[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 oktober 2026. Het onderzoek ter terechtzitting is op 30 oktober 2026 gesloten.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.J.P.M. Grijmans, advocaat te Bolsward. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.A. Jacobs.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 september 2025 tot en met 9 februari 2026 te Bolsward en/of te [plaats 1] en/of te [plaats 2] , althans in de gemeente Súdwest-Fryslân tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (in en/of vanuit een loods gelegen aan [adres 2] en/of in en/of vanuit een woning gelegen aan de [adres 3] en/of in en/of vanuit een woning gelegen aan de [adres 4] ) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten MDMA (methyleendioxymethamfetamine) en/of GHB (gamma-hydroxyboterzuur) en/of (meth)amfetamine,
2.
hij op of omstreeks 9 februari 2026 te [plaats 2] , althans in de gemeente Súdwest-Fryslân, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10 liter en 3000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(sulfaat) en/of ongeveer 298,95 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (methyleendioxymethamfetamine) en/of
ongeveer 150,53 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B, zijnde amfetamine(sulfaat) en/of MDMA (methyleendioxymethamfetamine) en/of 2C-B
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2025 tot en met 9 februari 2026 te [plaats 2] , althans in de gemeente Súdwest-Fryslân, (in en/of vanuit een woning gelegen aan de [adres 4] ) meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een of meer (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en/of GHB (gamma-hydroxyboterzuur), zijnde amfetamine en/of GHB (gamma-hydroxyboterzuur) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1, 2 en 3.
Zij heeft daartoe aangevoerd dat de betrokkenheid van verdachte onder meer bewezen kan worden door de aangetroffen goederen in de woning van verdachte. Uit de op de telefoon van verdachte aangetroffen berichten volgt bovendien dat hij in de tenlastegelegde periode contact heeft met de medeverdachten, onder meer over vriezers en jerrycans.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft met betrekking tot feit 1 aangevoerd dat de tenlastegelegde periode moet worden beperkt tot de periode van 1 oktober 2025 tot en met 1 december 2025. Er zijn geen aanwijzingen waaruit volgt dat verdachte eerder dan 1 oktober 2025 op enige wijze betrokken is geweest bij de productie van drugs. Verder dient verdachte te worden vrijgesproken van betrokkenheid bij de productielabs in [plaats 1] en Bolsward.
De raadsman heeft zich met betrekking tot feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat de periode ingeperkt moet worden tot de maand oktober 2025 waarin verdachte GHB en amfetamine heeft geproduceerd. Hij maakte het voor eigen gebruik en voor vrienden.
Verder heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake is van een eendaadse samenloop van de feiten 1 en 3.
Oordeel van de rechtbank
Feit 2 en 3
De rechtbank acht de feiten 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de door hem/haar afgelegde algemene belofte als
NFI-deskundige forensisch drugsonderzoek, ingeschreven als
gerechtelijk deskundige in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen voor
het deskundigheidsgebied 005.2 Verdovende Middelen-Productieprocesonderzoek, opgenomen op pagina 825 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van de deskundige;
4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 februari 2026, opgenomen op pagina 831 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant;
5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 30 maart 2026, opgenomen op pagina 833 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten;
6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen betreffende het onderzoek aan de telefoon van verdachte d.d. 17 maart 2026, opgenomen op pagina 842 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant.
Overweging met betrekking tot de periode feit 3
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 maart 2025 tot en met 9 februari 2026 zich schuldig heeft gemaakt aan de productie en verkoop van GHB en amfetamine. De rechtbank stelt vast dat op 9 februari 2026 een inval heeft plaatsgevonden in de woning van verdachte aan de [adres 4] te [plaats 2] . De rechtbank komt, net als de raadsman, tot het oordeel dat de kortere periode van 1 oktober 2025 en met 9 februari 2026 wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte zich ook in de periode vóór 1 oktober 2025 schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten en zal verdachte daarvan vrijspreken.
Feit 1 1
De rechtbank begrijpt de tenlastelegging als een impliciete cumulatieve tenlastelegging voor alle drie de locaties. De rechtbank zal daarom per locatie beoordelen of het ten laste gelegde bewezen kan worden en voor welke periode.
[adres 3] , [plaats 1] :
De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte betrokken is geweest bij het drugslab dat is aangetroffen in de woning aan de [adres 3] in [plaats 1] . De rechtbank zal de verdachte daarom van betrokkenheid bij dit drugslab vrijspreken.
[adres 2] , Bolsward:
Op 2 december 2025 is een loods aan [adres 2] te Bolsward doorzocht2. Verdachte heeft verklaard dat hij wel bij medeverdachte [medeverdachte 1] in deze loods kwam en dat hij er ook een vrieskist heeft gebracht en geïnstalleerd3. Verdachte heeft medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] na de inval in de loods op 1 december 2025 uit Bolsward opgehaald. Hij heeft die nacht medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] uiteindelijk naar Leiden gebracht.4
Uit onderzoek verricht door een expert van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) blijkt onder meer dat de loods was ingericht met goederen en chemicaliën waarmee synthetische drugs, te weten MDMA, werd vervaardigd middels de koude methode. In de loods stonden drie vriezers, waarvan er twee in werking waren. Er werden vier jerrycans aangetroffen met een lagere temperatuur dan de omgevingstemperatuur. Deze jerrycans bevatte alle een bruine sterk basische vloeistof, totaal 50,5 liter.
Tevens werden op de locatie natriumboorhydride en methylamine aangetroffen, dit zijn chemicaliën die gebruikt worden bij de vervaardiging van MDMA en metamfetamine middels de koude methode. Op de vide was een koel-/vriesruimte ingericht met daarin enkele tientallen jerrycans waarvan enkele gevuld waren met MDMA houdende vloeistof5.
Uit de inventarisatielijst blijkt dat in de loods aan [adres 2] te Bolsward onder meer verschillende jerrycans, emmers, weegschalen, een koolstoffilter, infrarood thermometer, volgelaatsmasker, PH meter en een drumvat met vloeistoffen zijn aangetroffen6. De verschillende vloeistoffen zijn vervolgens door het NFI geanalyseerd. Hieruit volgt dat in de jerrycans onder andere is aangetroffen:
De conclusie van het NFI is dat deze stoffen in relatie tot drugs worden gebruikt voor de vervaardiging van MDMA7.
Uit onderzoek naar de telefoongegevens van verdachte en zijn medeverdachten blijkt onder meer het volgende:
Tenlastegelegde middelen
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor het maken van MDMA, GHB en amfetamine. Uit de aangetroffen stoffen en het onderzoek dat is verricht door de experts van het LFO volgt dat de loods was ingericht voor het vervaardigen van MDMA. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte vanuit [adres 2] in Bolsward ook voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor het bereiden van GHB en amfetamine. De rechtbank zal verdachte in zoverre dan ook vrijspreken.
Medeplegen lab Bolsward feit 1
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af. Verdachte heeft met medeverdachte [medeverdachte 1] een vriescel opgehaald en geïnstalleerd in de loods van [medeverdachte 1] , waar korte tijd later een werkend drugslab werd aangetroffen. Hij regelde de aanvoer en opslag van (een stuk of) 12 jerrycans ethanol en methanol en heeft kennelijk daarvan ook een jerrycan geleverd aan medeverdachte [medeverdachte 4] . Vrijwel direct na het aantreffen van het lab in Bolsward werd verdachte bovendien gebeld door medeverdachte [medeverdachte 4] en heeft hij zijn medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , die ter plaatse aan de politie waren ontkomen, daar opgehaald.
De rechtbank acht het in de bovengenoemde omstandigheden niet geloofwaardig dat verdachte niet wist wat er gaande was in de loods van medeverdachte [medeverdachte 1] . Sterker, hij heeft diverse handelingen verricht die bijdroegen aan het feit: onder meer door vriezers en jerrycans op te halen en naar de loods te brengen en methanol aan zijn medeverdachten te leveren. Uit de appgesprekken blijkt ook van zijn betrokkenheid bij wat er in de loods gebeurde. Enige ondergeschiktheid van verdachte aan met name [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] wil de rechtbank wel aannemen, maar nog is zij van oordeel dat de bijdrage van verdachte aan de voorbereidingshandelingen voor het produceren van drugs van zodanig gewicht zijn geweest, dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen van de voorbereidingshandelingen bewezen.
Periode
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 september 2025 tot en met 9 februari 2026 zich schuldig heeft gemaakt aan het voorbereiden van de productie van drugs. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte ook in de maand september betrokken was bij de voorbereiding van het drugslab in Bolsward. Verdachte kwam ook in de maand september met regelmaat in de loods en heeft in september samen met medeverdachte [medeverdachte 1] een vriescel opgehaald. Ook regelt hij in september de opslag van een forse partij ethanol en methanol. Het drugslab in de loods in de Bolsward is na de politie inval op 2 december 2025 ontmanteld. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de periode na 1 december 2025. De rechtbank acht de laste gelegde periode, van 1 september 2025 tot en met 1 december 2025, wettig en overtuigend bewezen.
[adres 4] , [plaats 2] :
Op 9 februari 2026 zijn bij een doorzoeking in de woning van verdachte aan de [adres 4] te [plaats 2] diverse jerrycans met vloeistoffen aangetroffen14.
De deskundige van het NFI concludeert dat in het onderzoeksmateriaal van deze aangetroffen goederen GBL (gamma-butyrolacton), methanol, aceton, zwavelzuur, ammoniumbicarbonaat, ethanol en de ethylester van '3,4-dimethoxy-BMK-glycidezuur' (ethyl 3 (3,4-dimethoxyfenyl)-2-ethyl-3-methyloxiraan-2-carboxylaat) is aangetoond. GBL kent diverse toepassingen in de chemische industrie. In relatie tot de productie van drugs wordt GBL gebruikt als grondstof voor de vervaardiging van GHB. GBL wordt ook wel gebruikt in plaats van GHB; het wordt in het lichaam omgezet in GHB. De ethylester van '3,4-dimethoxy-BMK-glycidezuur' is een grondstof voor 3,4-dimethoxyfenylaceton, dat wordt gebruikt voor de vervaardiging van 3,4 dimethoxyamfetamine (3,4-DMA) en 3,4-dimethoxymetamfetamine (3,4-DMMA).
Methanol, aceton, zwavelzuur, ammoniumbicarbonaat en ethanol worden in de chemische industrie veelvuldig toegepast. In relatie tot drugs kunnen ze gebruikt worden bij de vervaardiging en/of bewerking van diverse drugs en drugsprecursoren.15
Verdachte heeft verklaard over wat aan de [adres 4] is aangetroffen dat andere mensen hem vroegen dingen bij hem neer te zetten. Hij heeft zijn huis ter beschikking gesteld voor de opslag van drugs en andere dingen.16 Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij GHB maakt en dat hij amfetamine heeft gemaakt van een amfetamine base.17
Tenlastegelegde middelen
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor het maken van MDMA, GHB en amfetamine. Uit de aangetroffen stoffen en de verklaring van verdachte volgt dat deze stoffen kunnen worden gebruikt voor de productie van GHB en amfetamine en dat verdachte deze stoffen ook bereidde. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte ook vanuit de [adres 4] in [plaats 2] voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor het bereiden van MDMA. De rechtbank zal verdachte in zoverre dan ook vrijspreken.
Medeplegen [plaats 2] feit 1
De rechtbank is van oordeel dat hier geen sprake is van medeplegen. Weliswaar heeft verdachte verklaard dat hij spullen opsloeg voor anderen (feit 2), maar enig (ander) bewijs voor wie dat zijn van bevat het dossier geen aanwijzing. Daarom is in de bewezenverklaring voor feit 1 na het tezamen en in vereniging (voor Bolsward), ook alleen (voor [plaats 2] ) opgenomen.
Periode
Duidelijk is dat verdachte op 9 februari 2026 verschillende goederen voorhanden heeft gehad om de productie van GHB en/of amfetamine te bereiden, bewerken, verwerken en vervaardigen. Hoewel het voor de hand ligt dat verdachte ook op eerdere data over dergelijke middelen in zijn woning heeft beschikt met dit oogmerk, is in het dossier geen bewijsmiddel aanwezig dat dit bevestigt. De rechtbank zal voor dit feit de periode daarom beperken tot de dag 9 februari 2026.
Bewezenverklaring
Eendaadse samenloop
Door de verdediging is bepleit dat er voor de woning aan de [adres 4] in [plaats 2] sprake is van eendaadse samenloop tussen feiten 1 en 3. Aangezien de rechtbank verdachte ten aanzien van de voorbereidingshandelingen slechts veroordeelt voor 9 februari 2026 is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van eendaadse samenloop. De spullen die op 9 februari 2026 zijn aangetroffen waren namelijk bedoeld voor de toekomstige productie en niet de productie zoals deze ten laste is gelegd onder feit 3.
De rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 1 september 2025 tot 1 december 2025 te Bolsward en op 9 februari 2026 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen en alleen, vanuit een loods gelegen aan [adres 2] en vanuit een woning gelegen aan de [adres 4]
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te
weten MDMA (methyleendioxymethamfetamine) en/of GHB (gamma-hydroxyboterzuur) en/of (meth)amfetamine,
2.
hij op 9 februari 2026 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 10 liter en 3000 gram amfetamine(sulfaat) en
ongeveer 298,95 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en ongeveer 150,53 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B, zijnde amfetamine(sulfaat) en/of MDMA (methyleendioxymethamfetamine) en/of 2C-B
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3.
hij in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 9 februari 2026 te [plaats 2] , vanuit een woning gelegen aan de [adres 4] meermalen, telkens opzettelijk heeft bereid (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en/of GHB (gamma-hydroxyboterzuur), zijnde amfetamine en/of GHB (gamma-hydroxyboterzuur) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen door
meermalen gepleegd;
2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C gegeven verbod, meermalen gepleegd;
3. opzettelijk handelen in strijd met het onder artikel 2 onder B gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van de dagen doorgebracht in voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht rekeningen te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft zijn leven goed opgepakt sinds de schorsing en verblijft nu op een goede woonplek met begeleiding. De raadsman heeft verzocht verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf of een forse taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van Reclassering Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich gedurende een periode van drie maanden samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen ten aanzien van het produceren MDMA en het aanwezig hebben van grote hoeveelheden MDMA, amfetamine en 2C-B. Voorts heeft verdachte in zijn woning grote hoeveelheden GHB
en amfetamine bereid.
Het is algemeen bekend dat synthetische drugs en verdovende middelen in het algemeen zeer schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Amfetamine heeft bovendien een sterk verslavende werking. Daarnaast veroorzaakt de productie van synthetische drugs schade aan het milieu vanwege illegale afvaldumping. Ook zijn grote risicos verbonden aan het opslaan en het bewerken van de chemicaliën in een illegaal drugslab, zoals brand- en ontploffingsgevaar en het vrijkomen van giftige en bijtende dampen. De productie van en handel in harddrugs gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit die verdachte door zijn handelen heeft bevorderd of mede in stand heeft gehouden. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Hier komt bij dat verdachte geen (volledige) verantwoordelijkheid heeft genomen voor het feit.
Uit de rapportages van de reclassering volgt onder meer dat bij verdachte na het verlies van zijn werk financiële problemen zijn ontstaan. Het middelengebruik van verdachte nam toe en het ontbrak verdachte aan een zinvolle dagbesteding. Daarnaast verkeerde verdachte in een sociaal netwerk waarin middelengebruik en criminaliteit aanwezig waren. Er was sprake van ernstige middelenproblematiek. Sinds de schorsing is verdachte gemotiveerd om mee te werken aan het toezicht van de reclassering. Hij verblijft in een beschermde woonvorm en hij staat open voor behandeling en begeleiding.
De rechtbank is van oordeel dat voor dergelijke feiten, mede gezien de oriëntatiepunten voor straftoemeting, een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest, zoals door de raadsman is bepleit, staat naar het oordeel van de rechtbank niet in verhouding tot de ernst van de feiten. De rechtbank is van oordeel dat de eis van de officier van justitie in redelijke verhouding staat tot de ernst van de feiten en passend is. De rechtbank neemt daarom een gevangenisstraf van 42 maanden tot uitgangspunt.
De rechtbank houdt bij de strafoplegging eveneens rekening met de belangen van verdachte.
Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het van belang dat het toezicht en begeleiding van de reclassering zal worden voortgezet na detentie van verdachte. Daarom zal de rechtbank een deel van de straf voorwaardelijk opleggen en aan het voorwaardelijk deel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank houdt rekening met de justitiële documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor feiten van de Opiumwet.
De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk deel zullen worden verbonden de bijzondere voorwaarden meldplicht, ambulante behandeling, verbod verdovende middelen en een alcoholverbod, dagbesteding en het aflossen van schulden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Inbeslaggenomen goederen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd het inbeslaggenomen geld ter waarde van 980,- en 70,- verbeurd te verklaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht tot teruggave van de geldbedragen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten contact geld ter waarde van 980,00 en 70,00 vatbaar voor verbeurdverklaring nu dit geheel of grotendeels uit de baten van de strafbare feiten zijn verkregen en deze toebehoort aan verdachte.
Maatregel kostenverhaal
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de maatregel hoofdelijk op te leggen waarmee verdachte wordt verplicht tot het vergoeden van de kosten die ten laste van de Staat zijn gekomen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, te weten een bedrag van 9.827,73. De totale kosten bedragen 16.379,56.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld de maatregel alleen met betrekking tot de kosten voor het pand in [plaats 2] aan verdachte kan worden opgelegd gelet op de bepleite vrijspraak voor betrokkenheid bij de drugslab in Bolsward.
Oordeel van de rechtbank
De maatregel kostenverhaal, opgenomen in artikel 13d van de Opiumwet, maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of volksgezondheid, op vordering van het Openbaar Ministerie worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een in artikel 13d, lid 1, Opiumwet genoemd strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.
De rechtbank stelt vast dat aan voornoemde vereisten voor oplegging van de maatregel tot kostenverhaal is voldaan. In het drugslaboratorium in de panden waarbij verdachte betrokken was bij de productie van MDMA waren namelijk stoffen aanwezig die een ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid. Daarnaast heeft de Staat kosten gemaakt voor de vernietiging daarvan. Bij de stukken bevinden zich facturen van [bedrijf] met een kostenoverzicht van het ontmantelen van de drugslaboratoria, inclusief de afvoer van chemicaliën, restafval en hardware ter vernietiging. De rechtbank acht bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de drugslabs in Bolsward en [plaats 2] . De vordering van de officier van justitie is gebaseerd op facturen van laboratoria in [plaats 1] , Bolsward en Sneek. Het
dossier bevat geen factuur voor het ontmantelen van wat in de woning van verdachte in [plaats 2] is aangetroffen en betrokkenheid bij een drugslab in Sneek is niet aan verdachte ten laste gelegd.
De rechtbank brengt het bedrag van deze factuur, te weten 2.437,64 in mindering. Ook de factuur met betrekking tot de drugslab in [plaats 1] zal de rechtbank in mindering brengen. In totaal komt de rechtbank tot een bedrag van 5.813,54.
De rechtbank is van oordeel dat de kosten voldoende zijn onderbouwd en zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 13d van de Opiumwet. Uit het dossier blijkt tevens dat de facturen van [bedrijf] door de Staat zijn betaald. Uit de procesafspraak die medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gesloten volgt dat hij 5.576,77 aan de Staat dient te betalen ter vergoeding van de hiervoor bedoelde kosten.
Gelet op het voornoemde zal de rechtbank aan verdachte de maatregel kostenverhaal opleggen, te weten de verplichting op om een bedrag van 236,7718, te betalen aan de Staat ter vergoeding van de hiervoor bedoelde kosten. De verdachte en zijn medeverdachte(n) zijn naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de maatregel niet meer aan de Staat hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.
Indien dit bedrag niet wordt voldaan, kunnen 2 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a, 13d van de Opiumwet. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, schuldenproblematiek en/of andere problematiek;
urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten
behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
Verklaart verbeurd het in beslag genomen geld ter waarde van 980,- en 70,-.
Legt op, hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de maatregel tot vergoeding van het bedrag van 236,77 (zegge: tweehonderd zesendertig euro en zevenenzeventig cent) aan de Staat. Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 2 dagen.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan de Staat.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.L. Vreugdenhil, voorzitter, mr. H. de Ruijter en mr. L.S. Langius, rechters, bijgestaan door W. van Goor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 oktober 2026.
mr. De Ruijter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpaginas betreft dit delen van ambtsedige
processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier van de Politie Noord-Nederland met het nummer 2025325158 d.d. 1 juni 2026, doorgenummerd 1 tot en met 1513.
2 Pagina 113 e.v.
3 Verklaring van verdachte ter zitting van 9 oktober 2026.
4 Verklaring van verdachte ter zitting van 9 oktober 2026.
5 Pagina 128, 129 en 131.
6 Pagina 130 e.v.
7 Pagina 173 e.v.
8 Pagina 851
9 Pagina 504
10 Pagina 504
11 Pagina 852
12 Pagina 517
13 Pagina 506
14 Pagina 799 e.v.
15 Pagina 825 e.v.
16 Verklaring van de verdachte ter zitting van 9 oktober 2026.
17 Paginas 1454 en 1455.
18 Totaal bedrag kostenverhaal 5.813,54 minus 5.576,77 (het aandeel dat op grond van procesafspraken
door medeverdachte [medeverdachte 2] moet worden betaald) = 236,77.