ECLI:NL:RBNNE:2026:4652

ECLI:NL:RBNNE:2026:4652

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 03-11-2026
Datum publicatie 30-10-2026
Zaaknummer 18-146606-26
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Veroordeling voor een poging tot zware mishandeling door aangever in het achterhoofd te steken. Ontkennende verdachte. DNA-sporen op het mes van zowel aangever als verdachte.6 maanden gevangenisstraf met aftrek

Uitspraak

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken

d.d. 3 november 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] zonder vaste woon- of verblijfplaats.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 oktober 2026. Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mevrouw mr. I. Djordjevic, advocaat te Groningen, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. drs. J. Hoekman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 mei 2026 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp voorwerp, op/in het hoofd heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 mei 2026 te Groningen [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer]

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primaire feit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat een alternatief scenario niet kan worden uitgesloten. Er kan niet worden vastgesteld dat aangever is geraakt door het mes. De verwonding aan zijn achterhoofd kan ook zijn opgelopen door een val van de trap. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit, waarbij het tweede gedachtestreepje wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primaire feit - poging tot zware mishandeling - wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 mei 2026, opgenomen op pagina 7 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026130781 d.d.19 augustus 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :

Plaats delict: Groningen Pleegdatum: 17 mei 2026

Ik ging afgelopen avond op 16 mei 2026 op bezoek bij een vriend van mij aan [adres] . Mijn vriend heet [getuige] en woont op bovengenoemd adres. Hij werd al de hele avond lastiggevallen door [verdachte] . Hij stond hiervoor de deur en hij wilde steeds naar binnen. Ik ben naar de voordeur gelopen en liet hem binnen. Vervolgens ontstond er een worsteling tussen ons beiden bij de keuken. We hielden elkaar vast en maakten slaande bewegingen naar elkaar toe maar raakten elkaar niet. Vervolgens zag ik dat hij een mes uit de la pakte in de keuken. Toen ik dat zag dat hij een mes pakte maakte steekbewegingen naar mij toe.

Ik rende weg vanuit de keuken door de woonkamer naar de trap. De woning van [getuige] is een bovenwoning. Ik rende de eerste trap af en ik zag dat hij (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) met het mes achter mij aankwam. Vervolgens was er nog een trap die ik naar beneden rende en uitkwam bij de voordeur. Ik deed de deur open en zag de politie staan. Vervolgens bleek dat ik een snee aan de bovenkant van mijn hoofd had;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 mei 2026, opgenomen op pagina 50 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :

Op 17 mei 2026, zat ik met een vriend van mij, [slachtoffer] , te chillen in mijn woning. Mijn woning bevindt zich op de derde, tevens de bovenste, verdieping. Ik werd al de hele avond via berichten op mijn telefoon lastig gevallen door mijn ex vriend, [verdachte] . Ik hoorde dat [verdachte] rustig werd in zijn stem en [slachtoffer] is een verdieping naar beneden gegaan en deed toen de deur open. Ik zag dat [slachtoffer] en [verdachte] in een worsteling kwamen met elkaar. Ik zag dat [verdachte] naar de keukenla greep en een keukenmes uit de keukenla pakte. Ik zag [verdachte] met het mes begon te zwaaien en ik zei tegen [slachtoffer] dat hij moest wegrennen. Ik zag dat [slachtoffer] toen [verdachte] van zich af duwde en de trap af rende. Ik zag dat [verdachte] direct achter [slachtoffer] aan rende en dat hij met het mes naar beneden, waar [slachtoffer] voor hem op de trap liep, stekende en zwaaiende bewegingen maakte;

3. Een geneeskundige verklaring, op 22 mei 2026 opgemaakt en ondertekend door [arts] , forensisch arts, opgenomen op pagina 38 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend, als haar verklaring: Beschrijving: Op het achterhoofd bevindt zich een scherprandige lijnvormige huiddoorklieving met licht wijkende wondranden waarbij het ene uiteinde niet goed in beeld is en het andere uiteinde puntvormig is. Typering: het betreft een snijverwonding. Bij ongecompliceerd beloop is de verwachte genezingsduur circa 4-6 weken;

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict d.d. 3 juni 2026, opgenomen op pagina 100 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

5. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.06.30.076 d.d. 26 augustus 2026, opgemaakt door ing. [deskundige] , op de door de deskundige afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen in een aanvullend proces-verbaal, voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring:

Bewijsoverweging

Op basis van de voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte het mes heeft vastgehad en dat de punt respectievelijk het snijvlak van het mes een snijverwonding heeft veroorzaakt in het (achter)hoofd van aangever.

Het door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve scenario, namelijk dat aangever de verwonding aan zijn achterhoofd kan hebben opgelopen door een val van de trap, vindt geen ondersteuning in het dossier en is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervanuit dat verdachte aangever met een mes heeft gestoken of gesneden in het (achter)hoofd.

Poging zware mishandeling?

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door te handelen zoals hij heeft gedaan, voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Het met een mes in het hoofd van aangever steken of snijden, roept naar de algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven dat aangever hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Ook verdachte moet zich, als normaal denkend mens, bewust zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat aangever zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen. De gedragingen van verdachte kunnen bovendien naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 17 mei 2026 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] met een mes, in het hoofd heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

primair poging tot zware mishandeling.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte voor het primair ten laste gelegde feit een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van zes maanden met aftrek van de periode die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest, te weten 15 dagen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport van 21 mei 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 september 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van aangever die juist probeerde de verdachte te kalmeren en de situatie te de-escaleren. Tussen aangever en verdachte ontstond evenwel een worsteling, waarna verdachte een mes uit de keukenla pakte. Vervolgens maakte verdachte met het mes zwaaiende en stekende bewegingen in de richting van aangever. Aangever is daarop via de trap naar beneden gevlucht, waarbij verdachte hem met het mes in zijn handen achterna rende. Aangever bleek uiteindelijk (slechts) een snijverwonding aan het achterhoofd te hebben opgelopen, maar dat is niet aan verdachte te danken. Verdachte heeft met zijn gedrag een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Het moet voor aangever een schokkende en bedreigende ervaring zijn geweest, die zeer wel ernstiger had kunnen aflopen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een geweldsfeit.

Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende afdoening is.

Alles afwegende is de rechtbank, net als de officier van justitie, van oordeel dat in deze zaak een gevangenisstraf van zes maanden met aftrek van de dagen die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht passend en geboden is.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. drs. J.V. Nolta en mr. H. de Ruijter, rechters, bijgestaan door J. Kunst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 november 2026.

Mr. H. de Ruijter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. T.R. Bosker
  • mr. drs. J.V. Nolta
  • mr. H. de Ruijter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand