RECHTBANK Noord-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: C/18/250323 / HA ZA 25-265
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
ENEXIS NETBEHEER B.V.,
gevestigd te 's-Hertogenbosch,
eiseres, hierna te noemen: Enexis,
advocaat: mr. D.P.M. Buysrogge te Zwolle,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. E.Tj. van Dalen te Groningen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 februari 2026;
- de akte overlegging producties 3 en 4 aan de zijde van [gedaagde];
- de akte overlegging producties 5 t/m 7 aan de zijde van [gedaagde].
Op 22 juni 2026 vond de mondelinge behandeling plaats, waarbij zijn verschenen:
- [juridisch medewerker], werkzaam als juridisch medewerker bij Enexis;
- mr. D.P.M. Buysrogge, advocaat van Enexis;
- [gedaagde] in persoon;
- mr. E.Tj. van Dalen, advocaat van [gedaagde].
Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling. De spreekaantekeningen van mr. Buysrogge zijn aan het procesdossier toegevoegd.
Tot slot is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde] is sinds 2018 eigenaar van het perceel aan de [adres] (hierna: het verbruiksadres). Op het perceel staan een woning en een tweetal loodsen.
Op 3 april 2018 is door [gedaagde] voor het verbruiksadres een overeenkomst gesloten betreffende aansluiting en transport van elektriciteit en gas.
Op het verbruiksadres is één elektriciteitsaansluiting aanwezig. In het verleden is er op het verbruiksadres een tweede aansluiting aanwezig geweest. In de grond van het perceel bevindt zich een splitsing van de elektriciteitskabel waarvan de ene aftakking naar de woning van [gedaagde] gaat en de andere aftakking naar de vroegere tweede aansluiting elders op het perceel. De tweede aansluiting is op enig moment maar in ieder geval vóór 2009 beëindigd, maar de kabel is blijven liggen.
Tussen 27 oktober 2020 en 2 november 2020 heeft Enexis een netmeting uitgevoerd op het verbruiksadres. Daarbij is een verbruikspatroon vastgesteld dat duidt op de aanwezigheid van een hennepkwekerij.
Op 3 december 2020 is op het verbruiksadres een inval gedaan door de politie en een fraude-inspecteur van Enexis. Daarbij is in de twee loodsen een hennepkwekerij aangetroffen die bestaat uit een drietal kweekruimtes en een opslagruimte. De elektriciteit daarvoor werd buiten de meter om afgenomen via de oude, nog aanwezige vertakking.
Door de politie is proces-verbaal opgemaakt. Van de aangetroffen apparatuur is een lijst bijgehouden waarop ook het stroomverbruik van deze zaken is vermeld. Verder is een fotoboek gemaakt van de meterkast, de kweek- en opslagruimtes en van de staat waarin de aangetroffen spullen zich bevonden. Op basis daarvan is aan de hand van het in het strafrecht bekende "Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht" (verder: Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel) door Enexis een inschatting gemaakt van het verbruik per oogst en het aantal voorgaande oogsten. Aldus heeft Enexis geschat dat gedurende een periode van 2163 dagen in totaal 544079 kWh elektriciteit buiten de meter om is afgenomen en er een hogere stroomcapaciteit beschikbaar is geweest dan contractueel overeengekomen.
Door Enexis is kort na de inval de elektriciteitskabel in de tuin op het verbruiksadres opgegraven en verbroken. Daarna werd geen verbruik meer geregistreerd in de woning en de loodsen.
Bij brief van 15 december 2020 is [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade, door Enexis begroot op € 40.127,8 en te betalen binnen veertien dagen.
Op 17 december 2020 heeft Enexis aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit.
[gedaagde] is vervolgd en door de strafrechter vrijgesproken.
3. Het geschil
Enexis vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 41.569,81 in hoofdsom, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 3 december 2020 althans 29 december 2020, en tot betaling van € 1.442,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 24 november 2025, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten vermeerderd met wettelijke rente.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Enexis, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Enexis in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Tussen partijen is niet in geschil dat in de loodsen op het perceel van [gedaagde] buiten de meter om stroom is afgenomen. Wel betwist [gedaagde] dat hij daarvoor aansprakelijk is en betwist hij de begroting van de omvang van de schade.
De door Enexis gevorderde schade bestaat uit de buiten de meter om afgenomen stroom, het verschil tussen het capaciteitstarief dat hoort bij de aangetroffen aansluiting en het capaciteitstarief dat contractueel was overeengekomen en de kosten die gemoeid zijn met het onderzoek naar en de afhandeling van de schade.
De aansprakelijkheid van [gedaagde]
Vast staat dat tussen Enexis en [gedaagde] een overeenkomst bestond ten behoeve van de levering van elektriciteit aan het perceel van [gedaagde]. Dat enkele feit brengt met zich dat [gedaagde] als contractuele wederpartij gehouden is om de nodige zorg te betrachten met betrekking tot de op zijn naam geregistreerd staande elektriciteitsvoorzieningen. Dit geldt ook wanneer [gedaagde], zoals hij stelt, een deel van dit perceel aan derden heeft verhuurd. In een dergelijk geval dient hij er (in redelijke mate) toezicht op te houden dat geen elektriciteit kan worden afgenomen die niet door de meter wordt geregistreerd. Doet hij dat niet, dan levert dit een tekortkoming op die naar verkeersopvattingen in de relatie tussen Enexis en [gedaagde] voor rekening van [gedaagde] komt.
Door [gedaagde] is het standpunt ingenomen dat de illegale stroomafname plaatsvond via de kabel die vroeger de tweede aansluiting op het verbruiksadres beleverde, en dat dit dus niet de kabel betreft met de aansluiting waarvoor hij een overeenkomst heeft met Enexis. Naar het oordeel van de rechtbank is dit echter niet relevant. Het verbruiksadres beschikt over slechts één aansluiting en [gedaagde] is de enige contractant voor het verbruik van elektriciteit op het verbruiksadres. Op hem rust daardoor de (hierboven omschreven) zorgplicht voor het meetbaar maken van het elektriciteitsverbruik op het verbruiksadres. Wanneer op het perceel buiten de meter om elektriciteit wordt afgenomen doet het niet ter zake of die afname plaatsvindt via een aftakking in de directe nabijheid van de meterkast of via een aftakking elders op het perceel.
Niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] op enigerlei wijze toezicht heeft gehouden op de afname van elektriciteit in de loodsen. Dat betekent dat [gedaagde] als contractant aansprakelijk is voor de buiten de meter om afgenomen elektriciteit op het verbruiksadres.
De aansprakelijkheid bestaat in ieder geval voor de afgenomen elektriciteit vanaf 3 april 2018 (het moment dat [gedaagde] contractant is geworden). De vordering van Enexis ziet weliswaar tevens op illegaal elektriciteitsverbruik van vóór 3 april 2018, maar of [gedaagde] ook daarvoor - in zijn hoedanigheid van bewoner van de woning op het perceel - aansprakelijk is te houden, kan buiten beschouwing blijven nu de rechtbank (verderop) in dit vonnis zal oordelen dat Enexis het illegale elektriciteitsverbruik slechts voldoende aannemelijk heeft gemaakt voor de periode van 3 december 2019 tot 3 december 2020 (een periode van een jaar tot aan de inval).
De hoeveelheid buiten de meter om afgenomen stroom
Enexis vordert een bedrag van € 38.441,13 aan netwerkkosten (capaciteitstarief) en verbruikskosten (afgenomen stroom). Dit komt overeen met een geschat verbruik van 544.079 kWh elektriciteit gedurende een periode van 2163 dagen. Een en ander baseert Enexis op het elektrisch vermogen van de aangetroffen apparatuur, het geschatte aantal uren dat deze apparatuur in bedrijf was voor een enkele oogst en het geschatte aantal oogsten dat heeft plaatsgevonden voordat de inval plaatsvond.
Tegen deze begroting is door [gedaagde] verweer gevoerd. Alvorens op dit verweer in te gaan, stelt de rechtbank de volgende uitgangspunten bij de beoordeling voorop. Deze volgen uit vaste jurisprudentie.
Het buiten de meter om afnemen van stroom brengt met zich dat het verbruik naderhand slechts schattenderwijs kan worden vastgesteld. Teneinde dit verbruik te kunnen schatten rust op Enexis de stelplicht ten aanzien van de feiten die nodig zijn om tot een goede schatting te kunnen komen. Daarbij mag Enexis afgaan op aanwijzingen voor de omvang van het verbruik die ter plaatse zijn aangetroffen, mits die aanwijzingen op zichzelf komen vast te staan.
Tegen deze achtergrond verwerpt de rechtbank het algemene verweer van [gedaagde] dat Enexis haar schadebegroting slechts heeft onderbouwd met aanwijzingen. Anders dan [gedaagde] aanvoert volstaat het immers dat Enexis aanwijzingen stelt waaruit het verbruik kan worden afgeleid en deze zo nodig bewijst. In deze zaak heeft Enexis dergelijke aanwijzingen gesteld. In de stukken (de netmetingen op het verbruiksadres, het proces-verbaal en het fotoboek) is vastgelegd wat er is aangetroffen, welk verbruik de aangetroffen apparaten hebben en in welke toestand de aangetroffen zaken zich bevonden. Dit alles wordt overigens niet door [gedaagde] betwist.
Op basis van deze bewijsmiddelen heeft Enexis vervolgens aannames gedaan over het stroomverbruik dat daarmee gemoeid is geweest. De aannames van Enexis zijn gebaseerd op standaardberekeningen die in vergelijkbare zaken worden gehanteerd. Bij gebrek aan feitelijke verbruiksmetingen is dit als zodanig acceptabel. Het is dan vervolgens aan [gedaagde] om concreet te stellen en onderbouwen welke uitgangspunten die Enexis heeft gehanteerd onjuist zijn geweest.
In dat kader heeft [gedaagde] concreet verweer gevoerd tegen het tijdspatroon van de verlichting en de periode van het illegale verbruik. Tegen de overige uitgangspunten van de berekening is geen concreet verweer gevoerd, zodat de rechtbank verder van de juistheid daarvan zal uitgaan.
Met betrekking tot het tijdspatroon voert [gedaagde] aan dat in de dagvaarding wordt gesteld dat de verlichting een 12-uurspatroon volgde, terwijl de berekeningen uitgaan van een 18-uurspatroon.
Enexis heeft ter zitting toegelicht dat de berekeningen juist zijn, maar dat in de dagvaarding abusievelijk 12 uur is vermeld.
De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat sprake is geweest van een verschrijving in de dagvaarding, nu in de onderliggende stukken en in de berekening van de vordering is uitgegaan van 18 uur. Door [gedaagde] is overigens niet gemotiveerd betwist dat het tijdspatroon van 18 uur juist is, hij heeft slechts opgemerkt dat er een verschil is tussen de dagvaarding en de berekeningen.
[gedaagde] betwist verder dat er al vanaf 2015 illegaal stroom is afgenomen in de loodsen. Hij betwist dat er überhaupt een oogst heeft plaatsgevonden, althans dat er zoveel oogsten hebben plaatsgevonden als Enexis heeft ingeschat. De gebruikte staat van de apparatuur kan verklaard worden doordat mogelijk tweedehands apparatuur is gebruikt, en de aanwezigheid van stof kan worden verklaard door het feit dat oude loodsen per definitie stoffig zijn. Verder is er volgens [gedaagde] na de aankoop van de woning in 2018 een nieuw dak geplaatst. In deze periode zijn veel personen (vrienden, aannemers en de makelaar) in de loodsen geweest die allemaal niets hebben waargenomen omtrent de aanwezigheid een hennepkwekerij, zodat daarvan toen geen sprake kan zijn geweest. Daarna zijn de loodsen verhuurd aan een Poolse partij, die er auto's in parkeerde, en weer daaropvolgend zijn de loodsen - vanaf eind 2019 - verhuurd aan een Bulgaarse partij die dan, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van [gedaagde], de hennepplantage moet hebben aangebracht. Deze verhuur blijkt volgens [gedaagde] uit een schriftelijke getuigenverklaring van de heer [naam], die verklaart daartoe eind 2019 het huurcontract te hebben opgesteld. In dit kader heeft [gedaagde] ook nog aangevoerd dat hij in de strafrechtelijke procedure is vrijgesproken omdat het proces-verbaal van de politie daarin ondeugdelijk is bevonden.
Tegen de achtergrond van deze gemotiveerde betwisting is de rechtbank van oordeel dat Enexis haar schatting van de periode van illegale elektriciteitsafname onvoldoende heeft onderbouwd. De door [gedaagde] gestelde, hiervoor genoemde feiten en omstandigheden zijn als zodanig door Enexis niet weersproken. Gelet op het feit, zoals uit het fotoboek blijkt, dat er zowel planten als stekken zijn aangetroffen alsmede plantenresten en knipschaartjes is het weliswaar duidelijk dat de kwekerij al enige tijd in gebruik was, maar de rechtbank acht, afgaand op de toelichting van [gedaagde] omtrent de gang van zaken rondom de verhuur, niet voldoende aannemelijk geworden dat de hennepkwekerij reeds aanwezig is geweest voordat de meest recente huurder van de loodsen daarin zijn intrek heeft genomen. De rechtbank betrekt daarbij tevens de omstandigheid dat [gedaagde] in de strafrechtelijke procedure is vrijgesproken zodat op die grond ook moet worden getwijfeld aan de juistheid van de bevindingen in het proces-verbaal van de politie, waarop op haar beurt weer het Rapport wederrechtelijke verkregen voordeel en de schattingen van Enexis zijn gebaseerd. Gelet op de stelling/verklaring dat het huurcontract "eind 2019" is opgesteld en de inval op 3 december 2020 heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank uitgaan van een illegale afname van elektriciteit over een periode van een jaar.
Dit betekent dat Enexis het illegale verbruik voor een periode van een jaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt, en dat zij de afname voor langere periode onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank zal de schade die in dat jaar is ontstaan (en die bestaat uit het verbruik en het te weinig berekende capaciteitstarief) schattenderwijs op de volgende wijze vaststellen.
De rechtbank zal het totaalbedrag dat Enexis vordert (€ 38.441,13) omrekenen naar een bedrag per dag door dit totaalbedrag door 2163 te delen, en de uitkomst daarvan vermenigvuldigen met 365 teneinde tot een schatting van de schade gedurende een jaar te komen. Het resultaat van deze berekening is een bedrag van € 6.486,83, welk bedrag de rechtbank zal toewijzen.
Kosten gemoeid met onderzoek en afhandeling
Enexis vordert een bedrag van € 1.686,68 aan kosten die zij heeft gemaakt in verband met de vaststelling van schade en aansprakelijkheid en voor het herstellen van haar eigendommen. Enexis heeft het gevorderde bedrag uitgesplitst per post. Tegen de genoemde posten is door [gedaagde] geen verweer gevoerd.
De rechtbank overweegt dat intern gemaakte bedrijfskosten en administratiekosten, in de vorm van door eigen medewerkers aan de zaak bestede tijd, als redelijke kosten ter voorkoming en vaststelling van de schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank zal de gevorderde kosten, die inhoudelijk niet zijn betwist, dan ook toewijzen.
Buitengerechtelijke kosten
Enexis vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Enexis heeft aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW, omdat het toepasselijke wettelijke tarief niet is vermeld. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
Slotsom
Toewijsbaar zijn een bedrag van € 6.486,83 aan elektriciteitsverbruik en capaciteitstarief en een bedrag van € 1.686,68 aan interne kosten.
Tegen de wettelijke rente is geen verweer gevoerd. De wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen vanaf 29 december 2020 (de datum van verzuim).
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Daarbij zal het liquidatietarief worden gehanteerd dat past bij het toegewezen deel van de vordering. De proceskosten van Enexis worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,21
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
1.108,00
(2 punten × € 554,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.412,21
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde] om aan Enexis te betalen een bedrag van € 8.173,51, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 29 december 2020, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.412,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Kremer en in het openbaar uitgesproken op
12 augustus 2026.
524 / MvdH