ECLI:NL:RBNNE:2026:46

ECLI:NL:RBNNE:2026:46, Rechtbank Noord-Nederland, 14-01-2026, 11856008 \ AR VERZ 25-56

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 14-01-2026
Datum publicatie 14-01-2026
Zaaknummer 11856008 \ AR VERZ 25-56
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Verzoek billijke vergoeding na opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, burn-out, long covid, arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer / rekestnummer: 11856008 \ AR VERZ 25-56

Beschikking van 14 januari 2026

in de zaak van

[verzoekster] ,

te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [verzoekster] ,

procederend in persoon,

tegen

GEMEENTE LEEUWARDEN,

te Leeuwarden,

verwerende partij,

hierna te noemen: de gemeente,

gemachtigde: mr. S.P. Thomassen.

De zaak in het kort

[verzoekster] heeft gewerkt in dienst van de gemeente. Zij is arbeidsongeschikt geworden vanwege een burn-out. Later is [verzoekster] besmet geraakt met Covid-19 en heeft zij long covid ontwikkeld. [verzoekster] heeft uiteindelijk een WIA-uitkering toegekend gekregen en de gemeente heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. [verzoekster] is van mening dat zij arbeidsongeschikt is geworden door toedoen van de gemeente en dat de gemeente voor, tijdens en na het re-integratietraject ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Zij maakt daarom aanspraak op een billijke vergoeding en verzoekt daarnaast om enkele vergoedingen en achterstallig salaris. De gemeente betwist dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat [verzoekster] nog recht heeft op een betaling. De kantonrechter geeft de gemeente grotendeels gelijk. De billijke vergoeding wordt daarom afgewezen, maar de gemeente moet nog wel een bedrag aan achterstallig salaris aan [verzoekster] betalen. Dit oordeel wordt hieronder uitgelegd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift

- het verweerschrift

- de aanvulling op het verzoekschrift

- de aanvulling op het verweerschrift

- de mondelinge behandeling van 3 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt

- de spreekaantekeningen van [verzoekster]

- de spreekaantekeningen van de gemeente

- de e-mail van de gemeente van 4 december 2025 over de vergoeding van het eigen risico.

[verzoekster] heeft op 5 december 2025 nog een e-mail aan de rechtbank gestuurd met een korte toelichting op wat tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is geweest. De kantonrechter laat dit bericht buiten beschouwing op grond van artikel 1.7.3 van het procesreglement. Dit artikel bepaalt dat de rechter berichten van een partij, die hem bereiken nadat is bepaald dat uitspraak wordt gedaan, buiten beschouwing laat, tenzij blijkt dat de andere partij ermee heeft ingestemd dat het bericht ter kennis van de rechter wordt gebracht of de rechter anders beslist. Niet gebleken is dat de gemeente heeft ingestemd met de indiening van deze e-mail. Daarom wordt de e-mail buiten beschouwing gelaten.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2. De feiten

Per 1 september 2017 is [verzoekster] voor 28 uur per week aangesteld in dienst van de gemeente in de functie van Inkoop- en Contractmanager.

Na de zomer van 2019 is [verzoekster] als projectleider ingezet op het project Asiel, Migratie & Integratie Fonds (AMIF). Partijen hebben afgesproken dat [verzoekster] 10,8 uren per week inzet voor dit project.

Per 1 januari 2020 is de aanstelling van [verzoekster] omgezet in een arbeidsovereenkomst. Op deze arbeidsovereenkomst is de cao Gemeenten (hierna: de cao) van toepassing. Het laatstverdiende salaris van [verzoekster] bedroeg € 4.214,78 bruto per maand.

Op 24 november 2020 heeft [verzoekster] samen met twee collega’s van team Inburgering een memo geschreven aan het MT. In dit memo staat onder andere dat de werkdruk voor het gehele team veel te hoog ligt, dat een van de collega’s per januari 2021 90% van haar taken neerlegt en nog niet duidelijk is wie haar taken oppakt, dat er mensen dreigen om te vallen, dat de capaciteit voor het hele team niet afdoende is en dat er ondersteuning nodig is voor [verzoekster] omdat het zo niet langer gaat.

Op 27 november 2020 heeft de leidinggevende van [verzoekster] , [de leidinggevende] (hierna: [de leidinggevende] ) een externe verzuimbegeleider ingeschakeld om [verzoekster] te ondersteunen.

Naar aanleiding van het memo heeft op 30 november 2020 een overleg plaatsgevonden tussen de schrijvers van het memo en [de leidinggevende] .

Op 7 december 2020 heeft [de leidinggevende] aan het team van [verzoekster] laten weten dat [een nieuwe collega] het team vanaf 1 januari 2021 komt ondersteunen voor twee tot drie dagen per week.

Per 1 januari 2021 is [verzoekster] voor haar volledige arbeidsomvang overgestapt naar het team Inburgering. Zij is toen ook gestart met een ontwikkeltraject tot senior consulent. In de zomer van 2021 is dit ontwikkeltraject op verzoek van [verzoekster] on hold gezet.

In het najaar van 2021 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] en [de leidinggevende] . In dit gesprek heeft [verzoekster] aangegeven dat het echt heel druk is en dat zij niet meer goed slaapt.

Op 1 november 2021 heeft [verzoekster] zich per e-mail aan [de leidinggevende] ziek gemeld. In deze e-mail heeft [verzoekster] geschreven, voor zover van belang:

Ik laad niet meer op. Het is te lang te druk, en dan nog alle andere zaken (zoals corona, [mijn collega] ’s werk, etc) erbij. Het overzicht in mijn werk (en privé) ben ik kwijt, mijn hoofd zit gewoonweg vol.

Op 23 november 2021 en 11 januari 2022 heeft [verzoekster] het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht. In de verslagen van de bedrijfsarts van deze afspraken staat dat er sprake is van tijdelijke beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren, en dat [verzoekster] tijdelijk geen werkmogelijkheden heeft. In het verslag van de bedrijfsarts van 19 april 2022 staat dat de tijdelijke beperkingen het gevolg zijn van werk- en niet-werkgerelateerde oorzaken.

Vanaf 12 mei 2022 is [verzoekster] op eigen verzoek gestart met een traject van tien sessies bij een psycholoog. Deze sessies zijn door de gemeente betaald. Op 10 juli 2022 heeft [verzoekster] de gemeente verzocht om een verlenging van dit traject.

In het verslag van de bedrijfsarts van 13 september 2022 staat dat de medische situatie en beperkingen en de precieze diagnose van [verzoekster] onvoldoende duidelijk zijn. De bedrijfsarts heeft daarom geadviseerd om een medische expertise in te zetten, zodat zij daarna verder kan adviseren over belastbaarheid en mogelijkheden.

De gemeente heeft aangegeven dat zij dit onderzoek wilde afwachten voordat zij zou instemmen met een verlenging van het traject bij de psycholoog. De gemeente heeft wel de drie extra sessies vergoed die [verzoekster] in de tussentijd had gevolgd.

In december 2022 en januari 2023 heeft een neuropsychologisch onderzoek door het Medisch Expertise en Advies Centrum (MEAC) plaatsgevonden.

Begin 2023 is de gemeente overgestapt naar een andere bedrijfsarts. Het heeft in ieder geval tot mei 2023 geduurd voordat het medische dossier van [verzoekster] door de vorige bedrijfsarts is overgedragen aan de nieuwe bedrijfsarts.

Op 16 mei 2023 heeft [verzoekster] het rapport van MEAC ontvangen.

De bedrijfsarts heeft op 12 juni 2023 geconcludeerd dat [verzoekster] nog geen re-integratiemogelijkheden heeft. In het verslag van de bedrijfsarts staat verder dat naar aanleiding van het onderzoek bij MEAC naar voren is gekomen dat een multidisciplinaire behandeling in aanmerking komt voor verder herstel.

In het actueel oordeel van de bedrijfsarts van 10 juli 2023 staat dat er op dat moment geen sprake is van benutbare mogelijkheden. Ook in de verslagen van de bedrijfsarts van 1 oktober 2023, 27 november 2023, 5 februari 2024 en 22 april 2024 staat dat er geen re-integratiemogelijkheden zijn. In de tussentijd heeft de longarts van [verzoekster] de diagnose long covid bij haar vastgesteld.

Bij beslissing van 3 mei 2024 heeft het UWV per 30 oktober 2023 een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100% aan [verzoekster] toegekend. In het Arbeidsdeskundig rapport van 17 augustus 2023 dat bij deze beslissing hoort, staat dat er geen re-integratiemogelijkheden waren, dat er geen re-integratiekansen zijn gemist en dat de gemeente zich voldoende heeft ingespannen voor de re-integratie van [verzoekster] .

[verzoekster] heeft ervoor gekozen om de WIA-uitkering aan de gemeente te laten uitbetalen. Bij de eerstvolgende salarisbetaling in mei 2024 ontving [verzoekster] € 704,45 netto in plaats van haar gebruikelijke salaris. Na bezwaar door [verzoekster] heeft de gemeente op 20 juni 2024 een aanvulling van € 1.658,58 netto betaald.

Omdat [verzoekster] in de veronderstelling was dat zij per 1 november 2024, na drie jaar arbeidsongeschiktheid, uit dienst zou treden, heeft zij het UWV verzocht om per die datum de WIA-uitkering aan haar uit te betalen in plaats van aan de gemeente. De gemeente heeft in november en december 2024 geen salaris uitbetaald, maar wel een bedrag van € 683,49 bruto per maand ingehouden op het individueel keuzebudget (IKB) onder vermelding van ‘Vermindering i.v.m. samenloop uitkering’ en een bedrag van € 294,79 bruto per maand ingehouden aan pensioenpremie.

Partijen hebben met elkaar overlegd over het beëindigen van de arbeidsovereenkomst door middel van een vaststellingsovereenkomst, maar zij hebben hierover geen overeenstemming bereikt.

De gemeente heeft vervolgens het UWV verzocht om een ontslagvergunning. Het UWV heeft de ontslagvergunning op 3 april 2025 verleend.

Bij brief van 1 mei 2025 heeft de gemeente de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] opgezegd per 1 juli 2025.

[verzoekster] heeft contact gehad met een externe vertrouwenspersoon en een interne vertrouwenspersoon van de gemeente om te vragen om ondersteuning in een klachtenprocedure. De vertrouwenspersonen hebben haar hier niet bij ondersteund. De interne vertrouwenspersoon heeft aangegeven dat hij, gezien de aard van de klacht van [verzoekster] , geen rol van betekenis kan spelen, omdat zijn rol vooral is gericht op het adviseren en ondersteunen bij klachten tegen een persoon in de organisatie.

[verzoekster] heeft haar klacht vervolgens ingediend bij de gemeentesecretaris. Per brief van 19 mei 2025 heeft hij geschreven dat de klacht van [verzoekster] in eerdere correspondentie door de gemeente is weerlegd en dat hij zich hierbij aansluit. Hij heeft de klacht van [verzoekster] daarom niet in behandeling genomen. Tijdens een gesprek tussen [verzoekster] en de gemeentesecretaris op 19 juni 2025 heeft de gemeentesecretaris aangegeven dat de klacht niet in behandeling is genomen omdat er al veel correspondentie is geweest en dat het op een gegeven moment een juridisch traject is geworden en daar dan aan vastgehouden moet worden.

[verzoekster] heeft een second opinion van een andere bedrijfsarts gevraagd om te laten beoordelen of haar ziekte gemeld had moeten worden bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten. In het verslag van deze bedrijfsarts van 15 oktober 2025 staat dat hij op basis van de door [verzoekster] aangeleverde informatie het beeld heeft gekregen dat zij heeft geworsteld om haar werk zo goed mogelijk te doen, meermaals heeft gevraagd om hulp, maar dat die hulp onvoldoende is geboden. Volgens deze bedrijfsarts heeft deze situatie van overbelasting in wisselwerking met in haar persoon gelegen factoren geleid tot de ziekte, en was een melding bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten daarom terecht geweest.

Naar aanleiding van de second opinion heeft de oorspronkelijke bedrijfsarts op 3 november 2025 bij het Nederlands Centrum van Beroepsziekten een melding gemaakt van de burn-out van [verzoekster] . In de melding staan als oorzaken van de ziekte genoemd:

Oorzaak1: Het hebben van te veel werk

Oorzaak2: Andere oorzaak

Toelichting oorzaak: voornamelijk werkfactoren: 2 jr lang veel overgewerkt: hoge werkdruk, thuiswerken tijdens corona-lockdown, taak onduidelijkheid.

Privefactor: thuisonderwijs geven aan dochter. Zieke moeder. Vriend opname wegens ziekte.

3. Het verzoek en het verweer

[verzoekster] heeft de kantonrechter - samengevat - verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

te verklaren dat de gemeente ernstig verwijtbaar heeft gehandeld,

de gemeente te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 130.000,00,

de gemeente te veroordelen tot erkenning van het feit dat de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] in en door de dienst is ontstaan en de gemeente te veroordelen tot nakoming van artikel 7.3 van de cao,

e gemeente te veroordelen tot betaling van € 37.001,59 bruto aan te veel gekort salaris, te vermeerderen met het IKB, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente,

de gemeente te veroordelen tot betaling van € 584,00 netto als vergoeding voor de mindfulness training en het eigen risico van de zorgverzekering over 2024,

de gemeente te veroordelen tot betaling van € 862,46 netto aan wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het te laat betaalde salaris van de maand mei 2024,

de gemeente te veroordelen tot betaling van € 1.956,56 netto voor onterecht ingehouden salaris/IKB over de maanden november en december 2024, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente,

de gemeente te veroordelen tot betaling van € 4.035,35 aan buitengerechtelijke kosten, dan wel tot betaling van de buitengerechtelijke kosten conform het Rapport BGK-integraal,

[verzoekster] geeft de rechtbank in overweging te benadrukken dat het wenselijk is dat de gemeente dossiers van werknemers in soortgelijke situaties beoordeelt, eventuele onjuiste betalingen corrigeert en zorgt voor passende begeleiding,

[verzoekster] geeft de rechtbank in overweging te benadrukken dat het wenselijk is dat de gemeente haar beleid en werkwijze bij de afdelingen P&O en salarisadministratie kritisch evalueert en daarbij zorgdraagt voor voldoende kennis en deskundigheid,

de gemeente te veroordelen in de proceskosten.

De gemeente heeft de kantonrechter verzocht om de verzoeken van [verzoekster] af te wijzen, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.

4. De beoordeling

De gemeente heeft niet ernstig verwijtbaar gehandeld

[verzoekster] heeft aan haar verzoeken ten grondslag gelegd dat de gemeente zowel voor, tijdens als na het re-integratietraject ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Samengevat gaat het er volgens [verzoekster] om dat de gemeente onvoldoende oog heeft gehad voor de te hoge werkdruk, de signalen hierover bewust heeft genegeerd en heeft gezorgd voor een psychosociaal onveilige werkomgeving. Hierdoor heeft [verzoekster] een burn-out gekregen, wat er weer voor heeft gezorgd dat zij vatbaar was voor het ontwikkelen van long covid. Tijdens de re-integratie heeft de gemeente zich niet gehouden aan de adviezen van de bedrijfsarts, heeft zij onvoldoende contact gehouden, is zij afspraken niet nagekomen en heeft zij onterecht salaris gekort. Ook na de re-integratie heeft de gemeente fouten gemaakt bij de verrekening van het salaris met de WIA-uitkering, heeft zij druk uitgeoefend op het sluiten van een vaststellingsovereenkomst, is er geen ondersteuning geboden door vertrouwenspersonen en heeft zij een officiële klacht ten onrechte niet in behandeling genomen. Gelet op al deze omstandigheden is sprake van ernstig verwijtbaar handelen door de gemeente, aldus [verzoekster] .

De gemeente heeft betwist dat de burn-out door haar toedoen is ontstaan. Bovendien is er volgens de gemeente geen (aantoonbaar) causaal verband tussen de burn-out en het ontwikkelen van long covid. De gemeente heeft verklaard dat er altijd dingen beter hadden gekund in het re-integratietraject, maar betwist dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

De kantonrechter overweegt dat aan een werknemer een billijke vergoeding kan worden toegekend indien de opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Er moet dus een causaal verband bestaan tussen het ernstig verwijtbare handelen of nalaten en de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Voor het aannemen van ernstige verwijtbaarheid in deze zin geldt een hoge drempel. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt deze drempel overschreden, bijvoorbeeld als de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever of als de werkgever zijn re-integratieverplichtingen ernstig heeft veronachtzaamd. Naar het oordeel van de kantonrechter is daar in deze situatie geen sprake van. Dat oordeel zal hieronder worden toegelicht.

De kern van de verwijten die [verzoekster] de gemeente maakt, is dat de gemeente ten onrechte heeft ontkend dat haar uitval het gevolg was van de situatie op het werk en dat de gemeente zich te passief heeft opgesteld in haar re-integratie. Ten aanzien van dit eerste verwijt is naar het oordeel van de kantonrechter niet vast komen te staan dat de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de gemeente. Hoewel aannemelijk is geworden dat de werkdruk van [verzoekster] hoog was, heeft de gemeente toegelicht welke maatregelen zij heeft genomen om [verzoekster] te ondersteunen. Na ontvangst van het memo van [verzoekster] en haar collega’s van 24 november 2020 waarin zij de noodklok luidden, heeft de gemeente direct een spoedoverleg ingepland, is een externe verzuimbegeleider ingeschakeld om uitval van [verzoekster] te voorkomen en is een extra collega aangetrokken voor ondersteuning van het team. Volgens [verzoekster] is het memo opzettelijk niet aan het MT voorgelegd, maar dit betekent niet dat de gemeente niets heeft ondernomen om de werkdruk te verlagen. [verzoekster] heeft verder aangevoerd dat zij maar twee gesprekken heeft gehad met de verzuimbegeleider en dat dit niet tot concrete oplossingen heeft geleid, en dat de ondersteuning van de extra collega te weinig was. [verzoekster] heeft echter niet gesteld dat zij heeft gevraagd om meer hulp of ondersteuning. Hetzelfde geldt voor het standpunt van [verzoekster] dat zij enige tijd onder twee verschillende afdelingen viel met tegenstrijdige verwachtingen en zonder duidelijke afbakening van verantwoordelijkheden. De gemeente heeft betwist dat hier onduidelijkheden over waren en heeft verwezen naar de afspraken die partijen hierover hebben gemaakt. Als [verzoekster] desondanks onduidelijkheid ervoer, dan had het op haar weg gelegen om dit aan te geven en te vragen om de gewenste duidelijkheid. [verzoekster] heeft niet gesteld dat zij dit heeft gedaan. Zolang bij de gemeente niet bekend was dat de maatregelen onvoldoende waren, kan haar ook niet worden verweten dat zij niet meer heeft gedaan. In de tijdlijn die [verzoekster] heeft overgelegd, staat wel dat zij (na het memo van november 2020) twee keer bij haar leidinggevende heeft aangegeven dat het erg druk is, maar [verzoekster] heeft niet concreet gemaakt wat er toen besproken is. De enkele mededeling dat het druk is, hoeft namelijk nog per definitie niet te betekenen dat ingrijpen direct aangewezen was. Bovendien is in de zomer van 2021 het ontwikkeltraject tot senior ‘on hold’ gezet om [verzoekster] te ontlasten. Volgens de gemeente heeft [verzoekster] pas in het najaar van 2021, vlak voor haar ziekmelding, voor het eerst aangegeven dat het niet goed met haar ging. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de gemeente, ondanks herhaaldelijke signalen van [verzoekster] dat het niet goed met haar ging, niets heeft gedaan om haar te ondersteunen.

Daar komt bij dat naar het oordeel van de kantonrechter is gebleken dat de burn-out van [verzoekster] niet alleen door de omstandigheden op het werk is veroorzaakt, maar op zijn minst ook gedeeltelijk is veroorzaakt door privéomstandigheden. In haar ziekmelding van 1 november 2021 heeft [verzoekster] namelijk geschreven dat zij ook last heeft van de situatie rondom corona en haar partners werk. Dit wordt vervolgens bevestigd door het verslag van de bedrijfsarts van 19 april 2022, waarin staat dat sprake is van werk- en niet-werkgerelateerde oorzaken, en door de melding van de bedrijfsarts bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten, waarin melding wordt gemaakt van het geven van thuisonderwijs aan haar dochter, een zieke moeder en een opname van haar partner wegens ziekte. Dat de bedrijfsarts melding heeft gemaakt bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten, maakt nog niet dat ook in deze procedure moet worden vastgesteld dat de burn-out is ontstaan door toedoen van de gemeente. De gemeente heeft bovendien terecht opgemerkt dat geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden bij het oordeel van de bedrijfsarts die de second opinion heeft uitgevoerd. De bedrijfsarts is slechts op basis van het verhaal en de tijdlijn van [verzoekster] tot zijn conclusies gekomen, terwijl de gemeente deze betwist. Dat maakt dat de kantonrechter in deze procedure het oordeel van de bedrijfsarts niet zonder meer overneemt.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat niet vast is komen te staan dat de burn-out van [verzoekster] is veroorzaakt door ernstig verwijtbaar handelen door de gemeente. De kantonrechter komt daarom niet toe aan de beoordeling van de vraag of de long covid (mede) kon ontstaan doordat [verzoekster] daar meer vatbaar voor was door de burn-out. Dat is in deze procedure namelijk niet relevant omdat het ontstaan van de burn-out (en dus ook het ontstaan van de long covid) niet aan de gemeente kan worden verweten.

Het tweede verwijt van [verzoekster] is dat de gemeente zich te passief heeft opgesteld. [verzoekster] had het gevoel dat zij in een bureaucratisch web terecht was gekomen, omdat niemand van de gemeente verantwoordelijkheid nam, er geen regie was en zij niet in bescherming werd genomen. Op basis van de processtukken en de toelichting van partijen concludeert de kantonrechter dat de gemeente met regelmaat niet snel genoeg heeft gereageerd en het advies van de bedrijfsarts niet altijd juist heeft opgevolgd. De bedrijfsarts heeft bijvoorbeeld steeds geadviseerd dat werkgever en werknemer regelmatig contact met elkaar moeten houden. Volgens [verzoekster] hebben partijen afgesproken dat er om de drie weken contact zou zijn, maar heeft de gemeente zich hier niet aan gehouden en is er zelfs een periode van vijf maanden zonder contact geweest. De gemeente heeft dit niet betwist. Het duurde bovendien vaak lang voordat [verzoekster] antwoord kreeg op vragen. Daarnaast heeft de gemeente geen actie ondernomen toen het medische dossier van [verzoekster] maandenlang niet werd overgedragen door de oude bedrijfsarts aan de nieuwe bedrijfsarts. De gemeente verwijst in dit kader alleen naar de bedrijfsarts, maar vergeet daarbij dat zij verantwoordelijk is voor de re-integratie, en niet de bedrijfsarts. Het had daarom op haar weg gelegen om hierin actie te ondernemen. Verder heeft [verzoekster] lang moeten wachten op documenten als het plan van aanpak en de vaststellingsovereenkomst. Weliswaar was het opstellen van een plan van aanpak vanwege het ontbreken van re-integratiemogelijkheden niet verplicht, maar als dit is toegezegd is het onzorgvuldig om [verzoekster] zodanig lang te laten wachten. Hetzelfde geldt voor het aanbieden van de vaststellingsovereenkomst.

Uit het voorgaande volgt het beeld dat de gemeente niet altijd haar afspraken is nagekomen. De hoge drempel voor ernstige verwijtbaarheid wordt echter niet overschreden. Bovendien is er geen sprake van een causaal verband met de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Niet gebleken is namelijk dat het handelen van de gemeente ertoe heeft geleid dat de re-integratie is vertraagd. Los van dit handelen van de gemeente waren er bij [verzoekster] namelijk geen mogelijkheden om te re-integreren.

Dit betekent dat er geen aanleiding is voor toekenning van een billijke vergoeding aan [verzoekster] . Ook de gevraagde verklaring voor recht dat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zal worden afgewezen.

Er is geen sprake van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst

[verzoekster] stelt dat zij arbeidsongeschikt is geworden ‘in en door de dienst’, zodat zij op grond van de cao recht had op volledige doorbetaling van het salaris tijdens ziekte en recht heeft op een aanvulling op haar WIA-uitkering. [verzoekster] legt aan dit verzoek dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag als aan haar stelling dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door de gemeente, namelijk dat zij door de te hoge werkdruk en structurele overbelasting een burn-out heeft gekregen.

De kantonrechter overweegt hierover als volgt. Op grond van vaste jurisprudentie dienen voor de vraag of sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, de in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren die de arbeidsongeschiktheid zouden hebben veroorzaakt, te worden geobjectiveerd. Dat betekent dat geen rekening moet worden gehouden met een meer dan gemiddelde individuele gevoeligheid van de betrokken werknemer voor bepaalde werkomstandigheden. Naarmate de ziekte meer psychisch van aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van bijzondere factoren, die niet alleen deel uitmaken van of in rechtstreeks verband staan met het werk of de werkomstandigheden, maar die in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden - objectief beschouwd - een buitensporig karakter dragen.

Volgens de gewone regels van het bewijsrecht is het aan [verzoekster] om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat zij haar werkzaamheden moest verrichten onder buitensporige omstandigheden. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoekster] onvoldoende onderbouwd dat hier sprake van is. Dat de werkdruk hoog was, maakt namelijk nog niet per definitie dat sprake is van buitensporige omstandigheden. De kantonrechter heeft hiervoor al vastgesteld dat de gemeente maatregelen heeft genomen om [verzoekster] te ondersteunen, en dat [verzoekster] niet heeft gesteld dat zij daarna aan de gemeente heeft laten weten dat deze maatregelen onvoldoende waren. Volgens [verzoekster] kwamen de taken van vertrekkende of uitgevallen collega’s op haar bordje terecht, maar dat is door de gemeente betwist. Dat [verzoekster] enige tijd onder twee verschillende afdelingen viel, maakt de werkomstandigheden ook niet buitensporig. [verzoekster] heeft weliswaar gesteld dat dit leidde tot tegenstrijdige verwachtingen en dat de verantwoordelijkheden niet duidelijk waren afgebakend, maar dat is door de gemeente betwist. De gemeente heeft verwezen naar een document met afspraken over de taakverdeling. Voor zover er nog onduidelijkheden waren voor [verzoekster] , had het op haar weg gelegen om hier nadere afspraken over te maken. Niet gebleken is dat [verzoekster] heeft aangegeven dat zij hier tegenaan liep. Zolang dat bij de gemeente niet bekend was, kan haar ook niet worden verweten dat zij niet heeft ingegrepen.

Uit het voorgaande volgt dat weliswaar sprake was van een hoge werkdruk, maar dat [verzoekster] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat dit buitensporig was. Dat betekent dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst in de zin van de cao. De verzoeken van [verzoekster] die hierop zien, worden daarom afgewezen.

De gemeente hoeft de mindfulness training niet te vergoeden, maar het eigen risico wel

[verzoekster] heeft verzocht om vergoeding van de kosten van de door haar gevolgde mindfulness training van € 199,00 en haar eigen risico van de zorgverzekering in 2024 van € 385,00. Volgens [verzoekster] heeft de mindfulness training bijgedragen aan haar herstel en re-integratie en moet de gemeente deze kosten daarom vergoeden. Voor wat betreft het eigen risico van 2024 heeft de gemeente toegezegd deze te vergoeden, aldus [verzoekster] .

De kantonrechter overweegt dat de mindfulness training wellicht heeft bijgedragen aan het herstel van [verzoekster] , maar dat dit niet een door de bedrijfsarts voorgeschreven interventie was. [verzoekster] heeft het volgen van deze training en de vergoeding van de kosten daarvan ook niet vooraf afgestemd met de gemeente. De gemeente hoeft de kosten daarom niet te vergoeden. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

Voor wat betreft het eigen risico over 2024 heeft de gemeente aangegeven dat zij bereid was deze kosten te vergoeden indien [verzoekster] kon aantonen dat het eigen risico is gebruikt voor het multidisciplinaire traject dat zij heeft gevolgd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] stukken overgelegd waaruit dit blijkt. Na de mondelinge behandeling heeft de gemeente aan [verzoekster] en de kantonrechter laten weten dat zij de vergoeding zal betalen. De kantonrechter gaat ervan uit dat de gemeente zich aan deze toezegging heeft gehouden en de vergoeding inmiddels aan [verzoekster] heeft betaald. Toewijzing van dit verzoek is daarom niet meer nodig.

De gemeente moet wettelijke verhoging en rente betalen over het salaris van mei 2024

In mei 2024 heeft [verzoekster] € 704,45 netto aan salaris van de gemeente ontvangen, in plaats van haar gebruikelijke salaris. Dit kwam volgens haar door een onjuiste verrekening met de WIA-uitkering. [verzoekster] heeft hierover geklaagd bij de gemeente en na enige discussie heeft de gemeente op 20 juni 2024 een nabetaling van € 1.658,58 netto gedaan. Vanwege de te late betaling verzoekt [verzoekster] om de gemeente te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over dit bedrag.

De gemeente heeft niet weersproken dat zij een fout heeft gemaakt bij de verrekening van de WIA-uitkering en dat zij daarom een deel van het salaris van mei 2024 te laat heeft betaald. Dat betekent dat zij op grond van artikel 7:625 BW een verhoging wegens vertraging verschuldigd is. Deze verhoging bedraagt 5% per dag voor de vierde tot en met achtste werkdag en 1% voor elke volgende werkdag, met een maximum van 50%. [verzoekster] heeft berekend dat het salaris 35 dagen te laat is betaald en verzoekt daarom om een verhoging van € 862,46. Het gaat echter niet om het aantal kalenderdagen, maar om het aantal werkdagen dat te laat is betaald. In de periode van 17 mei 2024 tot en met 20 juni 2024 ging het om 24 werkdagen. Dat leidt in beginsel tot een wettelijke verhoging van € 680,02 (41 % van € 1.658,58). De kantonrechter zal dit echter matigen tot de helft, dus € 340,01 netto, omdat sprake was van een fout en niet gebleken is dat de gemeente het salaris opzettelijk te laat heeft betaald. Het bedrag van € 340,01 netto zal worden toegewezen.

Ook de wettelijke rente over het te laat betaalde salaris is toewijsbaar. De gemeente moet de wettelijke rente betalen over het bedrag van € 1.658,58 over de periode van 17 mei 2024 tot en met 20 juni 2024.

De gemeente moet achterstallig salaris van november en december 2024 betalen

In november en december 2024 werd de WIA-uitkering van [verzoekster] door het UWV rechtstreeks aan haar uitbetaald, in plaats van aan de gemeente. De gemeente mocht de uitkering van [verzoekster] in mindering brengen op het te betalen salaris. In deze maanden heeft de gemeente daarom geen salaris aan [verzoekster] betaald. Er is echter beide maanden een bedrag van € 683,49 bruto ingehouden op het IKB van [verzoekster] . Daarnaast is beide maanden een bedrag van € 294,79 bruto aan pensioenpremie ingehouden. De gemeente heeft toegelicht dat zij dit heeft gedaan omdat zij verplicht was loonheffing en pensioenpremie in te houden. Volgens de gemeente staat dit los van de inhoudingen die het UWV heeft gedaan op de uitkering, omdat het een andere inkomstenverhouding betreft.

De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. [verzoekster] heeft in november en december 2024 een bedrag van € 3.311,22 bruto aan WIA-uitkering ontvangen. Het UWV heeft hier de loonheffing op ingehouden, waarna het nettobedrag aan [verzoekster] is uitbetaald. De bruto WIA-uitkering is hoger dan het bedrag dat [verzoekster] , zonder deze WIA-uitkering, aan salaris zou hebben ontvangen. Dat was namelijk € 2.892,63 bruto. Dit betekent dat de gemeente geen brutosalaris aan [verzoekster] verschuldigd was. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de gemeente loonheffing moest inhouden. De gemeente heeft daarom ten onrechte beide maanden een bedrag van € 683,49 ingehouden. Het verzoek van [verzoekster] om de gemeente te veroordelen deze bedragen alsnog uit de betalen, zal dan ook worden toegewezen.

Dit geldt niet voor de ingehouden pensioenpremie. [verzoekster] was namelijk nog gewoon in dienst en de gemeente heeft voldoende gemotiveerd dat zij gehouden was de pensioenpremie te betalen. [verzoekster] is hier bovendien niet door benadeeld, omdat het geld ten goede komt aan haar pensioenopbouw. Het verzoek tot terugbetaling van de pensioenpremie zal daarom worden afgewezen.

Uit het voorgaande volgt dat de gemeente € 1.366,98 bruto aan achterstallig salaris van de maanden november en december 2024 aan [verzoekster] moet betalen. De wettelijke verhoging en de wettelijke rente over dit bedrag zijn ook toewijsbaar, met dien verstande dat de wettelijke verhoging wordt gematigd tot 25%, omdat sprake is van een fout en niet gebleken is van kwade wil bij het niet betalen van salaris.

De gemeente hoeft geen buitengerechtelijke kosten te vergoeden

[verzoekster] heeft verzocht om vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt voor rechtsbijstand ten aanzien van de mogelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst door middel van een vaststellingsovereenkomst. [verzoekster] stelt dat de gemeente ten onrechte geen billijke vergoeding wilde betalen en dat zij onder druk is gezet om in te stemmen met de vaststellingsovereenkomst omdat de gemeente alleen dan bepaalde vergoedingen wilde betalen. [verzoekster] wenst daarom alsnog een vergoeding te ontvangen voor de door haar gemaakte kosten.

De kantonrechter overweegt dat het uitgangspunt is dat iedere partij de eigen kosten voor juridische bijstand draagt. Dat de gemeente in het kader van een vaststellingsovereenkomst niet bereid was een billijke vergoeding te betalen, stond haar vrij. Bovendien is een werkgever niet verplicht om een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand aan te bieden in het kader van een vaststellingsovereenkomst. Dat de gemeente een vergoeding aanbood onder de voorwaarde dat er een vaststellingsovereenkomst gesloten zou worden, is ook toelaatbaar. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om [verzoekster] een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten toe te kennen.

De overige verzoeken kunnen niet worden toegewezen

[verzoekster] heeft de kantonrechter tot slot verzocht om - kort gezegd - te benadrukken dat het wenselijk is dat de gemeente haar beleid en werkwijze kritisch evalueert en zorgt voor passende begeleiding van andere werknemers in soortgelijke situaties. Deze verzoeken kunnen echter niet worden toegewezen, omdat het in deze procedure alleen gaat om het geschil tussen [verzoekster] en de gemeente. De kantonrechter doet daarbij geen uitspraken over de situatie van andere werknemers van de gemeente.

Iedere partij moet de eigen proceskosten betalen

Gelet op de aard van de zaak en de uitkomst van de procedure bepaalt de kantonrechter dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen.

5. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt de gemeente om € 340,01 netto aan [verzoekster] te betalen aan wettelijke verhoging over het te laat betaalde salaris van mei 2024,

veroordeelt de gemeente om de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW te betalen over het bedrag van € 1.658,58, vanaf 17 mei 2024 tot en met 20 juni 2024,

veroordeelt de gemeente om € 1.366,98 bruto aan [verzoekster] te betalen aan achterstallig salaris over de maanden november 2024 en december 2024, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 25% en de wettelijke rente vanaf de datum van verschuldigdheid tot de datum van volledige betaling,

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R. Giltay en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.

57910

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0095 VAAN-AR-Updates.nl 2026-0095
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?