RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18-346224-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 november 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 oktober 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous. Het onderzoek is op 20 oktober 2026 gesloten.
Tenlastelegging
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de volledige tekst van de tenlastelegging verwezen naar bijlage I. De inhoud van die bijlage dient als hier ingelast te worden beschouwd.
Kort gezegd wordt verdachte verweten dat zij
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Er is ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte heeft geen substantiële bijdrage geleverd. De feitelijke gedragingen, zoals het onder 2 ten laste is gelegd, leveren geen strafrechtelijke dwang op. Een ouder mag tegen zijn of haar kind zeggen dat deze zich moet ontdoen van vieze kleding. Dit valt binnen de grenzen van de opvoedtaak van ouders. Nu er geen sprake is van wederrechtelijkheid, dient verdachte ook voor dit feit vrijgesproken te worden.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank past de in bijlage II bij dit vonnis opgenomen en zakelijk weergegeven bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten.
Feit 1
De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen, waarvoor wordt verwezen naar bijlage II, het volgende vast. In de nacht van 3 maart 2025 kwam [slachtoffer] thuis van een feestje. Verdachte en medeverdachte [slachtoffer] waren woedend, omdat zij zich niet aan de afgesproken tijd had gehouden. Als gevolg hiervan heeft medeverdachte zijn dochter twee keer geslagen in het gezicht, haar hard met het gezicht op een tafel geduwd, haar ter hoogte van haar borst vastgepakt en haar heen en weer gerammeld. Ook heeft hij een deur tegen haar hoofd en haar lichaam gegooid. Verdachte heeft aan dit geweld een actieve bijdrage geleverd door [slachtoffer] bij haar hoofd te pakken en aan haar haren te trekken. Bovendien heeft verdachte zich op geen enkele wijze gedistantieerd van het geweld tegen haar dochter. Op de camerabeelden is een duidelijk samenspel tussen verdachten te zien, welke de rechtbank duidt als een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte en medeverdachte hebben zich daarmee schuldig gemaakt aan het medeplegen van een mishandeling tegen hun kind.
Feit 2
De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Met betrekking tot de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft duidelijk en ondubbelzinnig bekend dat zij [slachtoffer] heeft opgedragen zichzelf uit te kleden. Daarbij heeft zij ook gedreigd met geweld. De rechtbank is anders dan de raadsman van oordeel dat dit geen normale opvoedsituatie betreft, maar strafbare dwang oplevert.
Door [slachtoffer] samen met medeverdachte op deze manier te dwingen zich uit te kleden is verdachte buiten de grenzen van haar opvoedtaak als ouder getreden. Van belang daarbij is de context waarbinnen het ten laste gelegde plaatsvindt. [slachtoffer] is kort daarvoor mishandeld door haar ouders en bovendien wordt alles vastgelegd door cameras. De opnames, de voorafgaande mishandeling en het blijven schreeuwen en schelden in het gezicht van [slachtoffer] waren in onderlinge samenhang bezien buitengewoon vernederend en leveren de tenlastegelegde feitelijkheid op. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van dwang.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
zij op 3 maart 2025 te [plaats] , gemeente Borger-Odoorn, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] , heeft mishandeld door
terwijl zij dit misdrijf beging tegen haar dat zij verzorgde of opvoedde als behorend tot haar gezin;
2
zij op 3 maart 2025 te [plaats] , gemeente Borger-Odoorn, tezamen en in vereniging met een ander, een ander, te weten [slachtoffer] , door bedreiging met geweld en bedreiging met enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, door die [slachtoffer] dwingend op te dragen zichzelf uit te kleden.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit bij de strafoplegging rekening te houden met de grote gevolgen die de strafzaak voor verdachte heeft gehad. Verdachte mag van jeugdzorg niet meer thuis wonen en als gevolg daarvan heeft zij op verschillende plekken moeten verblijven. Dit terwijl zij wel de volledige zorg voor haar andere dochter draagt.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland van 15 september 2025, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 3 maart 2025 samen met medeverdachte schuldig gemaakt aan mishandeling van hun kind [slachtoffer] , die destijds 16 jaar oud was. [slachtoffer] is onder andere in het gezicht geslagen, aan haar haren getrokken en zij heeft een deur tegen zich aan gegooid gekregen. De mishandeling ging gepaard met schreeuwen en schelden, terwijl [slachtoffer] ook nog onder die omstandigheden, en terwijl een beveiligingscamera alles filmde, gedwongen werd zich uit te kleden. De aanleiding voor de ruzie was volgens verdachte dat haar dochter twee uur later dan afgesproken thuiskwam.
Verdachte, en overigens ook haar medeverdachte (de vader van [slachtoffer] ), heeft geprobeerd een excuus voor de bewezen verklaarde te vinden in het vervelende pubergedrag van hun dochter. Behalve dat de rechtbank geen uitzonderlijk vervelend gedrag heeft gehoord, staat het buiten kijf dat dit in welke situatie dan ook, geen rechtvaardiging is voor de strafbare feiten die verdachte heeft begaan. Juist pubers experimenteren en zoeken de grenzen op in de zoektocht naar hun identiteit. Het behoort tot de opvoedtaak van ouders om kinderen daarin te begrenzen en te begeleiden of daarbij hulp in te schakelen. De rechtbank ziet in de opstelling van verdachte geen enkele blijk van schuldbesef en neemt haar dat kwalijk.
Persoon van verdachte
De reclassering heeft een rapport over verdachte opgemaakt en daarin kort samengevat het volgende vermeld. Er zijn geen noemenswaardige problemen op de leefgebieden huisvestiging, financiën, dagbesteding, middelengebruik en sociaal netwerk gezien. De reclassering acht met name het ontbreken van probleembesef, de beperkte zelfreflectie en de geconstateerde gezinsdynamiek factoren die het risico op herhaling kunnen vergroten. Er worden geen mogelijkheden gezien om met interventies of toezicht de risicos te beperken of het gedrag te veranderen. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
De straf
Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, in het bijzonder dat de feiten zijn gepleegd jegens haar minderjarige kind, de oplegging van een forse taakstraf. De rechtbank acht alles afwegende oplegging van een taakstraf van 100 uren passend en geboden.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de verzochte vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Er wordt door benadeelde uiteengezet dat zij behandeling heeft moeten starten voor de situatie die aangemerkt zou kunnen worden als intieme terreur. Nu verdachte enkel wordt vervolgd voor een incident op 3 maart 2025, kan dit niet zien op de intieme terreur waar benadeelde zoals gezegd behandeling voor moet volgen. Voor het incident op 3 maart 2025 is onvoldoende onderbouwing om geestelijk letsel aan te nemen.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is er voldoende grondslag voor het toewijzen van de vordering tot immateriële schadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat een gedeelte van deze
schadevergoeding is gevorderd in verband met de mishandeling, waar op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een zelfstandige grondslag voor bestaat, nu de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze, als bedoel in artikel 6:106, aanhef en onder b BW. Op basis van de onderbouwing van de schadevordering is voldoende aannemelijk gemaakt dat de benadeelde partij psychische schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. Uit de brief van psycholoog [naam 1] van 10 september 2026 blijkt dat benadeelde behandeling ondergaat voor de klachten die voortkomen uit de traumatische ervaringen.
Gelet op alle omstandigheden van het geval stelt de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van 1.000,-. Bij het bepalen van de hoogte van het te vergoeden bedrag aan immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de tot nu toe bekende gevolgen ervan voor de benadeelde. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel afwijzen.
De toe te wijzen immateriële schadevergoeding zal worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf 3 maart 2025. Daarnaast zal de rechtbank, nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank zal verdachte voorts veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 284, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een taakstraf voor de duur van 100 uren.
Beveelt dat voor het geval veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.
Beveelt dat de tijd door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer] feit 1 en 2
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter, mr. L.M.B. Soppe en mr. R.A. Valk, rechters, bijgestaan door mr. N.J. Aarts, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 november 2026.
Bijlage I
Aan verdachte is ten laste gelegde dat:
1
zij op of omstreeks 3 maart 2025 te [plaats] , gemeente Borger-Odoorn, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] , heeft mishandeld door
terwijl zij dit misdrijf beging tegen haar kind en/of een kind over wie zij gezag uitoefende of een kind dat zij verzorgde of opvoedde als behorend tot haar gezin;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
2
zij op of omstreeks 3 maart 2025 te [plaats] , gemeente Borger-Odoorn, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander, te weten [slachtoffer] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, door die [slachtoffer] dwingend op te dragen zichzelf uit te kleden.
( art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) Bijlage II
De rechtbank komt in tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de hierna genoemde bewijsmiddelen.
Feit 1
1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 oktober 2026:
d.d. 7 juli 2025, inhoudend als het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op 3 maart 2025 heb ik mijn dochter [slachtoffer] bij haar hoofd gepakt.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 maart 2025, opgenomen op pagina 226 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025054884
Op maandag 3 maart 2025 omstreeks 03:40 uur waren wij ter plaatse bij [adres] . Wij hoorden dat [slachtoffer] vertelde dat ze door haar vader is geslagen en dat ze aan haar haren is getrokken.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 maart 2025, opgenomen op pagina 577 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als de verklaring van [naam 2] :
[slachtoffer] stond in de keuken en door de keukendeur kon ik haar zien door het glas. Ik zag moeder [slachtoffer] aan de haren trok. Met twee handen. Ik had het idee dat het [slachtoffer] veel pijn deed want ze greep op de handen van haar moeder en ze zakte iets door de knieën. Meteen daarop zag ik vader, die uit een andere kamer kwam lopen. Op een gegeven moment zag ik [slachtoffer] weer. Via de keukentafel zag ik haar opkrabbelen. Terwijl ze opkrabbelde zag ik dat haar moeder haar beetpakte, tegelijk zag ik dat haar vader haar in het gezicht sloeg. Dit deed hij met de platte hand en twee keer, dat was zo hard dat ik de klap buiten kon horen.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 maart 2025, opgenomen op pagina 443 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als het relaas van verbalisant [verbalisant] :
Aanvang opgenomen beelden is op maandag 3 maart 2025 omstreeks 03:05:00 uur.
- Omstreeks 03:05:40 uur zie je dat vader zijn dochter bij het hoofd pakt en naar de tafel brengt en haar op de tafel drukt;
5. Een opname van beeld en geluid, als bedoeld in artikel 567 van het Wetboek van Strafvordering, te weten camerabeelden met bestandsnaam: [bestand] .
De rechtbank neemt op de opname het volgende waar:
- Om 03:05:44 uur ligt [slachtoffer] op tafel gedrukt door verdachte. Verdachte haalt twee keer met zijn rechterhand uit in de richting van haar hoofd. [slachtoffer] wordt daardoor twee keer geraakt in haar gezicht. Er is twee keer een klap te horen en haar hoofd beweegt daarbij.
Feit 2
1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 oktober 2026:
Het klopt dat ik op 3 maart 2025 in ons huis in [plaats] tegen [slachtoffer] heb gezegd dat zij zich moest uitkleden.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 maart 2025, opgenomen op pagina 443 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025054884
d.d. 7 juli 2025, inhoudende als het relaas van verbalisant [verbalisant] :
Aanvang opgenomen beelden is op maandag 3 maart 2025 omstreeks 03:05:00 uur.
V= Vader
M = Moeder D = Dochter
3-03-2025 omstreeks 03:05
Op de achtergrond hoor je vader schreeuwen, ook hoor je op de achtergrond 4 keer een tik geluid net alsof er geslagen wordt.
V: Wat is dit, wat is dit, waarom is dit nat, waarom is dit nat, waarom is dit nat? M: En nu godverdomme voor mij aan, anders trap ik je voor mij aan.
V: Uittrekken, uittrekken.
M: Wat denk je wel niet.
V: Uittrekken
M: Wat denk je wel niet hé. D: Maakt een gillend geluid.
V. Wat? Uitrekken nou hier.
V. Uittrekken jij. Uitrekken nou! M: Het is voor jou over, met alles.
V. Tering hoer dat je er bent. M: Naar boven.
V: Uitrekken hier, uitrekken hier. Uitrekken nou! M: Met jouw grote waffels, iedere keer.
V: Uittrekken nou, uittrekken nou.
Op 03-03-2025 omstreeks 03:07:00 uur kleed dochter zich uit. Dochter staat alleen nog in haar onderbroek op sokken in de keuken.