RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.322155.25
ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18.117890.25 en 18.209059.26 vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18.157941.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 oktober 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , wonende te [adres ] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 oktober 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K.B. Spoelstra, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Zoer.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd
in de zaak met parketnummer 18.322155.25 dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 18 mei 2025 tot en met 26 november 2025 te Hoogezand, gemeente Midden-Groningen, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
een of meerdere wapen(s) van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
telkens zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
2
primair
hij in of omstreeks de periode van 18 mei 2025 tot en met 26 november 2025 te Hoogezand, gemeente Midden-Groningen, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
een of meerdere wapen(s) van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
telkens zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 18 mei 2025 tot en met 26 november 2025 te Hoogezand, gemeente Midden-Groningen, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
een of meerdere wapen(s) van categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten telkens een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk nabootsingen van vuurwapens, te weten
welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad;
in de zaak met parketnummer 18.117890.25 dat:
hij op of omstreeks 16 april 2025 te Hoogezand, gemeente Midden-Groningen,
opzettelijk ambtenaren, te weten [verbalisant/slachtoffer 1] (hoofdagent bij de Eenheid Noord-Nederland) en/of [verbalisant/slachtoffer 2] (hoofdagent bij de Eenheid Noord-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen de woorden toe te voegen: "Kankermongolen zijn jullie" en/of "Kankerpussy's", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
en in de zaak met parketnummer 18.209059.26 dat:
1
primair
hij, op of omstreeks 21 april 2026 te [plaats 1] , gemeente Tynaarlo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten meerdere (gouden) sieraden (armbanden, kettingen, ringen, oorbellen, een horloge en een broche), door
subsidiair
hij, op of omstreeks 21 april 2026 te [plaats 1] , gemeente Tynaarlo, althans in Nederland
in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij, op of omstreeks 30 april 2026 te Emmen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 5] , heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van meerdere (gouden) sieraden (waaronder een horloge, armbanden, kettingen, (trouw)ringen, oorstekers en een zegelring), door
3
hij, op of omstreeks 30 april 2026 te Assen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 4] , heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van meerdere (gouden) sieraden (ringen, armbanden en een ketting) en briefgeld (te weten 2500 euro), door
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van parketnummer 18.322155.25 heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd voor feit
1. Verder heeft zij vrijspraak gevorderd voor het onder feit 2 primair ten laste gelegde en veroordeling gevorderd voor het subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft ten aanzien van beide feiten partiële vrijspraak gevorderd voor het medeplegen.
De officier van justitie heeft tevens veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18.117890.25 en de feiten 1 primair, 2 en 3 in de zaak met parketnummer 18.209059.26.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de in de zaak met parketnummer 18.322155.25 en in de zaak met parketnummer 18.117890.25 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich ter terechtzitting verenigd met het standpunt van de officier van justitie.
De raadsman heeft verder betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten
1. primair, 1 subsidiair, 2 en 3 in de zaak met parketnummer 18.209059.26, nu verdachte ontkent bij deze oplichtingen betrokken te zijn geweest en zijn stelling is dat verdachte niet degene is die op de camerabeelden te zien is.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
De rechtbank acht feit 2 primair in de zaak met parketnummer 18.322155.25 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Verdachte heeft verklaard dat de wapens waarmee hij op de fotos staat, niet echt zijn. Ten aanzien van de onder 2 primair ten laste gelegde wapens kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat het om echte vuurwapens gaat. Wel is bewezen dat het om voorwerpen gaat die zodanig op vuurwapens lijken dat zij geschikt zijn voor bedreiging of afdreiging, zoals subsidiair ten laste is gelegd.
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de feiten 1 en 2 subsidiair geen sprake is van medeplegen, zodat verdachte van dit deel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen 18.322155.25 en 18.117890.25
De rechtbank acht de feiten 1 en 2 subsidiair in de zaak met parketnummer 18.322155.25 en het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18.117890.25 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
d.d. 25 november 2025, opgenomen op pagina 34 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025303838 d.d. 27 november 2025, inhoudend het relaas van verbalisant;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen
d.d. 4 december 2025, opgenomen op pagina 116 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant;
4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding verdachte
d.d. 16 april 2025, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025099263 d.d. 7 mei 2026, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant/slachtoffer 1] en [verbalisant/slachtoffer 2] .
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewijsmiddelen 18.209059-26
Ten aanzien van het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18.209059-26 stelt de rechtbank uit de bewijsmiddelen uit het dossier1 de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 21 april 2026 omstreeks 12.15 uur wordt de 92-jarige aangeefster [slachtoffer 3] gebeld door een man die zich voorstelt als politieagent [valse naam 1] . De politie wil met haar praten, omdat er in de buurt iets is gestolen. Omstreeks 13.15 uur verschijnt bij de woning van aangeefster aan de [adres ] te [plaats 1] een man die zich voorstelt als politieagent. Deze man vraagt of aangeefster sieraden heeft en of hij deze op de foto mag zetten, zodat de politie weet welke sieraden van aangeefster zijn. De man volgt haar als aangeefster naar boven gaat om haar sieraden te pakken. Als aangeefster het doosje waarin de sieraden zitten, beneden op de eettafel zet, pakt de man het doosje en rent daarmee de woning van aangeefster
uit. Aangeefster omschrijft de man/jongen als volgt: blank, ongeveer 1.90 meter lang, donker stijl haar, zwart jack met witte letters, zwarte broek.2 De buurman van aangeefster, getuige [getuige] , ziet op 21 april 2026 een jongen met een doosje en een telefoon in zijn hand van de oprit van aangeefster lopen. Ook ziet hij dat aangeefster boos achter de jongen aan loopt. De getuige heeft de jongen alleen van achteren gezien en omschrijft de jongen als volgt: blank, 1.90 meter lang, tussen 18 en 25 jaar oud, soort bloempotkapsel, donker haar, donkere broek.3 De getuige meldt later bij de politie dat hij de verdachte heeft zien zitten in een kleine witte 5-deurs auto, lijkend op een Seat Mii. Op beelden, die zijn gemaakt op 21 april 2026 om 13.55 uur vanaf de [adres ] , is de auto te zien. De auto komt uit de richting van de [adres ] .4 Een medewerkster van [autobedrijf] verklaart dat zij kan zien dat een bij dit bedrijf gehuurde witte Seat Mii op 21 april rond 14.00 uur in [plaats 1] aan de [adres ] is geweest.5 Een verbalisant herkent op de camerabeelden de man als dezelfde man die op camerabeelden staat bij het feit gepleegd op 30 april 2026 op de [adres ] . De man draagt dezelfde kleding als in Assen, namelijk een trui met witte letters, een grijze spijkerbroek en witte sneakers. De man heeft een telefoon vast in zijn linkerhand.6
Op 30 april 2026 om 11.32 uur wordt de 80-jarige aangeefster [slachtoffer 4] gebeld door een man die zich voorstelt als [valse naam 2] van de politie met dienstnummer [dienstnummer] . Hij vertelt dat er op dat ogenblik aan de [adres ] , waar aangeefster woont, veel wordt ingebroken. De man vraagt of aangeefster al haar spullen nog heeft en of zij nog meer waardevolle spullen in huis heeft. Aangeefster vertelt dat zij sieraden thuis heeft en dat die van goud zijn. Zij moet van de man alles klaarleggen in een bakje. Dat bakje moet zij dicht tapen. Rond 13.20 uur komt een jongen aan de deur die zegt dat hij verzekeringsagent [valse naam 3] is en code [legitimatiecode] heeft. Deze code wordt aangeefster ook verteld aan de telefoon. Aangeefster overhandigt het bakje met daarin gouden sieraden en ongeveer 2.500,- aan briefgeld aan deze persoon. Aangeefster omschrijft hem als een jongen van ongeveer 20 jaar met donkerbruin haar met een soort pony.7 Op camerabeelden, afkomstig van de flat waarin aangeefster woont, is te zien dat er rond het door aangeefster genoemde tijdstip een man de flat binnenkomt met een telefoon in zijn linkerhand. De man is rond de 20 jaar oud, heeft een blanke huidskleur, donker haar, een snor en een sikje, draagt een zwarte hoodie met de witte letters Prodigy, een grijze spijkerbroek en witte sneakers.8 Op een still, afkomstig van de camerabeelden, wordt verdachte herkend door drie verbalisanten.9 Uit analyse van de historische verkeersgegevens komt naar voren dat de telefoon van verdachte met het door zijn moeder verstrekte telefoonnummer op 21 april 2026 te 9.01 uur in gebruik wordt genomen en op 30 april 2026 te 12.22 uur en 13.37 uur verbinding maakt met de telefoonmast staande aan [adres ] . [adres ] bevindt zich midden in het dekkingsgebied.10 Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de telefoon waarvan zijn moeder het nummer heeft doorgegeven, tot twee weken of een maand voor zijn verhoor op 25 juni 2026 heeft gebruikt en dat hij de enige is die gebruik heeft gemaakt van die telefoon.11
Op 30 april 2026, omstreeks 15.00 uur, wordt de 73-jarige aangeefster [slachtoffer 5] gebeld door een man die zegt dat hij [valse naam 2] van de politie is. Hij geeft zijn code [dienstnummer] en zegt dat er die nacht twee inbrekers zijn gepakt bij [adres ] , het adres van aangeefster. De man zegt dat aangeefster al haar goud in een plastic zakje in een envelop moet doen en de envelop moet dichtmaken met ducttape.
Binnen een paar minuten zou het pakketje worden opgehaald door [valse naam 3] , verzekeringsman met legitimatiecode [legitimatiecode] . Omstreeks 16.00 uur staat er een jongeman bij aangeefster voor de deur die de code noemt. De man die aangeefster dan nog steeds aan de telefoon heeft, zegt dat de code klopt. Aangeefster geeft vervolgens het pakje aan de man.12 Aangeefster heeft de man op camerabeelden gezien. Hij droeg een blauwe spijkerbroek, een zwarte trui met witte letters en witte schoenen.13 Een verbalisant ziet op de camerabeelden dat de man kleding draagt die gelijk is aan de kleding die de verbalisant heeft gezien bij vergelijkbare zaken in Assen en [plaats 1] op 30 april 2026 en 21 april 2026, waarbij een man is betrokken die een donkere trui draagt met de opdruk Prodigy in witte letters, een grijze spijkerbroek en witte sneakers. Verbalisant ziet op de camerabeelden dat ook deze man blank is, donker haar heeft en dezelfde lichaamsbouw. Tevens draagt de man een telefoon in zijn linkerhand.14
Op 30 april 2026 om 19.55 uur worden medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden. Zij rijden op dat moment in een huurauto, die net als de auto die is gezien op 21 april 2026, is gehuurd bij [autobedrijf] . De auto is voorzien van een baken en wordt op afstand gevolgd door de politie.15 Op 30 april 2026 omstreeks 15.55 uur is de auto gestopt in Emmen en na 5 minuten weggereden richting de N34. Omstreeks 16.19 uur ziet een verbalisant de auto voorbij komen bij de P+R in Gieten langs de N34 met daarin als bestuurder een lichtgetinte jongeman met donker krullend haar en als bijrijder een blanke/lichtgetinte jongeman met zwart haar. De auto rijdt vervolgens naar Hoogezand en staat daar kort stil. Uiteindelijk is de auto aan de kant gezet ter hoogte van Apeldoorn waarbij op dat moment een vrouw de bestuurder was ( [medeverdachte 1] ) en een man de bijrijder ( [medeverdachte
2] ). Bij de bijrijdersstoel worden twee pakketjes aangetroffen en op de achterbank een zwarte hoodie met witte opdruk True Prodigy. De twee pakketjes bevatten de door aangeefsters [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] afgegeven sieraden. Eén van de pakketjes bevat ook 2.300,- aan briefgeld.16
De rechtbank acht bewezen dat het verdachte was die de drie aangeefsters heeft bezocht en de sieraden en het geld heeft meegenomen. De aangeefsters en een getuige hebben een signalement gegeven van de zogenaamde politieagent of verzekeringsman. Op grond van dit signalement is verdachte in ieder geval niet uit te sluiten, zoals de rechtbank ter terechtzitting heeft geconstateerd en mede gelet op de foto van verdachte, op 25 juni 2026 genomen door de politie.17 Verdachte is ook te zien op camerabeelden en fotos. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat die man veel op hem lijkt, maar dat hij die man niet is. Meerdere verbalisanten hebben verdachte echter herkend aan zijn specifieke kenmerken. De man op de beelden is telkens te zien met een telefoon in zijn linkerhand en met een zwarte hoodie met daarop aan de voorzijde witte letters gedrukt. Meerdere keren wordt daarbij het woord Prodigy genoemd. In de auto, waarin medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn aangehouden, is een dergelijke hoodie aangetroffen. De rechtbank acht aannemelijk dat het verdachte is geweest die omstreeks 16.00 uur op 30 april 2026 in de auto zat naast medeverdachte [medeverdachte 2] , gelet op de omschrijving die verbalisanten van de bestuurder hebben gegeven. Het dossier bevat een foto van [medeverdachte 2] die overeenkomt met deze omschrijving.18 Verdachte heeft verklaard dat hij de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet kent, maar uit onderzoek betreffende de telefoons van beide medeverdachten is gebleken dat verdachte in de periode van 21 tot en met 30 april 2026 veelvuldig contact heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte 1] en op 21 april 2026 twee keer met medeverdachte [medeverdachte 2] .19 Daar komt bij dat de auto ook is gesignaleerd in [plaats 2] , de woonplaats van verdachte.
Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen de drie aangeefsters heeft opgelicht. Deze vorm van oplichting kenmerkt zich hierdoor dat daarvoor een zekere vorm van organisatie en handelingen nodig zijn waarbij meerdere personen ieder een cruciale rol vervullen. Iemand belt het slachtoffer en doet zich voor als agent, iemand fungeert als chauffeur en iemand, in dit geval verdachte, haalt de waardevolle spullen op. Deze handelingen kunnen dan ook niet los van elkaar worden gezien en vergen een intensieve en nauwe samenwerking en duidelijke afstemming tussen de verschillende daders. De rechtbank acht dan ook het medeplegen bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de feiten 1 en 2 subsidiair in de zaak met parketnummer 18.322155.25, het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18.117890.25 en de feiten 1 primair, 2 en 3 in de zaak met parketnummer 18.209059.26 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
in de zaak met parketnummer 18.322155.25:
1
hij in de periode van 18 mei 2025 tot en met 26 november 2025 in Nederland, meerdere wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
telkens zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad;
2
subsidiair
hij in de periode van 18 mei 2025 tot en met 26 november 2025 in Nederland, meerdere wapens van categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten telkens een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk nabootsingen van vuurwapens, te weten
welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad;
in de zaak met parketnummer 18.117890.25 dat:
hij op 16 april 2025 te Hoogezand, gemeente Midden-Groningen, opzettelijk ambtenaren, te weten [verbalisant/slachtoffer 1] (hoofdagent bij de Eenheid Noord-Nederland) en [verbalisant/slachtoffer 2] (hoofdagent bij de Eenheid Noord-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd door hen de woorden toe te voegen: "Kankermongolen zijn jullie" en "Kankerpussy's";
en in de zaak met parketnummer 18.209059.26 dat:
1
primair
hij op 21 april 2026 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van sieraden (armbanden, kettingen, ringen, oorbellen, een horloge en een broche), door
2
hij op 30 april 2026 te Emmen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 5] heeft bewogen tot de afgifte van meerdere gouden sieraden (waaronder een horloge, een armband, kettingen, (trouw)ringen, oorstekers en een zegelring), door
3
hij op 30 april 2026 te Assen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten meerdere gouden sieraden (ringen, armbanden en een ketting) en briefgeld (te weten 2.300 euro), door
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
in de zaak met parketnummer 18.322155.25:
1. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;
2 subsidiair handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;
in de zaak met parketnummer 18.117890.25:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;
en in de zaak met parketnummer 18.209059.26:
1. primair medeplegen van oplichting;
2. medeplegen van oplichting;
3. medeplegen van oplichting.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 en 2 subsidiair in de zaak met parketnummer 18.322155.25, het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18.117890.25 en de feiten 1 primair, 2 en 3 in de zaak met parketnummer 18.209059.26 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van begeleid wonen/maatschappelijke opvang. Daarnaast zou nog een taakstraf kunnen worden opgelegd. De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland van 21 september 2026, het uittreksel uit de
justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft twee verboden vuurwapens en twee imitaties van een vuurwapen voorhanden gehad. Deze feiten zijn strafbaar gesteld ter bestrijding van illegaal wapenbezit. Het voorhanden hebben van wapens kan met zich meebrengen dat de veiligheid van personen ernstig in gevaar kan worden gebracht. Voor sterk op vuurwapens gelijkende namaakwapens geldt dat deze gebruikt kunnen worden voor bedreiging en afdreiging.
Daarnaast heeft verdachte twee politieagenten beledigd, die hier tijdens het uitoefenen van hun werkzaamheden mee zijn geconfronteerd. Door de belediging zijn beide politieagenten in hun eer en goede naam aangetast.
Tot slot heeft verdachte zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan oplichting van drie vrouwen op leeftijd. Door middel van babbeltrucs zijn de slachtoffers grote hoeveelheden sieraden en in één geval ook geld afhandig gemaakt. De slachtoffers werden telkens gebeld door een persoon die zich voordeed als politieambtenaar, waarbij werd gewaarschuwd voor inbraken. De slachtoffers werden gevraagd om hun, veelal gouden, sieraden af te geven aan een politieagent of een verzekeringsagent die langs zou komen. Verdachte was degene die de sieraden en het geld in ontvangst heeft genomen. Verdachte heeft daarmee misbruik gemaakt van het vertrouwen dat hij en zijn medeverdachten bij deze slachtoffers wisten te winnen. De rechtbank vindt het extra kwalijk dat juist oudere vrouwen tot slachtoffers zijn gemaakt, gelet op hun grotere kwetsbaarheid en afhankelijkheid van anderen. Met zijn handelen heeft verdachte het vertrouwen van de slachtoffers in de politie en de medemens in ernstige mate geschaad en gevoelens van onmacht, schaamte en onveiligheid bij de slachtoffers teweeggebracht. Uit de aangiftes en de toelichtingen bij de vorderingen tot schadevergoeding is gebleken dat de impact van het handelen van verdachte en zijn medeverdachten op het leven van de slachtoffers groot is geweest en dat zij ook nu nog steeds de gevolgen van die daden ondervinden. Twee van de slachtoffers hebben hun sieraden teruggekregen, maar bij één slachtoffer zijn sieraden buit gemaakt die nog steeds niet terug zijn gevonden. Het gaat daarbij om een financiële schade van ruim 20.000,-. Veel sieraden hebben voor het slachtoffer daarnaast een grote emotionele waarde. Met zijn handelen heeft verdachte alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin.
De rechtbank acht het handelen van verdachte zeer kwalijk en rekent hem dit aan. Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend is.
De rechtbank heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor verboden wapenbezit en dat hij een deel van de feiten in dit onderzoek heeft gepleegd in een proeftijd. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
Verdachte was 18 en 19 jaar oud toen hij de delicten pleegde. Gelet op het advies van de reclassering ziet de rechtbank geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. Wel houdt de rechtbank rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte. De rechtbank zal daarom een lagere straf opleggen dan is geëist door de officier van justitie..
Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend en geboden.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een gedeelte van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen, zoals de raadsman heeft verzocht. De reclassering heeft in beginsel een straf geadviseerd zonder bijzondere voorwaarden, omdat er geen mogelijkheden worden gezien om met interventies of toezicht het als hoog ingeschatte recidiverisico te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen in verband met het ontbreken van motivatie.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
In beslag genomen goederen
Ten aanzien van parketnummer 18.322155.25:
De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen telefoon (omschrijving: R3794089, voorwerpnummer PL0100-2025303838-G1889217) moet worden teruggegeven aan verdachte, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.
Benadeelde partijen
Ten aanzien van parketnummer 18.209059.26.
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 3] , een bedrag van 20.827,- ter vergoeding van materiële schade en
5.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en proceskosten van 1.750,23;
2. [ [slachtoffer 5] , een bedrag van 1.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 5] hoofdelijk kan worden toegewezen. Ook de vordering van [slachtoffer 3] is naar het oordeel van de officier van justitie hoofdelijk toewijsbaar, voorzover deze ziet op geleden materiële schade. Het gevorderde bedrag aan immateriële schade is niet in lijn met de bedragen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De officier van justitie heeft de rechtbank geadviseerd het bedrag te matigen tot 1.000,-. De proceskosten kunnen worden toegewezen.
Alle toe te wijzen bedragen, met uitzondering van de proceskosten, dienen te worden verhoogd met de wettelijke rente met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
In verband met de bepleite vrijspraak heeft de raadsman primair gesteld dat beide benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen moeten worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden gematigd, voorzover zij zien op vergoeding van immateriële schade. Ten aanzien van de door [slachtoffer 3] gevorderde materiële schade heeft de raadsman subsidiair gesteld dat deze vordering te ingewikkeld is, zodat het strafproces zich niet leent voor de behandeling daarvan. Dit geldt volgens de advocaat ook voor de gevorderde advocaatkosten, nu op basis van de
onderbouwing niet kan worden vastgesteld of sprake is van een redelijk honorarium afgezet tegen de hoeveelheid werkzaamheden.
Oordeel van de rechtbank
Wat betreft de door beide benadeelde partijen gestelde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van onmacht, onveiligheid, wantrouwen of schaamte vormen nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. Hoewel het bewezen verklaarde zonder twijfel een grote impact op de benadeelde partijen heeft gehad, is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden niet zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen. Er is onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een aantasting in de persoon en daarmee van een grondslag voor toekenning van immateriële schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 6:106 BW. De benadeelde partijen de gelegenheid geven de vordering nader te onderbouwen, zou het strafproces onevenredig belasten. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de benadeelde partijen in zoverre niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Deze kunnen eventueel nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde in de zaak met parketnummer 18.209059.26. De vordering is onderbouwd met een taxatie door een juwelier en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 april 2026.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al hebben betaald, en andersom.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank ziet aanleiding om de proceskosten te berekenen volgens het liquidatietarief kanton. Dit betekent dat de proceskosten worden begroot op een bedrag van 1.154,-. (twee punten à 577,-, zijnde 1 punt voor het indienen van het voegingsformulier en 1 punt voor de toelichting ter terechtzitting).
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk vonnis van 1 oktober 2025 van de politierechter in deze rechtbank is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 195 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 15 oktober 2025. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat
veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. Ook is een aantal bijzondere voorwaarden gesteld.
De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 10 juli 2026 de volledige tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf. Ter terechtzitting van 13 oktober 2026 heeft de officier van justitie een gedeeltelijke tenuitvoerlegging gevorderd, te weten
90 dagen, met toevoeging van een locatiegebod met elektronisch toezicht als bijzondere voorwaarde, zoals geadviseerd door de reclassering. De verdediging heeft zich hiertegen niet verzet.
Nu veroordeelde de bewezen verklaarde feiten in de zaken met parketnummer 18.322155.25 (deels) en 18.209059.26 heeft begaan voor het einde van de proeftijd, kan de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op hetgeen ter terechtzitting is behandeld, ziet de rechtbank aanleiding om tot een gedeeltelijke tenuitvoerlegging van 90 dagen gevangenisstraf over te gaan, zoals ter terechtzitting is gevorderd door de officier van justitie. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden die aan het restant van de voorwaardelijke straf zijn gekoppeld, aanvullen met een locatiegebod met elektronisch toezicht.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 57, 266, 267 en 326 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking in de zaak met parketnummer 18.117890.25.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 primair in de zaak met parketnummer 18.322155.25 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18.322155.25, het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18.117890.25 en het onder
1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18.209059.26 bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Ten aanzien van parketnummer 18.322155.25:
Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven GSM (omschrijving: R3794089, voorwerpnummer PL0100-2025303838-G1889217).
Ten aanzien van parketnummer 18.209059.26, feit 1 primair:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 3] te betalen:
- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op 1.154,-.
Verklaart de vordering ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wijst de vordering ten aanzien van de proceskosten voor het overige af.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 20.827,-(zegge: twintigduizend achthonderdzevenentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 127 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van parketnummer 18.209059.26, feit 2:
Verklaart de vordering van [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde partij haar eigen proceskosten draagt.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
18. 157941.25:
Gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van
1 oktober 2025, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen.
Wijst de vordering voor het overige af.
De rechtbank voegt toe als bijzondere voorwaarde:
- dat veroordeelde gedurende 6 maanden van de proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt.
Het locatiegebod geldt op de volgende dagen en tijden:
Bij de start dient veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding 10 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 20 uur en op
dagen in het weekend 16 uur.
De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is [adres ] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.
Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde mag gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaten zonder toestemming van de reclassering.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Spooren, voorzitter, mr. M.E. Joha en
mr. E. Dussel, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 oktober 2026.
1. Tenzij anders vermeld zijn de in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen naar wettelijk voorschrift
opgemaakte processen-verbaal, afkomstig uit het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2026105294 / 2026114673 / 2026114809, gesloten op 30 juni 2026.
2 aangifte [slachtoffer 3] d.d. 21 april 2026, pagina 102 e.v.
3 verhoor getuige [getuige] d.d. 21 april 2026, pagina 108 e.v.
4 bevindingen verbalisant opgemaakt d.d. 23 april 2026 en opgemaakt d.d. 1 mei 2026 + foto, pagina 110
e.v. en het mediabestand Beelden [adres ]
5 bevindingen verbalisant d.d. 30 april 2026, pagina 116A e.v.
6 bevindingen verbalisant d.d. 16 juni 2026, pagina 113 e.v.
7 aangifte [slachtoffer 4] d.d. 30 april 2026, pagina 79 e.v.
8 bevindingen verbalisant d.d. 16 juni 2026 + fotobijlage, pagina 88 e.v. en pagina 86 e.v.
9 herkenning persoon door opsporingsambtenaar d.d. 4 mei 2026 (pagina 189 e.v.), d.d. 6 mei 2026
(pagina 193 e.v.) en d.d. 6 mei 2026 (pagina 197 e.v.)
10 bevindingen verbalisant d.d. 24 juni 2026, pagina 225 e.v.
11 verhoor verdachte d.d. 25 juni 2026, pagina 215 e.v.
12 aangifte [slachtoffer 5] d.d. 30 april 2026, pagina 42 e.v.
13 aanvullend verhoor aangeefster [slachtoffer 5] d.d. 1 mei 2026, pagina 46 e.v.
14 bevindingen verbalisant d.d. 16 juni 2026, pagina 73 e.v.
15 relaas onderzoek, pagina 4 e.v.
16 bevindingen verbalisanten d.d. 1 mei 2026, pagina 21 e.v.
17 ID Staat d.d. 25 juni 2026, pagina 201
18 ID Staat d.d. 30 april 2026, pagina 158
19 bevindingen verbalisant d.d. 1 juli 2026, pagina 244 e.v.