens heen hangen, waarbij niet is vereist dat deze ook hinder veroorzaken. De bevoegdheid verjaart niet, zelfs niet indien het recht om op grond van artikel 5:42 BW verwijdering van de boom te vorderen inmiddels wel is verjaard. Wel geldt de beperking dat de buur die verwijdering van overhangende takken verlangt daarbij geen misbruik mag maken van zijn recht. Tot slot wordt aangenomen dat de bevoegdheid om zelf de overhangende takken te verwijderen onverlet laat dat de eigenaar van het naburige erf de bevoegdheid heeft deze verwijdering ook in rechte te vorderen.

In de onderhavige zaak wordt door [gedaagden] niet betwist dat sprake is van takken die over de kadastrale erfgrens heenhangen. Evenmin wordt betwist dat [eiseres] [gedaagden] meerdere malen heeft aangemaand om deze takken te verwijderen en dat [gedaagden] daaraan geen gehoor heeft gegeven. Door [gedaagden] is ter zitting nog gesteld dat hij altijd heeft getracht de bomen die gesnoeid kunnen worden te snoeien en dat ook na het uitbrengen van het deskundigenrapport nog snoeiwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Deze stelling is echter niet onderbouwd en bovendien heeft [gedaagden] tegelijkertijd verklaard dat dit slechts om twee bomen ging, en (zo wordt in de laatste antwoordakte verklaard) dat de betreffende takken niet volledig tot de erfgrens zijn teruggesnoeid. Daarmee staat vast dat aan de voorwaarden van artikel 5:44 BW is voldaan.

[gedaagden] heeft een beroep gedaan op verjaring en daartoe aangevoerd dat de takken al meer dan 20 jaar overhangen en dat één van de bomen al ouder is dan 40 jaar. Nog afgezien van het feit dat [gedaagden] (in strijd met zijn stelplicht) niet specifiek aanduidt op welke verjaring hij een beroep doet kan dit hem niet baten, gelet op wat onder nummer 2.6 is overwogen. Verder heeft [gedaagden] gesteld dat door verjaring een erfdienstbaarheid tot het dulden van overhangende takken is ontstaan. Daarvoor moet echter vast komen te staan dat [gedaagden] bezitter is geworden van een erfdienstbaarheid die de verplichting geeft om de overhangende takken blijvend te dulden en dat de rechtsvordering tot beëindiging van dat bezit is verjaard. Daartoe is onvoldoende gesteld. Daarbij geldt dat [eiseres] uit het enkele feit dat langdurig takken overhangen nog niet hoefde op te maken dat [gedaagden] meende dat hij daartoe het recht had uit hoofde van een erfdienstbaarheid.

Door [gedaagden] is gesteld dat [eiseres] misbruik maakt van haar recht doordat haar belang bij vermindering van de door haar gestelde overlast (schaduw, bladeren en takken op haar erf) niet opweegt tegen het belang dat [gedaagden] hecht aan de aanwezigheid van de bomen (qua karakteristieke uitstraling, zuivering van lucht en productie van zuurstof), en dat de gevorderde snoei van de bomen met zich zal brengen dat deze bomen het niet zullen overleven.

[gedaagden] lijkt daarbij - ten onrechte, zoals hieronder zal blijken - te veronderstellen dat zijn belang dat de bomen het overleven het uitgangspunt vormt en dat [eiseres] een zwaarwegender belang aannemelijk zou moeten maken om tot snoei van de overhangende takken te mogen overgaan.

Van misbruik van recht kan sprake zijn als [eiseres], in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen haar belang bij het snoeien en het belang van [gedaagden] dat daardoor zou worden geschaad, in redelijkheid niet tot de uitoefening van die bevoegdheid had kunnen komen. Dat betekent dat het uitgangspunt is dat als [eiseres] daar enig belang bij heeft, zij gebruik mag maken van haar recht om overhangende takken te (laten) verwijderen, óók als dit schade zou toebrengen aan [gedaagden] zoals de kans dat een of meer bomen het op termijn niet overleven. De belangen van partijen worden dus niet op voet van gelijkheid tegen elkaar afgewogen, enkel bij een duidelijke wanverhouding kan sprake zijn van misbruik van recht.

Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijke wanverhouding geen sprake. Daartoe overweegt de rechtbank dat van de zijde van [eiseres] de bereidheid heeft bestaan om de overhangende takken op zodanige wijze te snoeien dat zoveel mogelijk aan de door [gedaagden] gestelde belangen tegemoet zou worden gekomen. Dit is ook de aanleiding geweest om in het belang van [gedaagden] een deskundige te benoemen teneinde te onderzoeken op welke wijze de takken gesnoeid kunnen worden waarbij de gezondheid van de bomen zo min mogelijk wordt aangetast. De uitkomst van dat onderzoek komt er kort gezegd in algemene zin op neer dat de meeste bomen (hevige) snoei slecht verdragen en niet zodanig gesnoeid kunnen worden dat volledig aan de vordering van [eiseres] kan worden voldaan, maar dat de meeste bomen wel deels gesnoeid kunnen worden, waardoor deels aan de vordering van [eiseres] voldaan zou kunnen worden terwijl de bomen het (op termijn) waarschijnlijk overleven. Omdat uit het onderzoek geen duidelijk en concreet snoeiadvies per boom kon worden afgeleid, heeft de rechtbank een mondelinge behandeling gelast in aanwezigheid van de deskundige mede ook om te onderzoeken of in onderling overleg tot een snoeiplan kon worden gekomen.

Bij [gedaagden] lijkt echter de bereidheid te ontbreken om mee te werken aan een mate van snoei waarmee aan de belangen van beide partijen wordt tegemoet gekomen. [gedaagden] blijft vasthouden aan het feit dat hij een bomenliefhebber is en belang heeft bij de bomen, ook als luchtzuiveraars. [gedaagden] heeft er geen blijk van gegeven te willen meedenken over enige mate van snoei. Nu het uitgangspunt is dat [eiseres] de overhangende takken mag (laten) snoeien en een compromis waarmee [eiseres] iets van haar rechten prijsgeeft om deels aan de belangen van [gedaagden] tegemoet te komen wordt afgehouden door [gedaagden], kan niet worden gezegd dat [eiseres] misbruik maakt van haar recht. De primaire vordering zal daarom worden toegewezen. Om [gedaagden] voldoende tijd te geven om een hovenier te kunnen vinden en om een passend moment voor de snoeiwerkzaamheden te kunnen bepalen, acht de rechtbank een termijn van drie maanden redelijk. De rechtbank ziet in de weigerachtige houding van [gedaagden] aanleiding om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden. De dwangsom zal aan een maximum worden gebonden op de wijze als in het dictum bepaald.

[eiseres] vordert dat [gedaagden] op grond van artikel 6:96 lid 2 BW wordt veroordeeld tot vergoeding van de kosten die zijn gemaakt voor een grensreconstructie door het Kadaster. Daartoe stelt zij dat zij tot het maken van deze kosten genoodzaakt werd doordat [gedaagden], nadat hij was aangemaand om de takken tot de erfgrens te snoeien, de erfgrens is gaan betwisten.

[gedaagden] betwist dat dergelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen op grond van artikel 6:96 lid 2 BW, omdat het in de onderhavige procedure niet gaat om een vraag naar aansprakelijkheid.

De rechtbank oordeelt als volgt. Artikel 6:96 BW biedt geen zelfstandige grondslag voor de in dit artikel genoemde vormen van vermogensschade, maar stelt slechts vast welke vormen van vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking komen als gevolg van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding. In het onderhavige geval vordert [eiseres] vergoeding van de kosten die zij aan het Kadaster verschuldigd is geworden als gevolg van de (uitsluitend door haar) gegeven opdracht tot het verrichten van een grensreconstructie. Door [eiseres] is niet gesteld dat er aan de zijde van [gedaagden] een wettelijke verplichting tot schadevergoeding bestaat die tot het maken van deze kosten heeft geleid. Daarom moet de vordering op dit punt worden afgewezen.

[gedaagden] is in overwegende mate in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

137,50

- griffierecht

€

331,00

- salaris voor verwijzing

- salaris na verwijzing

€

€

217,00

1.306,00

(1 punt × € 217,00)

(2 punten × € 653,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.180,50

[gedaagden] dient de kosten van het deskundigenbericht te dragen. [gedaagden] heeft de kosten van de deskundige reeds volledig als voorschot betaald, zodat een separate veroordeling tot het betalen van deze kosten niet nodig is.

3. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagden] en [gedaagde sub 2] tot het snoeien van de takken voorzover die boven het perceel van [eiseres] hangen, binnen drie maanden na betekening van dit vonnis, en om deze takken teruggesnoeid te houden,

bepaalt dat [gedaagden] en [gedaagde sub 2] voor iedere dag dat zij niet aan de hierboven genoemde hoofdveroordeling voldoen, een dwangsom van € 100,00 verbeuren, totdat een maximum van € 2.000,00 aan dwangsommen is verbeurd,

veroordeelt [gedaagden] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten van € 2.180,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.F. Clement en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.

524 / MvdH

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand