ECLI:NL:RBNNE:2026:4654

ECLI:NL:RBNNE:2026:4654

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 30-10-2026
Datum publicatie 02-11-2026
Zaaknummer 18.345692.25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Veroordeling terzake plegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van een productielab van MDMA, procesafspraken, first offender, gevangenisstraf deels voorwaardelijk en een proeftijd, beslag.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18.345692.25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 oktober 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 oktober 2026. Het onderzoek ter terechtzitting is op 30 oktober 2026 gesloten.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Logemann, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.A. Jacobs.

Tenlastelegging

Aan verdachte is na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 september 2025 tot en met 1 december 2025 te Bolsward en/of te [plaats] , althans in de gemeente Súdwest-Fryslân tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (in en/of vanuit een loods gelegen aan de [adres 1] en/of in en/of vanuit een woning gelegen aan de [adres 2] )

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten MDMA (methyleendioxymethamfetamine)

Procesafspraken

Deze strafzaak kenmerkt zich doordat het Openbaar Ministerie en de verdediging zogeheten procesafspraken hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een overeenkomst gedateerd 17 september 2026, die zij voorafgaand aan de inhoudelijke zitting, en voorzien van de handtekeningen van zowel de officier van justitie als die van verdachte en haar raadsman, hebben overgelegd aan de rechtbank. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak.

In reactie daarop heeft de rechtbank tijdens de behandeling ter zitting van 9 oktober 2026 aan partijen te kennen gegeven dat in de overeenkomst een kwalificatie waarnaar wel verwezen wordt, ontbreekt. Verder

ontbreekt een beslissing omtrent het beslag.

Het Openbaar Ministerie en de verdediging zijn vervolgens opnieuw met elkaar in gesprek gegaan en hebben aanvullende procesafspraken gemaakt, vastgelegd in een addendum gedateerd 9 oktober 2026.

De rechtbank merkt op dat afspraken volledig en juist moeten zijn om te voorkomen dat deze juist leiden tot vertraging van de behandeling van de zaak.

Inhoud procesafspraken

Het afdoeningsvoorstel, vastgelegd in de overeenkomst van 17 september 2026 en het addendum van 9 oktober 2026, houdt in dat:

deze overeenkomst en de instemming daarmee kan toetsen;

7. verdachte zich niet zal onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de op te leggen straf;

8. de verdediging en het Openbaar Ministerie uitspreken voornemens te zijn geen hoger beroep in te stellen indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de gemaakte afspraken.

Beoordeling procesafspraken door de rechtbank

De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. Bij de beoordeling zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252.

De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door haar raadsman. Verdachte is ook samen met haar raadsman aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 9 oktober 2026, alwaar de inhoud van het afdoeningsvoorstel is besproken.

De rechtbank heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de overeenkomst en dat de rechtbank daaraan niet gebonden is. De rechtbank houdt immers een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen, met name de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.

De officier van justitie, de raadsman en verdachte hebben ter zitting allen bevestigd achter het voorstel te staan. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij het voorstel met haar raadsman heeft besproken, dat de inhoud van die afspraken duidelijk voor haar is en dat zij achter de gemaakte afspraken staat. Verdachte begrijpt wat de consequenties zijn als de rechtbank het voorstel volgt - in het bijzonder met betrekking tot haar verdedigingsrechten - en zij accepteert de op te leggen straf zoals deze is voorgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl zij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen doet geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de inhoud van de procesafspraken niet bij haar oordeel te betrekken.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, overeenkomstig de procesafspraken, veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, overeenkomstig de procesafspraken, geen verweer gevoerd ten aanzien van het bewijs.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de bewijsmiddelen toe zoals die zullen worden opgenomen in een eventueel later op te maken aanvulling van dit vonnis. Deze bewijsmiddelen bevatten de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewezenverklaring

In het kader van de procesafspraken is door het Openbaar Ministerie en de verdediging tot een bewezenverklaring gekomen zoals opgenomen in het addendum van 9 oktober 2026. De rechtbank neemt deze bewezenverklaring over met dien verstande dat deze nauwkeuriger is uitgestreept. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

zij in de periode van 1 september 2025 tot en met 1 december 2025 te Bolsward en te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, vanuit een loods gelegen aan de [adres 1] en vanuit een woning gelegen aan de [adres 2] om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten MDMA (methyleendioxymethamfetamine)

voor het produceren van harddrugs voorhanden te hebben/te hebben gehad en/of

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot de kwalificatie

Met betrekking tot de kwalificatie van het bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat het feit gekwalificeerd kan worden als in vereniging gepleegd en dat het meermalen is gepleegd. In (het addendum van) de procesafspraken is dit wel als zodanig opgenomen in de bewezenverklaring, maar het is niet opgenomen in de kwalificatie. De rechtbank komt, op basis van haar eigen verantwoordelijkheid, om te zorgen dat de beoordeling van de strafzaak plaatsvindt overeenkomstig de wettelijke bepalingen, tot een andere kwalificatie. De verdachte is hierdoor niet geschaad in haar verdediging, omdat de door de rechtbank gehanteerde kwalificatie overeenkomt met de bewezenverklaring zoals opgenomen in de procesafspraken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen door

meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, overeenkomstig de procesafspraken, gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur 360 dagen waarvan 269 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Als bijzondere voorwaarden dienen hieraan te worden verbonden een meldplicht, het volgen van een Cova+ training. Het in de procesafspraken opgenomen contactverbod heeft de officier van justitie ter zitting laten vervallen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen inhoudelijk strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij het afdoeningsvoorstel zoals vastgelegd in de procesafspraken.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van drie maanden samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor het opzetten van meerdere labs voor de productie van MDMA. Verdachte heeft onder meer de medeverdachten voorzien van vriezers en jerrycans. Door haar handelen is verdachte een ten opzichte van haar medeverdachten kleinere maar onmisbare schakel geweest in het geheel. Verdachte heeft hiermee een bijdrage geleverd aan het in stand houden van het

criminele drugscircuit. Met de productie van en de handel in harddrugs wordt snel en veel geld verdiend, wat vaak gepaard gaat met diverse vormen van ondermijnende criminaliteit. Ook is het een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs waaronder MDMA schadelijke gevolgen kan hebben voor de volksgezondheid.

De reclassering heeft in een rapport van 30 april 2026 beschreven dat de leefgebieden sociaal netwerk, partnerrelatie, psychosociaal functioneren en houding delictgerelateerd zijn. Verdachte heeft zich onvoldoende kritisch opgesteld tegenover het criminele deel van haar sociale netwerk waarin zij zich bevond en de relatie met een van de medeverdachten.

De rechtbank is van oordeel dat voor dergelijke feiten, mede gezien de oriëntatiepunten voor straftoemeting, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank heeft zich beraden over het afdoeningsvoorstel zoals vastgelegd in de procesafspraken en heeft haar eigen afweging gemaakt bij de bepaling van de op te leggen straf. De rechtbank is van oordeel dat de voorgestelde straf in redelijke verhouding staat tot de ernst van het feit en passend is, omdat hiermee zowel het belang van verdachte als het belang van de maatschappij wordt geëerbiedigd. Daarbij heeft de rechtbank in strafmatigende zin meegewogen dat verdachte afstand heeft gedaan van verdedigingsrechten en heeft toegezegd niet in hoger beroep te gaan, zodat de strafrechtketen minder wordt belast.

De rechtbank zal verdachte - in lijn met het afdoeningsvoorstel - een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen waarvan 269 dagen voorwaardelijk opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk deel zullen worden verbonden de bijzondere voorwaarden zoals overeengekomen.

Inbeslaggenomen goederen

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, overeenkomstig de procesafspraken, gevorderd dat de inbeslaggenomen telefoon verbeurd verklaard wordt.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, overeenkomstig de procesafspraken, geen verweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een telefoon vatbaar voor verbeurdverklaring nu met behulp van deze telefoon het strafbare feit is begaan en deze toebehoort aan verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 10, 10a van de Opiumwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel

ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 269 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarde(n) dat

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen telefoon, goednummer 1895543-2025325074.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.L. Vreugdenhil, voorzitter, mr. H. de Ruijter en mr. L.S. Langius, rechters, bijgestaan door W. van Goor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 oktober 2026.

mr. De Ruijter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.C.L. Vreugdenhil
  • mr. H. de Ruijter
  • mr. L.S. Langius

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand