[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 oktober 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G. Meijer, advocaat te Veendam.
Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.G. Broekstra.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 14 juli 2026 te Groningen
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
-met een (klauw)hamer (met kracht) tegen en/of op het been van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of
-daarbij het been van die [slachtoffer 1] heeft geraakt met voornoemde hamer terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 juli 2026 te Groningen [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door
-die [slachtoffer 1] (met kracht) te slaan met een (klauw) hamer tegen en/of op zijn been; terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had;
2.
hij op of omstreeks 14 juli 2026 te Groningen
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
-uit zijn broeksband een (ijzeren) (klauw) hamer heeft gepakt en/of
-die [slachtoffer 2] met zijn hand een duw heeft gegeven tegen en/of op zijn schouder en/of
-heeft uitgehaald met de hamer voornoemd richting het hoofd van die [slachtoffer 2] en/of
-vervolgens met de voornoemde hamer (met kracht) richting te knie van die [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of
-die [slachtoffer 2] daarbij met de hamer heeft geraakt op zijn knie; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 juli 2026 te Groningen [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door
-die [slachtoffer 2] (met kracht) te slaan met een (ijzeren) (klauw)hamer op zijn knie, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had;
3.
hij op of omstreeks 14 juli 2026 te Groningen
met een persoon, te weten [slachtoffer 3] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten (onverhoeds)
-de billen van die [slachtoffer 3] heeft aangeraakt en/of heeft geslagen
-in de bil heeft geknepen van die [slachtoffer 3]
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 3] daartoe de wil ontbrak;
4.
hij in of omstreeks de periode van 18 maart 2026 tot en met 23 maart 2026 te Groningen
pakken wasmiddel van het merk Robijn (ongeveer 6 stuks), pakken zalm (ongeveer 6 stuks, pakken rundvlees (ongeveer 2 stuks), blikjes mixdrank (ongeveer 2 stuks), een blikje cola, pakjes noodles (ongeveer 2 stuks), een zak pasta, een brood, een broccoli, een prei, mandarijnen, (totale waarde ongeveer 259,79) in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan supermarkt Albert Heijn [adres] Groningen, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
5.
hij op of omstreeks 22 april 2026 te Groningen
een fiets van het merk Victoria, type CYSALO 7, kleur blauw, voorzien van een barcodesticker met daarop het framenummer [nummer 1] (en/of met een afgesloten beugelslot en/of kettingslot), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen,
terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
6.
hij op of omstreeks 23 maart 2026 te Groningen
een fietsaccu van het merk Bosch, voorzien van het accunummer [nummer 2] , in de maat 53, kleur zwart, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 en 6.
Zij heeft in het bijzonder ten aanzien van feit 5 (waar de rechtbank tot een vrijspraak komt) aangevoerd dat de verklaring van verdachte ongeloofwaardig is en dat het evident is dat de fiets die verdachte heeft meegenomen, van misdrijf afkomstig is.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feiten 1, 2, 3 en 5. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van feiten 1 en 2 kan de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling niet worden bewezen nu verdachte heeft verklaard dat hij niet de bedoeling had om zwaar lichamelijk letsel te veroorzaken en dat hij niet hard heeft geslagen. De subsidiair ten laste gelegde mishandeling kan in beide gevallen ook niet worden bewezen, omdat er sprake is van noodweer.
Ten aanzien van feit 3 heeft, naast aangeefster, niemand verklaard dat verdachte degene was die op haar billen heeft geslagen dan wel in haar bil heeft geknepen. Ook anderszins is er geen ondersteunend bewijs voor het daderschap van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij naast een vriend liep en dat deze vriend het feit heeft gepleegd.
Ten aanzien van feit 5 kan de verklaring van verdachte kloppen. Dat zou niet leiden tot opzetheling maar tot schuldheling, wat niet ten laste is gelegd.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feiten 4 en 6.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feiten 1 en 2 (poging tot zware mishandeling)
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. De door verdachte ter zitting van 15 oktober 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik heb op 14 juli 2026 in Groningen beide jongens met een hamer geslagen. Ik heb richting hun knieën geslagen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 juli 2026, opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026191948 d.d. 16 juli 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Op 14 juli 2026, was ik met vrienden in Groningen. Wij waren in de [adres] . Ik zag dat [naam 1] een akkefietje had met een kale man, die later bleek de verdachte. Ik liep op de man af. Toen ik goed keek zag ik dat de man een klauwhamer in zijn handen had. Ik zag dat de man een zwaai deed richting mijn been.
De man haalde met kracht uit en raakte de binnenzijde van mijn linkerbeen. Ik heb nu veel last van mijn been. Ik kan nu moeilijk lopen. Het was een pijnscheut die door mijn been heenging, de man raakte mij hard.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 juli 2026, opgenomen op pagina 10 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Op 14 juli 2026 was ik met vrienden in Groningen. Wij waren in de [adres] . Ik zag dat [slachtoffer 3] een woordenwisseling kreeg met een kale man. Ik bemoeide mij met het gesprek. Ineens trok de man een ijzeren klauwhamer uit zijn broeksband. Ik zag dat de man uithaalde met de hamer richting mijn knie. Ik zag en voelde dat de man met de klauwhamer mijn linkerknie raakte. Ik voelde onmiddellijk een stevige pijnscheut. De man zette veel kracht achter zijn worp.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Verdachte heeft ontkend dat hij de bedoeling had om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door het slaan met een klauwhamer in de richting van de knieën. De rechtbank dient te beoordelen of verdachte in beide gevallen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Daarvoor moet worden vastgesteld of verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangevers zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Beide aangevers hebben verklaard dat verdachte hard met de klauwhamer, een zwaar metalen voorwerp, in de richting van hun knie heeft geslagen en dat zij veel pijn voelden. Gelet hierop en gelet op het feit van algemene bekendheid dat het hard slaan met een klauwhamer op de knie ernstig letsel kan opleveren (bijvoorbeeld een gebroken knieschijf of een beschadiging van het bewegingsgestel), is de rechtbank van oordeel dat deze gedragingen een aanmerkelijke kans opleveren dat aangevers zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Verdachte heeft door zo te handelen ook bewust deze aanmerkelijke kans aanvaard. Het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.
Nu de rechtbank ten aanzien van beide feiten komt tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, zal de rechtbank het door de verdediging gevoerde noodweerverweer bespreken bij het beoordelen van de strafbaarheid van het feit.
Ten aanzien van feit 3 (opzetaanranding)
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 juli 2026, opgenomen op pagina 7 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :
Op 14 juli 2026 om 01.30 uur was ik in de [adres] in Groningen. Op het moment dat ik mijn fiets op slot aan het zetten was voelde ik dat iemand aan mijn billen zat. Ik voelde echt dat er in mijn kont werd geknepen. Het was duidelijk meer dan een aanraking, die per ongeluk zou kunnen gaan. Ik draaide mij om en zag een man staan. Ik ben iemand die van dit soort dingen wel wat zegt. Ik denk dat ik iets heb gezegd in de trant van: “Wie denk je wel dat je bent dat je aan mij zit?” De verdachte bleef bij ons lopen.
Ik zag dat de politie later een verdachte aanhield. Dat was de man die aan mijn billen heeft gezeten.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 14 juli 2026, opgenomen op pagina 16 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Op 14 juli 2026 om 01:40 uur werd door ons in de [adres] aangehouden als verdachte [verdachte] .
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 15 juli 2026, opgenomen op pagina 38 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :
Op 14 juli 2026 was ik in de stad Groningen. Wij parkeerden onze fiets. Ik zag dat [slachtoffer 3] een gesprek had met een man. Ik kon ook zien dat [slachtoffer 3] geïrriteerd was. Ik besloot om daar naartoe te lopen. Ik vroeg aan [slachtoffer 3] : “Wat is er aan de hand?” Ik hoorde [slachtoffer 3] zeggen dat die man aan haar billen had gezeten.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Hoewel verdachte heeft verklaard dat een vriend, ene [naam 2] , en niet verdachte zelf, aangeefster op haar billen heeft geslagen, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die aangeefster in haar bil heeft geknepen. Aangeefster heeft verklaard dat zij verdachte zag staan toen zij zich direct na het voorval omdraaide en dat verdachte ook een tijdje bij de groep is gebleven. De rechtbank acht ondersteunend aan de aangifte dat een vriendin van aangeefster kort na het incident heeft waargenomen dat aangeefster geïrriteerd was en dat zij direct vertelde dat verdachte aan haar billen had gezeten.
Aan de verklaring van verdachte dat iemand anders het feit zou hebben gepleegd, hecht de rechtbank geen geloof. Uit het dossier blijkt niet dat er een ander persoon in de directe nabijheid heeft gestaan toen aangeefster zich omdraaide en verdachte heeft pas ter terechtzitting verteld wie die andere persoon zou zijn, waarbij hij alleen de naam [naam 2] en geen verdere gegevens heeft genoemd.
De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetaanranding door aangeefster in haar bil te knijpen.
Ten aanzien van feit 4 (diefstallen bij de Albert Heijn)
De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Ten aanzien van feit 5 (heling van een fiets)
De rechtbank acht dit feit niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Door getuige Op t Hoog is verklaard dat hij heeft gezien dat een man, naar later is gebleken verdachte, interesse had in een elektrische fiets en dat de man de hele tijd om zich heen keek. Getuige heeft verklaard dat de man op een gegeven moment de fiets over zijn schouder tilde en hiermee wegfietste. De politie heeft verdachte na de melding van getuige getraceerd, terwijl hij met de fiets over zijn schouder fietste. De fiets die door verdachte werd opgetild bleek afgesloten te zijn met een beugelslot en een kettingslot.
In de visie van de rechtbank staat vast dat verdachte met betrekking tot de elektrische fiets een wegnemingshandeling heeft verricht door de fiets die op slot stond op zijn schouder te nemen en er (op een andere fiets) mee weg te rijden. Dat deze wegnemingshandeling wellicht gebeurde in opdracht van een derde persoon doet dan minder terzake. Het stelen van de fiets is niet tenlastegelegd, wel het helen. Dat acht de rechtbank (in welke vorm dan ook) niet bewezen.
Ten aanzien van feit 6 (diefstal van een fietsaccu)
De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1 primair, 2 primair, 3, 4, en 6 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij op 14 juli 2026 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
2.
hij op 14 juli 2026 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
3.
hij op 14 juli 2026 te Groningen met een persoon, te weten [slachtoffer 3] , een seksuele handeling heeft verricht, te weten onverhoeds in de bil heeft geknepen van die [slachtoffer 3] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 3] daartoe de wil ontbrak;
4.
hij in de periode van 18 maart 2026 tot en met 23 maart 2026 te Groningen pakken wasmiddel van het merk Robijn (ongeveer 6 stuks), pakken zalm (ongeveer 6 stuks, pakken rundvlees (ongeveer 2 stuks), blikjes mixdrank (ongeveer 2 stuks), een blikje cola, pakjes noedels (ongeveer 2 stuks), een zak pasta, een brood, een broccoli, een prei, mandarijnen, totale waarde ongeveer 259,79, die geheel of ten dele aan supermarkt Albert Heijn [adres] Groningen toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
6.
hij op 23 maart 2026 te Groningen een fietsaccu van het merk Bosch, voorzien van het accunummer [nummer 2] , in de maat 53, kleur zwart, dat aan [slachtoffer 4] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten en de verdachte
Het bewezen verklaarde levert op:
6. diefstal.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van feiten 1 en 2 heeft gehandeld uit noodweer. Verdachte heeft verklaard dat de twee mannen met dreigende woorden op hem afkwamen en hem dreigden te slaan, dat hij niet weg kon komen en dat hij zich genoodzaakt voelde om zichzelf in die situatie te verdedigen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van feiten 1 en 2 noodweer niet aannemelijk is geworden en dat verdachte ten aanzien van alle feiten strafbaar is.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht verdachte ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. De rechtbank verwerpt het noodweerverweer en zal dit hieronder motiveren.
Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. Meerdere getuigen hebben verklaard dat verdachte boos of agressief was en dat juist verdachte begon met gewelddadig gedrag, ondanks pogingen van enkele getuigen om verdachte te kalmeren. De verklaring van verdachte dat de slachtoffers en/of andere personen uit de groep verdachte met een dreigende houding benaderden, wordt niet door enig ander bewijsmiddel ondersteund.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 350 dagen, waarvan 200 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, enkel rekening houdend met bewezenverklaring van feiten 4, 5 en/of 6, gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest. Indien de rechtbank alle feiten bewezen verklaart, kan de raadsman zich vinden in de eis van de officier van justitie.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft op straat een willekeurige vrouw in haar bil geknepen, toen zij haar fiets parkeerde om uit te gaan in het centrum van Groningen. Nadat de vrouw verdachte had aangesproken en zij een woordenwisseling met hem had gehad, kwamen vrienden van de vrouw erbij staan om verdachte, die opgefokt was, te kalmeren. Daarna heeft verdachte een klauwhamer uit zijn broeksband gehaald en twee vrienden van aangeefster hard op hun knieën geslagen. Dat het letsel beperkt is gebleven, is niet aan verdachte te danken. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen bij een supermarkt en diefstal van een fietsaccu. Naast het feit dat de slachtoffers materiële schade hebben geleden, de goederen hebben zij namelijk niet teruggekregen, hebben zij hinder ondervonden van deze feiten.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die worden genoemd in de oriëntatiepunten van het LOVS ten aanzien van het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen, waarbij het oriëntatiepunt voor een voltooid feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden is, en ten aanzien van winkeldiefstal waarbij sprake is van veelvuldige recidive, waarbij het oriëntatiepunt per diefstal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand is.
De rechtbank heeft daarnaast in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten.
De rechtbank ziet aanleiding om een groot gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke zin op te leggen. Uit het rapport van de reclassering volgt dat verdachte is aangemerkt als veelpleger en dat hij te kampen heeft met complexe problematiek op alle leefgebieden. De reclassering schat in dat het gebruik van verdovende middelen en verdachtes psychosociaal functioneren van directe invloed zijn geweest op in elk geval de aanranding en de twee pogingen tot zware mishandeling en dat dit de grootste risicofactoren zijn. De reclassering heeft, om het hoge recidiverisico te beperken, geadviseerd een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, klinische behandelverplichting, een aansluitende ambulante behandelverplichting, het verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, het volgen van dagbesteding, het meewerken aan het aflossen van schulden en middelencontrole. Verdachte is met betrekking tot de klinische behandeling reeds geaccepteerd door de Forensisch Psychiatrische Afdeling van Van Mesdag in Zuidlaren, al is er nog geen concrete opnamedatum bekend. De klinische behandeling gericht op diagnostiek, middelengebruik en psychosociaal functioneren wordt door de reclassering noodzakelijk geacht voor het terugdringen van het recidiverisico.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij gemotiveerd is om zijn leven te veranderen en dat hij mee wil werken aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden. Hoewel in het verleden meerdere reclasseringstrajecten van verdachte negatief zijn beëindigd en ontoereikend zijn gebleken om te komen tot (blijvende) gedragsverandering, zal de rechtbank verdachte toch deze kans bieden. Een groot voorwaardelijk strafdeel en de geadviseerde bijzondere voorwaarden dienen ertoe om verdachte te weerhouden van het opnieuw plegen van strafbare feiten.
Nu er nog geen opnamedatum in de kliniek bekend is, maar de kliniek wel een opname op korte termijn beoogt, zal de rechtbank het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf nog een korte periode voortzetten. Daarmee wordt de kans vergroot dat verdachte direct vanuit detentie in de kliniek terecht kan en dat hij niet in tussentijd weer op straat belandt. Daarbij acht de rechtbank het noodzakelijk dat de bijzondere voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zoals ook blijkt uit het reclasseringsadvies.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 350 dagen, waarvan 200 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en de door de reclassering geadviseerde (en dadelijk uitvoerbare) voorwaarden, passend en geboden is.
Benadeelde partij
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat Albert Heijn niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat, gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 3, [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Subsidiair heeft de raadsman opgemerkt dat de onderbouwing van de vordering mager is.
De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat Albert Heijn niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering en hij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 4] .
Oordeel van de rechtbank
De vordering van [slachtoffer 3] (feit 3)
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde. De rechtbank stelt vast dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij meebrengen dat sprake is van een persoonsaantasting en zoekt aansluiting bij het maximumbedrag van 1.000,-- dat is genoemd in de Rotterdamse Schaal bij het onderdeel 15.3 Aanranding, categorie tamelijk ernstig. De vordering zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van 1.000,--, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 juli 2026. De rechtbank zal de vordering voor het overige deel afwijzen.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De vordering van Albert Heijn (feit 4)
Nu er geen uittreksel van de Kamer van Koophandel en evenmin een machtigingsformulier bij de vordering is gevoegd, kan niet worden vastgesteld dat [naam 3] , die de vordering heeft ondertekend, gemachtigd is om namens deze rechtspersoon een vordering in te dienen. De rechtbank zal Albert Heijn [bedrijfsnaam] BV daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De vordering van [slachtoffer 4] (feit 6)
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 6 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 maart 2026.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 240, 241, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 5 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 6 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 350 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 200 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:
(geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven. De behandeling is onder andere gericht op verslavingsproblematiek, psychische problematiek en cognitieve vaardigheden. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
3. dat de veroordeelde zich (na afloop van de klinische behandeling) onder behandeling zal stellen van AFPB Van Mesdag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor onder andere verslavingsproblematiek, psychische problematiek en cognitieve vaardigheden, zolang de reclassering dit nodig vindt;
4. dat de veroordeelde (na afloop van de klinische behandeling) zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering dit nodig vindt, en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;
5. dat de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
6. dat de veroordeelde meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, waarbij de veroordeelde de reclassering inzicht geeft in zijn financiën en schulden;
7. dat de veroordeelde meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst 1 en II, en middelen die vallen onder de stofgroep genoemd in lijst IA van de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht
ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Ten aanzien van feit 3:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 3] te betalen:
Wijst de vordering van [slachtoffer 3] voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,-- (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van feit 4:
Verklaart de vordering van Albert Heijn [bedrijfsnaam] BV niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat Albert Heijn [bedrijfsnaam] BV haar eigen proceskosten draagt.
Ten aanzien van feit 6:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 4] te betalen:
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat te betalen een bedrag van 396,-- (zegge: driehonderdzesennegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 3 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Dussel, voorzitter, mr. M.A.M. Wolters en
mr. H. de Ruijter, rechters, bijgestaan door mr. B.E. Oosterhout, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 oktober 2026.