ECLI:NL:RBNNE:2026:4589

ECLI:NL:RBNNE:2026:4589

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 15-09-2026
Datum publicatie 26-10-2026
Zaaknummer C/18/257432
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Assen

Samenvatting

Klacht art. 10:7 Wvggz – bereik beoordeling door rechtbank beperkt zich tot klachten voorgelegd aan de klachtencommissie. Ook art. 10:12 Wvggz biedt geen mogelijkheid ‘vergeten klachten’ onder het bereik van de klachtenprocedure te brengen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie: Assen

Zaak-/rekestnummers: C/18/257432 / FA RK 26-3741 en C/18/260397 / FA RK 26-5530

Beslissing over klacht ex artikel 10:7 lid 1 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en verzoek om schadevergoeding

Beschikking van de meervoudige kamer van 15 september 2026 op de ingediende verzoekschriften van

[klaagster] ,

geboren op [geboortedatum] 1955 te [geboorteplaats] ,

thans verblijvende in een accommodatie van GGZ Drenthe te Assen,

hierna te noemen: betrokkene,

advocaat: mr. M.A. Smits, kantoorhoudende te Nijmegen,

inzake de door betrokkene op 10 april en 1 juni 2026 ingediende klachten bij de Regionale Klachtencommissie Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) Drenthe (hierna te noemen: de klachtencommissie) waarop door de klachtencommissie is beslist op 24 april 2026 en 26 juni 2026

tegen

de zorgaanbieder GGZ Drenthe, gevestigd te Assen,

en

de zorgverantwoordelijke, [naam 1], psychiater,

hierna gezamenlijk te noemen: verweerder,

advocaat: mr. M.J. Groenhof-Jager, kantoorhoudende te Assen.

1. Het procesverloop

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

Inzake C/18/257432 / FA RK 26-3741

- het verzoekschrift met bijlagen namens betrokkene, ontvangen op 4 juni 2026;

- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 20 augustus 2026;

- meerdere handgeschreven brieven van betrokkene zelf;

Inzake C/18/260397 / FA RK 26-5530

- het verzoekschrift met bijlagen namens betrokkene, ontvangen op 31 juli 2026;

- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 20 augustus 2026;

- het bericht met bijlagen namens betrokkene, ontvangen op 24 augustus 2026.

De mondelinge behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2026, in het gebouw van de rechtbank. Daarbij zijn de volgende personen verschenen en gehoord:

betrokkene en haar advocaat;

[naam 2] , gemachtigde van betrokkene;

mr. M.J. Groenhof-Jager en [naam 1] , namens GGZ Drenthe.

Betrokkene heeft ter zitting zelf het woord gevoerd aan de hand van handgeschreven notities, welke aan het dossier zijn toegevoegd.

2. De feiten

Aan betrokkene wordt door zorgaanbieder GGZ Drenthe verplichte zorg verleend krachtens een beschikking van deze rechtbank van 25 november 2025 geldend uiterlijk tot en met 25 november 2026.

Op 10 april 2026 is door zorgverantwoordelijke [naam 3] een beslissing en mededeling tot het verlenen van verplichte zorg op grond van artikel 8:9 Wvggz genomen, waarbij als verplichte zorg is aangezegd: opnemen in een accommodatie, het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, toediening van antipsychotica en antistolling en het verrichten van de bijbehorende controles. In de toelichting bij deze beslissing staat, voor zover van belang:

"Toedienen van antipsychotica en antistolling is noodzakelijk om een ernstig nadeel af te wenden. Dit kan niet los van elkaar worden gezien. Somatisch gezien is er sprake van een diep veneuze trombose (DVT) in de lies waarvoor behandeling met antistolling is gewenst.

Behandeling met antipsychotica geeft risico op uitbreiding van de trombose."

Betrokkene verblijft sinds 10 april 2026 op de FPK/FHIC van GGZ Drenthe te Assen.

Betrokkene heeft op 10 april 2026 een klacht ingediend tegen het toepassen van verplichte zorg. Betrokkene heeft ook gevraagd om schorsing van de beslissing. Door de patiëntenvertrouwenspersoon (hierna: pvp) [naam 4] is nadien nog een notitie ter nadere onderbouwing van het klaagschrift van betrokkene ingediend.

Door zorgverantwoordelijke [naam 1] is nadien op (vrijdag) 10 april 2026 een aangepaste 8:9-beslissing genomen, welke op (maandag) 13 april 2026 is verzonden, waarbij als verplichte zorg ook is aangezegd: beperken van de bewegingsvrijheid.

Door verweerder is op 20 april 2026 middels een verweerschrift gereageerd op de klacht.

De klachtencommissie heeft op 23 april 2026 zich onbevoegd geoordeeld om de klacht op grond van de Wvggz te beoordelen c.q. het verzoek tot schadevergoeding te behandelen. Daarnaast is geadviseerd een Wkkgz-klacht ongegrond te verklaren. Deze beslissing heeft de klachtencommissie op 24 april 2026 telefonisch meegedeeld aan betrokkene, de pvp en verweerder. Op 28 april 2026 is een verkorte beslissing verstuurd. De definitieve beslissing is op 7 mei 2026 verzonden.

Door verweerder is op 21 mei 2026 een beslissing en mededeling tot het verlenen van verplichte zorg op grond van artikel 8:9 Wvggz genomen, waarbij als verplichte zorg is aangezegd: toediening van medicatie. De toelichting bij deze beslissing luidt, voor zover van belang:

"Er is sprake van een schizo affectieve stoornis (…). Het recente verleden heeft laten zien dat uw beeld (…) opknapt na starten van een anti-psychotica. (…) Omdat u bijwerkingen ervaart zal ik de zo laag mogelijke optimale werkende dosering proberen te vinden aan anti psychotica. Een van de bijwerkingen is diep veneuze trombose (dtv). U bent bekend met trombo embolische ziekte. Op dit moment is er geen sprake van een aanwezige dtv, maar na plaatsing van het vorige depot heeft u vlot een dtv ontwikkeld.

Er is een causaal verband tussen het krijgen van anti psychotica en dtv. Vandaar wordt er de dag voor het plaatsen van het depot anti-psychotica gestart met antistolling. De voorkeur heeft oraal, maar bij weigering zal ook deze intra musculair gegeven worden."

Betrokkene heeft op 1 juni 2026 opnieuw een klacht (en schorsingsverzoek) ingediend tegen het toepassen van verplichte zorg.

Door verweerder is op 22 juni 2026 middels een verweerschrift gereageerd op deze klacht.

De klachtencommissie heeft op 25 juni 2026 de klachten ongegrond verklaard. Deze beslissing heeft de klachtencommissie op 26 juni 2026 telefonisch meegedeeld aan betrokkene, de pvp en per e-mail aan verweerder. Op 26 juni 2026 is ook een verkorte beslissing verstuurd. De definitieve beslissing is op 7 juli 2026 verzonden.

3. De verzoeken en de verweren

De advocaat van betrokkene heeft op 4 juni en 31 juli 2026 een tweetal verzoeken ex artikel 10:7 lid 1 Wvggz bij de rechtbank ingediend ter verkrijging van beslissingen over de door betrokkene ingediende klachten en daarnaast verzocht om een schadevergoeding.

Namens GGZ Drenthe is tegen beide verzoeken gemotiveerd verweer gevoerd, strekkende tot ongegrondverklaring of afwijzing van de klachten van betrokkene.

Op de verzoekschriften en de klachten waarover betrokkene een beslissing van de rechtbank verzoekt zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

Inzake C/18/257432 / FA RK 26-3741

Verzocht is de klachten van betrokkene die zijn ingediend op 10 april 2026 alsnog geheel of gedeeltelijk gegrond te verklaren en een billijke schadevergoeding toe te kennen.

Volgens de advocaat is door betrokkene op 10 april 2026 geklaagd over de gedwongen toediening van antistollingsmedicatie voorafgaand aan de toediening van gedwongen antipsychotica, alsmede - impliciet - over de wilsonbekwaamheidsverklaring, de gedwongen opname en de plaatsing op een gesloten afdeling. Tevens is om schadevergoeding verzocht.

Daarnaast heeft betrokkene de rechtbank verzocht – echter niet in het petitum - om 'in een overweging ten overvloede' iets te vinden van de datum waarop de beroepstermijn begint te lopen en de overlegging van stukken uit het dossier door verweerder bij de klachtencommissie, ook wanneer betrokkene geen toestemming tot inzage in het dossier verleent.

De ontvankelijkheid

De rechtbank stelt vast dat het verzoekschrift binnen de in artikel 10:7 lid 2 Wvggz gestelde termijn bij de rechtbank is ingediend. Deze termijn bedraagt zes weken na de dag waarop de beslissing aan de verzoeker is medegedeeld. De feitelijke mededeling van de beslissing heeft plaatsgevonden op 24 april 2026. Van deze datum uitgaande, is de termijn gaan lopen op zaterdag 25 april 2026 (de dag nadat deze op 24 april 2026 is medegedeeld) en eindigde op maandag 8 juni 2026. Het verzoekschrift is op 4 juni 2026 ontvangen en dus tijdig ingediend.

Nu betrokkene - uitgaande van de eerst mogelijke datum van mededeling van de beslissing - haar verzoekschrift tijdig heeft ingediend, heeft betrokkene geen belang bij een nadere overweging over welk moment als mededeling van de beslissing dient te worden beschouwd, voor het bepalen van de startdatum van de beroepstermijn.

Inzage in de stukken bij de klachtencommissie

De rechtbank overweegt dat in onderhavige procedure niet de beslissing van de klachtencommissie ter beoordeling voorligt maar alleen de oorspronkelijke klachten van betrokkene. De rechtbank heeft voor de beoordeling van de klachten van betrokkene kennis kunnen nemen van alle relevante onderliggende stukken, overgelegd door zowel betrokkene als verweerder, om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. Gelet hierop heeft betrokkene ook geen belang bij een overweging over de indiening van onderliggende stukken door verweerder in de procedure bij de klachtencommissie.

Inhoudelijk

Omvang van de klacht

Betrokkene stelt dat zij naast de klachten over de toediening van medicatie - impliciet - ook heeft geklaagd over de wilsonbekwaamheidsverklaring, de gedwongen opname en de plaatsing op een gesloten afdeling. Hoewel de klachtencommissie hierover niet heeft geoordeeld, kan volgens betrokkene op grond van artikel 10:12 Wvggz hier alsnog bij de rechtbank over worden geklaagd. De advocaat van betrokkene heeft ter zitting betoogd dat de klacht van betrokkene breed moet worden opgevat, omdat er is niet voldaan aan de wet als bedoeld in artikel 10:12 Wvggz. Volgens de advocaat is ook op andere wijzen dan hiervoor benoemd de wet door verweerder geschonden, onder meer doordat geen overleg met betrokkene is gevoerd over een op 9 april 2026 genomen 8:9-beslissing, geen overleg plaats heeft gevonden over het zorgplan en door verweerder geen vertegenwoordiger voor betrokkene is ingeschakeld op het moment dat zij als wilsonbekwaam werd aangemerkt. Volgens de advocaat van betrokkene is het grievenstelsel niet van toepassing en kan wel geklaagd worden over onderwerpen die niet aan de orde zijn gekomen bij de klachtencommissie.

Verweerder stelt dat betrokkene niet heeft geklaagd over andere zaken dan toediening van de antipsychotica en antistolling. Betrokkene kan niet klagen over onderwerpen die niet eerder aan de klachtencommissie zijn voorgelegd.

De rechtbank overweegt dat uit de tekst van artikel 10:7 Wvggz volgt dat een verzoekschrift ingediend kan worden bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over ‘de klacht’ nadat de klachtencommissie een beslissing heeft genomen. ‘De klacht’ in de zin van dit artikel moet naar het oordeel van de rechtbank beperkt worden uitgelegd, en wel zo dat het slechts mogelijk is om een klacht bij de rechter in te dienen die eerder aan de klachtencommissie is voorgelegd. De wilsonbekwaamheid, de gedwongen opname en de plaatsing op een gesloten afdeling zijn bij de klachtencommissie niet als klacht aan de orde gekomen. De rechtbank leest in de door betrokkene ingediende klacht geen impliciete klachten of verwijzingen naar deze onderwerpen. Ook in de nadere toelichting op de klacht door de pvp wordt op slechts twee onderwerpen ingegaan, te weten 'verplicht gebruik antistolling' en 'verplicht gebruik antipsychotica in depotvorm'. Indien betrokkene met haar klacht de intentie had ook te klagen over andere onderwerpen, had het in de rede gelegen dat de pvp in zijn aanvullende reactie daarop ook zou zijn in gegaan, zodat de klachtencommissie deze onderwerpen (ook alsnog) had kunnen meenemen. Dat betrokkene deze intentie niet had blijkt echter eens te meer uit de beslissing van de klachtencommissie op de op 10 april 2026 ingediende klacht. Hieruit volgt dat klaagster ter zitting van de klachtencommissie na een korte schorsing expliciet heeft laten weten dat zij enkel wilde klagen over de verplichte medicatie, zowel de somatische medicatie als het antipsychoticum.

Artikel 10:12 Wvggz biedt niet de mogelijkheid om 'vergeten klachten' alsnog onder het bereik van de klachtenprocedure te brengen. De klachtmogelijkheden van betrokkene staan omschreven in artikel 10:3 Wvggz. Artikel 10:11 Wvggz biedt vervolgens de mogelijkheid om op die grond ook om schadevergoeding te verzoeken. Artikel 10:12 Wvggz ziet op grondslagen tot het toekennen van schadevergoeding anders dan bedoeld in artikel 10:11 jo 10:3 Wvggz. De door betrokkene genoemde 'vergeten klachten' vallen alle onder het bereik van artikel 10:3 Wvggz. Voor zover er al sprake zou zijn geweest van het niet in acht nemen van de wet als bedoeld in artikel 10:12 Wvggz, anders dan vermeld in de limitatieve opsomming van klachten in artikel 10:3 Wvggz, had het op de weg van betrokkene gelegen (concreet) nader toe te lichten waaruit de door haar geleden schade bestaat. Betrokkene heeft dit volledig nagelaten.

De rechtbank stelt dan ook vast dat (de beoordeling van) de klacht van betrokkene zich beperkt tot de toediening van antistollingsmedicatie en de toediening van antipsychotica.

Toediening van antistollingsmedicatie en antipsychotica

Betrokkene stelt dat in de zorgmachtiging allerlei bevoegdheden zijn toegekend, waaronder het toedienen van antistollingsmedicatie voorafgaande aan een antipsychoticum. Uit het besluit verplichte zorg van 10 april 2026 blijkt volgens betrokkene vervolgens dat de antistollingsmedicatie en antipsychotica expliciet in één adem zijn genoemd, waardoor de hele klacht is te kwalificeren als een Wvggz-klacht. Betrokkene stelt dat zij op 10 april niet ontregeld was en er om die reden geen grond was voor het aanzeggen van deze verplichte zorg. Voor het toedienen van antistollingsmedicatie was volgens betrokkene ook geen grond. Betrokkene stelt dat antistollingsmedicatie achterwege gelaten had moeten worden en dat eerst de gevolgen van de toediening van het antipsychoticum nauwlettend in de gaten hadden kunnen worden gehouden.

Volgens verweerder is antistollingsmedicatie aangewezen bij trombo-embolische ziekte. Volgens verweerder is betrokkene in de voorgeschiedenis bekend met Diep Veneuze Trombose (DVT). Betrokkene wilde/kon geen bewijzen aanleveren van haar stelling dat zij geen DVT meer heeft. Op de afdeling is aan betrokkene om die reden antistollingsmedicatie aangeboden. Toen betrokkene die weigerde, is overgegaan op injecties met deze medicatie onder de WGBO. Volgens verweerder is geen sprake geweest van toediening van antistollingsmedicatie als verplichte zorg in de zin van de Wvggz. Volgens verweerder is er geen sprake van een causaal verband met behandeling van de psychische stoornis van verzoekster, omdat verzoekster op 10 april geen antipsychoticum toegediend heeft gekregen.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Betrokkene klaagt tegen de op

10 april 2026 door [naam 3] genomen 8:9-beslissing. Hierin staat het volgende opgenomen bij 'toediening medicatie': 'Toedienen van antipsychotica en antistolling is noodzakelijk om een ernstig nadeel af te wenden. Dit kan niet los van elkaar worden gezien. Somatisch gezien is er sprake van een diep veneuze trombose (DVT) in de lies waarvoor behandeling met antistolling is gewenst. Behandeling met antipsychotica geeft risico op uitbreiding van de trombose'. Bij 'verrichten medische controles' staat: 'Behorende bij de toegediende antipsychotica en antistolling'. Gelet op de formulering van de toelichting bij de modaliteiten in de 8:9-beslissing gaat de rechtbank er vanuit dat het op 10 april 2026 de bedoeling was betrokkene in te stellen op antipsychotica en, om het risico op (uitbreiding van de) trombose te voorkomen, ook antistollingsmedicatie toe te dienen. Dat zorgverantwoordelijke [naam 1] na de opname - op basis van nieuwe informatie - vervolgens een andere afweging heeft gemaakt en niet meteen is overgegaan tot toediening van antipsychotica, doet daaraan niet af. Op het moment van de aanzegging was er immers sprake van veronderstelde causaliteit tussen het risico op DVT en het gebruik van anti psychotische medicatie en het voornemen om onder de werking van artikel 8:9 Wvggz beide middelen toe te dienen.

Nu naar het oordeel van de rechtbank de toediening van de antistolling in dit geval wel onder de werking van de Wvggz valt en betrokkene dus ontvankelijk is in haar klacht, dient vervolgens te worden beoordeeld of voldaan is aan de vormvereisten van artikel 8:9 Wvggz. De rechtbank is van oordeel dat hieraan is voldaan. Gelet op de toelichting die door verweerder ter zitting is gegeven over de voorgeschiedenis van betrokkene, is op dat moment terecht toediening van de antistollingsmedicatie in combinatie met de antipsychotica aangezegd. De klacht van betrokkene is dan ook ongegrond.

Schadevergoeding vertraging procedure bij de rechtbank

Betrokkene klaagt dat door de rechtbank te laat wordt beslist op haar verzoek ingediend op 4 juni 2026 en maakt aanspraak op schadevergoeding wegens deze vertraging.

De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn inderdaad is overschreden. Nu onderhavige procedure ziet op klachten tegen verweerder, zal de rechtbank de klacht gericht tegen de termijnoverschrijding door de rechtbank afsplitsen van deze procedure en hiervoor een nieuwe zaak aanmaken, zodat afzonderlijk op deze klacht van betrokkene kan worden beslist.

Inzake C/18/260397 / FA RK 26-5530 4.17. Verzocht wordt de klachten van betrokkene alsnog gegrond te verklaren en schadevergoeding toe te kennen.

De ontvankelijkheid

De rechtbank stelt ook hier vast dat het verzoekschrift binnen de in artikel 10:7 lid 2 Wvggz gestelde termijn bij de rechtbank is ingediend.

Inhoudelijk

Betrokkene heeft bij de klachtencommissie geklaagd over de opname op een gesloten afdeling en de toediening van verplichte medicatie, met name Xeplion. Betrokkene stelt dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 8:9 Wvggz. Volgens betrokkene heeft er geen overleg met haar plaatsgevonden en is er ook geen beslissing genomen tot beperking van de bewegingsvrijheid in het kader van de opname op een gesloten afdeling. Verder vindt betrokkene dat iedere volgende 8:9-beslissing ook alle eerder aangezegde zorg weer heroverwogen en opgenomen dient te worden in de beslissing. Ook betwist betrokkene dat er sprake was van een indicatie voor de toediening van medicatie. Volgens betrokkene is het kwijtraken van haar huisvesting onvoldoende om te kunnen spreken van ernstig nadeel. Tevens ervaart betrokkene veel bijwerkingen.

Verweerder stelt dat het standpunt van betrokkene niet juist is. Wel is juist dat in de (eerste) 8:9-beslissing door [naam 3] de modaliteit 'beperken in de bewegingsvrijheid' niet is aangevinkt. Tijdens de opname is zorgverantwoordelijke [naam 1] dit ook opgevallen en is een aanvullende (tweede) 8:9-beslissing geschreven. Betrokkene laat dit ten onrechte buiten beschouwing.

De rechtbank overweegt als volgt. Ter zitting is gebleken dat de (tweede) door [naam 1] op 10 april 2026 genomen 8:9-beslissing, waarin de beperking van de bewegingsvrijheid is aangezegd, pas op 13 april 2026 is verzonden. Ondanks dat de advocaat heeft aangevoerd dat zij deze beslissing nog nooit eerder heeft gezien, blijkt uit het verzendbericht dat ter zitting is overgelegd, dat deze beslissing wel aan de advocaat van betrokkene is verzonden. Echter volgt hieruit ook de conclusie dat betrokkene op 10 april 2026 al meteen gesloten werd geplaatst, maar dat zij en haar advocaat pas op 13 april 2026 kennis hebben kunnen nemen van deze beslissing en de motivering daarvan.

De rechtbank stelt daarmee vast dat hier sprake is van een administratieve tekortkoming. De zorgmachtiging verstrekt verweerder weliswaar reeds een titel voor de opname op een gesloten afdeling, echter ook de uitvoeringsbeslissing op grond van 8:9 Wvggz dient aan alle voorwaarden te voldoen. Betrokkene is dus drie dagen te laat op de hoogte gebracht van het uitvoeren van genoemde vorm van verplichte zorg. Afgezien van deze omissie, is de rechtbank overigens van oordeel dat de opname op een gesloten afdeling wel op juiste gronden is aangezegd. Uit de overgelegde stukken, waaronder het zorgplan en de 8:9-beslissing leidt de rechtbank af dat het kennelijk niet anders mogelijk was, dan betrokkene met een beperking van de bewegingsvrijheid op te nemen, om haar in te stellen op antipsychotica. In hetgeen door betrokkene is aangevoerd ziet de rechtbank geen grond aan te nemen dat hierbij niet is voldaan aan artikel 3:3 Wvggz. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat betrokkene wel bekend is of had kunnen zijn met het overgelegde zorgplan, nu dit ook gevoegd was bij het laatste verlengingsverzoek voor de zorgmachtiging. Anders dan betrokkene is de rechtbank van oordeel dat de wet ook geen wettelijke verplichting behelst voor verweerder om iedere nieuwe 8:9-beslissing alle eerder aangezegde verplichte zorg opnieuw op te nemen en te heroverwegen.

De klacht van betrokkene is derhalve deels gegrond, voor zover deze betrekking heeft op het te laat in kennis stellen van de 8:9-beslissing.

Betrokkene heeft verzocht om schadevergoeding. Nu het een relatief geringe administratieve tekortkoming betreft, stelt de rechtbank de schadevergoeding, conform de Oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken, vast op € 20,--. Daarbij wordt aangesloten bij het schadebedrag voor schending van zorgvuldigheidseisen beslissing verplichte zorg, welke niet per dag, maar per gebeurtenis geldt. Verweerder is gehouden deze schade te vergoeden.

5. De beslissing

De rechtbank:

verklaart de klacht van 10 april 2026 ongegrond;

verklaart de klacht van 1 juni 2026 gedeeltelijke gegrond, voor zover deze ziet op de te late verzending van de tweede 8:9-beslissing van 10 april 2026, en verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

veroordeelt verweerder tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding van € 20,-- (zegge: twintig euro) aan betrokkene;

verklaart deze beslissing voor zover uitvoerbaar bij voorraad;

verwijst het verzoek tot schadevergoeding gericht tegen de termijnoverschrijding door de rechtbank naar een aparte procedure met zaaknummer C/18/26100 FA RK 20-5920;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven en ondertekend op 15 september 2026 door mr. J.S. Bartstra, voorzitter, mr. F.P. Dresselhuys-Doeleman en mr. M.C. van Woudenberg, rechters, bijgestaan door de griffier.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Indien het uitsluitend gaat om de afwijzing van het verzoek tot toekenning van schadevergoeding staat op grond van artikel 358 lid 1 Rv hoger beroep open.

Fn: AVo / 1208 (616)

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.S. Bartstra
  • mr. F.P. Dresselhuys-Doeleman
  • mr. M.C. van Woudenberg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand