RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/1445
(gemachtigde: mr. N.A.H. Limbourg),
en
de Minister van Justitie en Veiligheid, namens deze het College van procureurs-generaal, verweerder
(gemachtigden: mrs. M.P. Ketting en M.T. Ilbay).
1. Deze uitspraak gaat over de beslissing van verweerder om een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) van eiser niet in behandeling te nemen. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
Aan de hand van deze beroepsgronden komt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met de brief van 19 augustus 2023 heeft eiser bij verweerder op grond van de Woo verzocht om openbaarmaking en een afschrift van alle informatie die ziet op de Internationale Rechtshulp Centra (IRC), met betrekking tot de verwerking van Europese aanhoudingsbevelen (EAB’s) en Europese onderzoeksbevelen (EOB’s). Specifiek de navolgende stukken:
Op verzoek van verweerder heeft eiser bij brief van 9 september 2023 zijn verzoek als volgt gepreciseerd.
Het verzoek heeft betrekking op de periode 1 januari 2019 t/m 1 juli 2023;
Het verzoek heeft betrekking op de landen België, Oostenrijk, Duitsland, Zwitserland, Denemarken, IJsland, Monaco, Andorra, Liechtenstein, Malta en Groenland (zover onder bereik);
Het gaat om alle strafbare feiten en alle EAB’s en EOB’s, zowel ter vervolging als ter executie;
Het gaat om interne memo’s, notulen en overige bescheiden te weten: interne correspondentie met bijvoorbeeld het FAST/ AP’s/LP’s/OM/IRC’s/Nationale Politie/Kabinet RC etc., alle stukken in dit verband, enkel gericht op EAB’s en EOB’s in de breedste zin van het woord en alle stukken over de wijze van besluitvorming, over het al dan niet delen van bepaalde gegevens/stukken met buitenlandse autoriteiten en over het al dan niet meewerken.
Eiser heeft daarbij aangegeven dat zijn Woo-verzoek niet ziet op een specifiek document of specifieke aangelegenheid.
Met het primaire besluit van 26 oktober 2023 heeft verweerder het verzoek van eiser niet verder in behandeling genomen.
Met het bestreden besluit van 26 februari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Is het bestreden besluit rechtmatig?
De hoorplicht
3. Eiser voert aan dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Eiser is niet gehoord op zijn bezwaar en zat in detentie. Van verhinderdata is dan geen sprake. Eiser stelt dat verweerder hier rekening mee had moeten houden.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de hoorplicht niet heeft geschonden. Voor het plannen van een hoorzitting heeft verweerder bij eiser gevraagd om verhinderdata in de maanden januari en februari van 2024. Het was eiser dus duidelijk dat hij zou worden gehoord. Hij heeft niet op de vraag gereageerd en dit wordt door hem ook niet betwist. Verweerder heeft daarom een hoorzitting achterwege kunnen laten. Als de rechtbank wel van oordeel is dat er sprake is van schending van de hoorplicht, dan verzoekt verweerder het gebrek te passeren. Eiser heeft namelijk voldoende gelegenheid gehad om zijn standpunt naar voren te brengen.
4. Deze beroepsgrond van eiser slaagt. Eiser heeft in zijn bezwaar nadrukkelijk kenbaar gemaakt dat hij wenste te worden gehoord. Verweerder wilde bovendien zelf ook een hoorzitting organiseren. In de ontvangstbevestiging van 13 december 2023 van eisers bezwaarschrift is dat door verweerder zo verwoord: “De hoorzitting zal telefonisch of digitaal worden gehouden”.
Voor de planning van de hoorzitting is eiser in diezelfde ontvangstbevestiging verzocht zijn verhinderdata door te geven voor januari en februari van 2024. Niet in geschil is dat hierop geen reactie van eiser is gekomen. Bij het plannen van de hoorzitting kon verweerder dus hooguit geen rekening houden met mogelijke verhinderdata van eiser. Ten onrechte heeft verweerder de conclusie getrokken dat er geen plicht, of bij eiser geen behoefte meer zou bestaan, om te worden gehoord.
De precisering
5. Eiser stelt verder dat zijn Woo-verzoek concreet genoeg is. Dat het verzoek wellicht van grote omvang is, maakt nog niet dat het verzoek niet concreet genoeg is.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het Woo-verzoek te algemeen is geformuleerd. Eiser is in de gelegenheid gesteld het verzoek te preciseren, maar daar heeft hij niet aan voldaan. Het verzoek ziet namelijk niet op een specifieke (bestuurlijke) aangelegenheid of op een specifiek document. Dit erkent eiser zelf ook in zijn reactie op het preciseringsverzoek. Er is daarom niet voldaan aan de voorwaarden van de Woo. Het verzoek raakt nu een onbegrensd aantal mogelijke zaken, mogelijke onderwerpen, mogelijke aangelegenheden over een periode van 4 ½ jaar. Daardoor kan er geen zorgvuldige zoekslag worden gemaakt. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst verweerder naar de Memorie van Toelichting bij de Woo.
6. Deze beroepsgrond slaagt. Verweerder heeft een preciseringsverzoek aan eiser verzonden en eiser heeft hierop gereageerd. Verweerder heeft dus ten onrechte geconcludeerd dat eiser niet heeft meegewerkt aan het preciseringsverzoek. Als eisers verzoek volgens verweerder dan nog altijd zodanig omvangrijk is dat het onredelijk belastend is voor de bestuursorganisatie, dan had hij het verzoek kunnen weigeren. Bij de uitvoering van de taken op grond van de Woo moet namelijk de balans worden bewaard tussen transparantie en uitvoerbaarheid. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek door verweerder ten onrechte niet in behandeling genomen.
Het verzoek om schadevergoeding
7. Eiser verzoekt om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierbij geldt dat de berechting van een zaak door de rechtbank in beginsel niet binnen een redelijke termijn geschiedt wanneer zij niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet (waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren). De termijn vangt aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt.
Gelet op de datum van de ontvangst van het bezwaarschrift zou de redelijke termijn in deze zaak dan zijn geëindigd op 23 november 2025. De rechtbank constateert dat de behandeling van de zaak daarmee enkele maanden langer heeft geduurd dan de onder 7 genoemde redelijke termijn. Dit komt omdat de gemachtigde van eiser, in reactie op de uitnodiging voor een eerdere zitting, aan de rechtbank heeft verzocht om de behandeling van meerdere zaken van haar en eiser uit te stellen en te clusteren op één zitting. Deze zaak is daar onderdeel van. De vertraging is dus niet toe te schrijven aan de rechtbank maar aan eiser zelf. Hierop gelet heeft de berechting binnen een redelijke termijn plaatsgevonden. Eiser komt niet in aanmerking voor een immateriële schadevergoeding.
Rechterlijke dwangsom
8. Eiser verzoekt de rechtbank om verweerder op te dragen een nieuw besluit te nemen, met oplegging van een dwangsom.
Nu het verzoek dateert van 19 augustus 2023 en het besluit op bezwaar van 26 februari 2024, ziet de rechtbank aanleiding om aan eisers verzoek tegemoet te komen. De rechtbank vindt het van belang dat de procedure binnenkort tot een einde komt.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat verweerder een oordeel moet vormen over de reikwijdte van het verzoek na specificering en hij bij een mogelijk bezwaar eiser zal moeten horen.
De rechtbank bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken de tijd.
De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de nadere beslistermijn wordt overschreden. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 26 februari 2024;- herroept het primaire besluit van 26 oktober 2023;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het verzoek van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
K.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:3
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
Artikel 8:72(…)
4. De bestuursrechter kan, indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij:
a.bepalen dat wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuwe besluit of de andere handeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven;
b.het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.
(…)6. De bestuursrechter kan bepalen dat, indien of zolang het bestuursorgaan niet voldoet aan een uitspraak, het bestuursorgaan aan een door hem aangewezen partij een in de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt. De artikelen 611a, vierde lid, 611b tot en met 611d en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
Wet open overheid
Artikel 4.1. Verzoek
1. Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek.
(…)
5 Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam.
6 Het bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als bedoeld het vijfde lid. In afwijking van artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit om het verzoek niet te behandelen aan de verzoeker bekendgemaakt binnen twee weken nadat het verzoek is gepreciseerd of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
(…)