RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
vonnis van 13 juli 2026
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: F.18/23/87
in de zaak van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker.
PROCESGANG
Bij vonnis van deze rechtbank van 4 juli 2023 is de verzoeker in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. C. Beuker tot rechter-commissaris en aanstelling van mr. J. Keekstra tot curator.
Verzoeker heeft op 21 juli 2025 een verzoek ingediend tot opheffing van zijn faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: Wsnp).
De curator heeft op een advies uitgebracht over het omzettingsverzoek.
De rechter-commissaris heeft bovenvermeld faillissement op 8 augustus 2025 voorgedragen voor opheffing.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 22 september 2025 alwaar het verzoek is aangehouden en opnieuw is behandeld ter zitting van 6 juli 2026. Verzoeker en de curator tezamen met een kantoorgenoot zijn ter zitting verschenen.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
RECHTSOVERWEGINGEN
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b faillissementswet (Fw) wordt een
verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen als voldoende
aannemelijk is dat:
a. de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn
schulden;
b. dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest;
c. dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
De curator adviseert positief ten aanzien van de omzetting. De curator heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker zich heeft gehouden aan de verplichtingen en alle medewerking heeft verleend.
Verzoeker heeft een totale schuldenlast van €1.723.510,32. Deze schulden komen met name voort uit de failliete onderneming van verzoeker. Het grootste deel van deze schulden bestaat uit over de afgelopen vijf jaren die betrekking hebben op het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting.
Ten tijde van het omzettingsverzoek was over 2023 en 2024 geen aangifte inkomstenbelasting is ingediend. Na de mondelinge behandeling van 22 september 2025 is het omzettingsverzoek aangehouden om verzoeker in de gelegenheid te stellen om de aangiftes over die belastingjaren alsnog in te dienen. Tijdens de mondelinge behandeling van 6 juli 2026 is gebleken dat de aangifte over 2023 is ingediend maar verzoeker geen aangifte heeft gedaan over 2024.
BEOORDELING
De rechtbank stelt vast dat het faillissement op eigen aangifte van verzoeker is uitgesproken. Daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 15b lid 1 Fw. Voorts stelt de rechtbank vast dat geen verificatievergadering is gehouden, noch dat de rechter-commissaris een beschikking als bedoeld in artikel 137a, eerste lid, Fw heeft gegeven. De curator heeft vastgesteld dat een akkoord binnen het faillissement niet tot de mogelijkheden behoort. Verzoeker is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
De schulden van de Belastingdienst zijn in beginsel een belemmering om toegelaten te worden tot de wsnp nu deze schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Naar het oordeel van de rechtbank is uit hetgeen verhandeld ter zitting niet voldoende gebleken dat dit het geval is, nu de aangifte over het belastingjaar 2024 nog moet worden gedaan. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Het staat verzoeker vrij om te zijner tijd opnieuw een verzoek tot toelating wsnp in te dienen.
BESLISSING
De rechtbank:
- beveelt de opheffing van bovenvermeld faillissement;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsanering af ten aanzien van [verzoeker],
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Groenewegen en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.