ECLI:NL:RBNNE:2026:454

ECLI:NL:RBNNE:2026:454

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 19-02-2026
Zaaknummer 24/1534, 24/2516, 24/2517
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Varia. Deze uitspraak gaat over de besluiten op de bezwaren van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van drie verzoeken op grond van de Wet open overheid (Woo), gedaan door eiser. De minister heeft de bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat sprake is van misbruik van recht. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat die beslissing niet juist is, omdat misbruik van recht niet is komen vast te staan en eiser niet is gehoord. De beroepen van eiser zijn dus gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

de Minister van Veiligheid en Justitie

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 24/1534, LEE 24/2516 en LEE 24/2517

(gemachtigde: mr. N.A.H. Limbourg),

en

(gemachtigden: mr. M.R. Vennegoor en mr. P.M. Timmer-Arends).

1. Deze uitspraak gaat over de besluiten op de bezwaren van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van drie verzoeken op grond van de Wet open overheid (Woo), gedaan door eiser. De minister heeft de bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat sprake is van misbruik van recht. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat die beslissing niet juist is, omdat misbruik van recht niet is komen vast te staan en eiser niet is gehoord. De beroepen van eiser zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

ProcesverloopLEE 24/1534

2. Eiser heeft op 10 augustus 2023 een verzoek ingediend op openbaarmaking van informatie zoals bedoeld in artikel 4 van de Woo. Het verzoek ziet op alle e-mails, Whatsapp- en Signal berichten, SMS en overige communicatie van/aan de heer [naam] voor zover het ziet op de EBI, de AIT en GVM. Tevens om alle (interne) memo’s, notulen, vergaderverslagen en dergelijke van de minister waarin de naam van de heer [naam] wordt genoemd, over de periode 1 januari 2020 tot en met 31 juli 2023.2.1. Met het besluit van 19 september 2023 heeft de minister het verzoek buiten behandeling gesteld wegens misbruik van recht. Met het bestreden besluit van 1 maart 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de buiten behandeling stelling van het verzoek gebleven.

LEE 24/2516 3. Eiser heeft op 17 september 2023 een verzoek ingediend op openbaarmaking van informatie zoals bedoeld in artikel 4 van de Woo. Het verzoek heeft betrekking op alle stukken die zien op de communicatie met de verbindingsofficier van het Openbaar Ministerie in Dubai, met het Nederlandse Openbaar Ministerie, met de autoriteiten in Dubai, de totstandkoming van gesloten verdragen en de samenwerking met Dubai om verdachten/veroordeelden op te sporen in Dubai.

Met het besluit van 10 oktober 2023 heeft de minister het verzoek buiten behandeling gesteld wegens misbruik van recht. Met het bestreden besluit van 23 april 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de buiten behandeling stelling van het verzoek gebleven.

LEE 24/2517 4. Eiser heeft op 8 juli 2023 een verzoek ingediend op openbaarmaking van informatie zoals bedoeld in artikel 4 van de Woo. Het verzoek ziet op alle digitale bestanden en schriftelijke communicatie waaronder besluiten, instructies of werkvoorschriften, notulen, andere gespreks- en commissieverslagen, rapportages, e-mails, SMS-berichten, Whatsapp- en Signal berichten tussen verschillende onderdelen van ministeries, alsmede tussen de KSA en de MGA en andere instanties.

Met het besluit van 10 oktober 2023 heeft de minister het verzoek buiten behandeling gesteld wegens misbruik van recht. Met het bestreden besluit van 23 april 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de buiten behandeling stelling van het verzoek gebleven.

5. Eiser heeft afzonderlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De gemachtigde van eiser heeft zich vooraf schriftelijk gesteld in de zaak LEE 24/1534, maar heeft zich ter zitting en in afstemming met eiser ook gesteld in de zaken LEE 24/2516 en LEE 24/2517.5.1. Eiser is in de onderhavige drie beroepen wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.5.2. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een uitgebreid verweerschrift.

De rechtbank heeft de beroepen op 18 december 2025 op zitting gevoegd behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van minister.

De standpunten van partijen

6. Eiser stelt dat de minister zijn Woo-verzoeken ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld door de antimisbruikbepaling toe te passen die is neergelegd in artikel 4.6 van de Woo. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij zich in deze procedure schuldig heeft gemaakt aan misbruik van recht. De bestreden besluiten zijn onvoldoende onderbouwd. De motivering van de minister bestaat voornamelijk uit verwijzingen naar procedures uit het verleden waarbij eiser betrokken was. Maar deze eerdere procedures zeggen niets over het procedeergedrag van eiser in de onderhavige procedures en mochten daarom niet bij de beoordeling worden betrokken. Eiser vindt niet dat hij destabiliserend gedrag vertoonde in detentie en bestrijdt dat hij discussies aanging met het personeel van de PI. De beklagzaken die eiser tijdens detentie indiende zagen op schendingen door medewerkers, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van de minister, en zijn in de helft van de gevallen gegrond verklaard. Eiser wijst op een aantal uitspraken waarbij vergelijkbare bestreden besluiten in beroep zijn vernietigd. Tot slot stelt eiser dat hij ten onrechte niet op zijn bezwaren is gehoord.

7. De minister heeft zich in de bestreden besluiten en het verweerschrift gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser al meer dan 31 verzoeken bij de minister heeft ingediend, met name bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). Daarnaast heeft eiser ook bij andere bestuursorganen meer dan 20 verzoeken ingediend. Eiser heeft destabiliserend gedrag veroorzaakt in detentie door een zeer groot aantal beklagzaken te starten en constant de discussie aan te gaan met het personeel van de PI. Eiser maakt gebruik van alle mogelijkheden om langdurige juridische procedures te voeren. Uit het geheel van deze omstandigheden blijkt dat eiser het doel heeft om het systeem te belasten en niet het verkrijgen van publieke informatie nastreeft. De minister wijst op een uitspraak van de rechtbank Limburg waarin misbruik van recht is vastgesteld. Verder verwijst de minister naar enkele uitspraken van de strafrechter. Volgens hem past dit in een langer lopend gedragspatroon van eiser, nu hij ook meerdere malen strafrechtelijk is veroordeeld voor oplichting.

Beoordeling door de rechtbank

Het toetsingskader

8. De besluiten vinden hun grondslag in artikel 4.6 van de Woo. Dat is de zogenoemde antimisbruikbepaling. Deze bepaling luidt als volgt: ‘Indien de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie of indien het verzoek evident geen bestuurlijke aangelegenheid betreft, kan het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek, dan wel onverwijld nadat is gebleken dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie, besluiten het verzoek niet te behandelen.’

Zijn de beroepen niet-ontvankelijk?

9. De minister heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de beroepen niet-ontvankelijk verklaard moeten worden, omdat met het instellen van beroep tegen de bestreden besluiten door eiser ook sprake is van misbruik van recht. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is en legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan op grond van artikel 3:13, in samenhang met artikel 3:15 van het Burgerlijk Wetboek, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover die bevoegdheid wordt misbruikt. In zo’n geval kan het beroep niet-ontvankelijk verklaard worden, maar daarvoor zijn zwaarwichtige gronden vereist. Die zijn onder meer aanwezig als rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn gebruikt zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het gebruik van die bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Dit uitgangspunt geldt ook voor verzoeken op grond van de Woo.

De rechtbank overweegt dat wanneer de beroepen niet-ontvankelijk worden verklaard, eiser geen oordeel van de rechter kan verkrijgen over de kennelijk niet-ontvankelijkheidverklaring van zijn bezwaren tegen het buiten behandeling stellen van zijn Woo-verzoeken. Daarmee zou in feite de toegang tot de rechter worden ontzegd. Door de minister zijn onvoldoende zwaarwichtige gronden aangevoerd op grond waarvan dit kan worden gerechtvaardigd. De rechtbank acht dit een doorslaggevende omstandigheid die ertoe leidt dat de beroepen ontvankelijk zijn.

Mocht de minister de bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk verklaren?

10. De rechtbank stelt vast dat op het bestuursorgaan dat toepassing wil geven aan de antimisbruikbepaling de verplichting rust om aannemelijk te maken dat daadwerkelijk sprake is van misbruik. De rechtbank wijst er daarbij op dat voor het aannemen van misbruik van recht een hoge drempel geldt.

Uit vaste rechtspraak blijkt dat een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten in het algemeen op zichzelf geen misbruik van recht oplevert. Elk beroep op die faciliteiten brengt kosten met zich voor de overheid en benadeelt de overheid in zoverre. Wel kan het aantal keren dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden, bijdragen aan de conclusie dat misbruik van recht heeft plaatsgevonden.

Het is niet uitgesloten dat het aanhangig zijn van andere zaken relevant kán zijn voor het kunnen toepassen van de antimisbruikbepaling, bijvoorbeeld als daaruit een patroon zou blijken van het doen van Woo-verzoeken om vervolgens (rauwelijkse) ingebrekestellingen te verzenden en beroepen in te dienen die zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

De rechtbank stelt vast dat de minister in de bestreden besluiten aangeeft dat tot 2023 door eiser 31, dan wel 32 Woo-verzoeken zijn ingediend. In het verweerschrift stelt de minister zich op het standpunt dat vanaf 2020 tot september 2023 door eiser 39 Woo-verzoeken bij de minister zijn ingediend, te weten 31 verzoeken gericht aan de DJI en acht verzoeken gericht aan het bestuursdepartement. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de druk die deze verzoeken op het bestuursapparaat leggen komt zij, gelet op de periode van drie jaren waarin deze verzoeken zijn gedaan, tot het oordeel dat hiermee (nog) geen sprake is van een overmatig aantal verzoeken. Daarbij betrekt de rechtbank dat in de periode van juli 2022 tot september 2023, het moment dat de minister het standpunt innam dat sprake was van misbruik van recht door eiser, slechts twee verzoeken bij de DJI zijn gedaan. De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat en in hoeverre in september 2023 (nog) relevant was dat eiser in de jaren daarvoor verzoeken had gedaan. Dat brengt mee dat, bij de beoordeling of in de onderhavige gevallen sprake is van misbruik van recht, meer gewicht dient te worden toegekend aan de overige omstandigheden en aan de totale context waarin de verzoeken zijn gedaan.

Hetgeen de minister in dit verband heeft aangevoerd, acht de rechtbank onvoldoende overtuigend. Het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, bieden onvoldoende steun voor de conclusie dat eiser in deze concrete gevallen een overmatig beroep heeft gedaan op door de overheid geboden faciliteiten.

De verwijzing van de minister naar de uitspraak van de rechtbank Limburg gaat in deze gevallen niet op. In de onderhavige zaken is naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet komen vast te staan dat het eiser te doen is geweest om geldelijk gewin. Ook een ander doel is door de minister niet aannemelijk gemaakt.

Het door de minister overgelegde overzicht van procedures die eiser (gedeeltelijk na de thans bestreden besluiten) aanhangig heeft gemaakt bij andere overheidsinstanties maakt dit oordeel niet anders. Dat geldt ook voor de tegenwerping van de minister dat eiser een strafrechtelijk verleden heeft en dat hij gedurende de periode dat hij gedetineerd was een groot aantal beklagzaken startte. Beklagzaken kennen een andere juridische grondslag dan de Woo. De minister heeft niet aannemelijk gemaakt in hoeverre een strafrechtelijke veroordeling (uit 2016 of 2020) relevant is voor de conclusie in 2023 om de onderhavige verzoeken buiten behandeling te stellen wegens misbruik van recht. Tot 2023 speelden de veroordelingen, zo lijkt het, geen rol en nam de minister de verzoeken van eiser wel in behandeling. Daarmee heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat dit overzicht ter onderbouwing kan dienen voor de stelling dat eiser op het moment van het indienen van de onderhavige Woo-verzoeken een gedragspatroon liet zien dat aanleiding geeft voor toepassing van de antimisbruikbepaling.

Verder overweegt de rechtbank dat de beoordeling van de bestreden besluiten door de rechtbank geschiedt naar de stand van zaken op het moment van het nemen van de bestreden besluiten. Dit betekent dat het gedragspatroon van eiser na het nemen van de bestreden besluiten - waaronder een strafrechtelijke veroordeling - niet kan worden betrokken bij deze beoordeling.

Tot slot overweegt de rechtbank dat vast staat dat de minister niet binnen twee weken na ontvangst van de onderhavige verzoeken het besluit heeft genomen om deze op grond van artikel 4.6 van de Woo buiten behandeling te stellen. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de bestreden besluiten onverwijld zijn genomen nadat is gebleken dat sprake is van een oneigenlijk verzoek. Zoals blijkt uit het verweerschrift heeft de minister een nader onderzoek verricht, ook bij andere bestuursorganen, met het doel om vast te stellen of eiser een ander doel had dan het verkrijgen van publieke informatie. Indien na het afsluiten van dat onderzoek volgens de minister is gebleken dat sprake was van een oneigenlijk verzoek, moet onverwijld het besluit worden genomen. Dat is in de onderhavige situatie niet aannemelijk gemaakt, nu de primaire besluiten zijn genomen op 19 september 2023 (op een verzoek van 10 augustus 2023) en 10 oktober 2023 (op twee verzoeken van 8 juli 2023 en 17 september 2023). De bestreden besluiten zijn genomen op 1 maart 2024 (op een bezwaar van 10 augustus 2023) en 23 april 2024 (op twee bezwaarschriften van 4 november 2023). De relatie met de uitkomsten van het aangehaalde onderzoek is, gegeven het tijdverloop, door de minister niet inzichtelijk gemaakt.

Heeft de minister kunnen afzien van het horen in bezwaar? 11. Op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan van het horen in bezwaar worden afgezien, indien het bezwaar kennelijk ongegrond of kennelijk niet-ontvankelijk is. Het horen in bezwaar is het uitgangspunt en er moet terughoudend worden afgezien van horen. Of van horen kan worden afgezien, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Ook is relevant of de indiener van het bezwaarschrift verzoekt om een hoorzitting.

De rechtbank is van oordeel dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. De minister heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar. Eiser heeft een gemotiveerd bezwaarschrift ingediend en daarbij expliciet verzocht om een hoorzitting. De minister heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het bezwaar niet tot een ander standpunt kon leiden. Een hoorzitting was voor de minister in de onderhavige gevallen bij uitstek geschikt geweest om, alvorens tot misbruik van recht te concluderen, de bijzondere omstandigheden en de uitkomsten van het in overweging 10.8 bedoelde onderzoek te bespreken.

Conclusie en gevolgen12.Gelet op het samenstel van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat in de onderhavige gevallen sprake is van misbruik als bedoeld in artikel 4.6 van de Woo. De minister heeft eiser ten onrechte niet op zijn bezwaren gehoord. Er zijn onvoldoende zwaarwichtige gronden komen vast te staan om de bezwaren van eiser kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren.

De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten.

13. Dit brengt met zich mee dat ook de primaire besluiten, strekkende tot het buiten behandeling stellen van de Woo-verzoeken van eiser, niet in stand kunnen blijven. De rechtbank herroept daarom de primaire besluiten.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de verzoeken moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

14. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. In dit verband stelt de rechtbank vast dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon, waarbij de werkzaamheden in elk van de zaken identiek zijn. Aldus stelt de rechtbank de proceskosten op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1). Omdat eiser in de zaken geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan hem te vergoeden.

Eiser heeft gevraagd om een vergoeding van de proceskosten, te weten de reiskosten voor het bijwonen van de zitting. De rechtbank heeft het beroep op dezelfde dag en aansluitend behandeld met andere beroepen van eiser. Eiser heeft voor het bijwonen van de behandeling van meerdere beroepszaken, dus slechts eenmaal reiskosten gemaakt. De vergoeding van die reiskosten is door de rechtbank al aan eiser toegekend in de uitspraak van zaaknummer LEE 25/1661. Dit betekent dat er in de zaak die nu voorligt, geen proceskosten meer zijn die nog voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 1 maart 2024 (LEE 24/1534) en 23 april 2024 (LEE 24/2516 en LEE 24/2517);- herroept de primaire besluiten van 19 september 2023 (LEE 24/1534) en 10 oktober 2023 (LEE24/2516 en LEE 24/2517);

- draagt de minister op om binnen een termijn van 12 weken een nieuwe beslissing op

de onderhavige drie Woo-verzoeken van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van K.D. Bosklopper, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?