RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 september 2026 in de zaak tussen
[Naam uit woonplaats], verzoeker
de burgemeester van de gemeente Eemsdelta
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2839
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en
(gemachtigden: A. Kostanjevec-Dröge en M. Zijlstra).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van de burgemeester om aan verzoeker een Nederlands rijbewijs af te geven. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.
Totstandkoming van het besluit en procesverloop
2. Verzoeker heeft de Syrische nationaliteit. Hij verblijft als asielzoeker rechtmatig in Nederland op grond van artikel 8, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet. Hij is in afwachting van een beslissing op zijn asielaanvraag.
Op 7 april 2026 heeft verzoeker een rijbewijs aangevraagd.
Op 9 april 2026 heeft de burgemeester de feitelijke uitreiking van het rijbewijs geweigerd. Daarbij is verwezen naar artikel 111, derde lid, van de Wegenverkeerswet (WVW). Op basis van dat artikel kan alleen een rijbewijs worden afgegeven aan een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d en l van de Vreemdelingenwet. Op 13 april 2026 heeft de burgemeester de gemachtigde van verzoeker per e-mail op de hoogte gebracht van het feit dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een rijbewijs. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 4 augustus 2026 heeft de burgemeester het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 26/2840. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigden van de burgemeester.
Standpunt partijen
Standpunt van verzoeker
3. Verzoeker betwist de uitleg die de burgemeester heeft gegeven aan de Rijbewijsrichtlijn, de Opvangrichtlijn en artikel 111, derde lid, van de WVW. Verder is hij van mening dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan enkele bepalingen in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Zolang over de uitleg van bedoelde regelingen en de toepasselijkheid van het Handvest geen duidelijkheid bestaat, stelt verzoeker zich op het standpunt dat de burgemeester hem het rijbewijs moet verstrekken. Verder heeft hij aangevoerd dat hij geen besluit heeft ontvangen waarin zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, wat betekent dat het dus nog geldig is.
Standpunt van de burgemeester
4. De burgemeester is van mening dat hij in dit geval heeft gehandeld in overeenstemming met de Rijbewijsrichtlijn, de Opvangrichtlijn en artikel 111, derde lid, van de WVW. Over het Handvest heeft de burgemeester aangevoerd dat in dit geval geen sprake is van discriminatie, omdat geen sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Daarom heeft de burgemeester het Handvest niet bij zijn beoordeling betrokken. Verder is hij van mening dat het spoedeisend belang van verzoeker in dit geval ontbreekt. Er is namelijk nog geen sprake van een aanvaarde arbeidsovereenkomst. Daarbij komt dat het bedrijf waar verzoeker zegt te kunnen gaan werken zich in Noord Holland bevindt. Derhalve 200 km verwijderd van de opvanglocatie waar hij in beginsel moet verblijven. Als het komt tot een belangenafweging, wijst de burgemeester er op dat verzoeker nog nooit in het bezit is geweest van een rijbewijs. Er is ook geen sprake van de beëindiging van een bestaande arbeidsrelatie. Van een acuut en onomkeerbaar inkomensverlies is dan ook geen sprake.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De bevoegdheid
5. Tijdens de behandeling van het verzoek is duidelijk geworden dat verzoeker tegenwoordig niet meer verblijft op een azc in de gemeente [plaats 1], maar op een azc in de gemeente [plaats 2]. Dit heeft echter geen gevolgen voor de bevoegdheid van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. In artikel 8:7, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is namelijk bepaald dat, voor zover hier van belang, als beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een gemeente, de rechtbank bevoegd is binnen welk rechtsgebied het bestuursorgaan zetel heeft. Omdat de gemeente Eemsdelta zich binnen het rechtsgebied van de rechtbank Noord-Nederland bevindt, is deze rechtbank bevoegd om over de zaak van verzoeker te oordelen.
De spoedeisendheid
6. Indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij een spoedeisend belang heeft, omdat het arbeidsaanbod dat hij heeft gekregen niet onbeperkt van kracht blijft en het gelet op zijn status als asielzoeker niet eenvoudig is om een andere baan te vinden. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van spoedeisendheid in de zin van de wet.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker in voldoende mate heeft aangetoond dat hij een spoedeisend belang heeft. Hij zal de zaak dan ook inhoudelijk behandelen.
De beroepzaak
7. Voor zover verzoeker van mening is dat de burgemeester heeft gehandeld in strijd met de Rijbewijsrichtlijn, de Opvangrichtlijn en artikel 111 van de WVW en ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het Handvest, stelt de voorzieningenrechter vast dat partijen het erover eens zijn dat de behandeling van de geschilpunten hierover zich niet leent voor afdoening in een voorlopige voorzieningenprocedure. De rechtsvragen die voorliggen zijn daarvoor te complex. Hij zal daarover dan ook geen voorlopig oordeel geven.
De belangenafweging
8. De voorzieningenrechter kan wel komen tot een afwegingen van de belangen van verzoeker om een voorlopige voorziening te treffen en de belangen van de burgemeester om dat niet te doen.
De burgemeester heeft als zijn belang aangevoerd dat hij wil voorkomen dat, vooruitlopend op de bodemprocedure, het rijbewijs feitelijk al wordt verstrekt, terwijl de rechtmatigheid van het bestreden besluit nog niet vaststaat. Dat zal tot onomkeerbare gevolgen leiden. Daarbij heeft de burgemeester aangevoerd dat hij feitelijk het rijbewijs niet meer aan verzoeker kan verstrekken, omdat verzoeker nu in een nadere gemeente woont. Alleen de burgemeester van de woonplaats waar iemand staat ingeschreven, kan een rijbewijs uitgeven.
Verzoeker heeft als zijn belang aangevoerd dat hij een concreet arbeidsaanbod heeft gekregen en dat dit aanbod niet onbeperkt van kracht is. Hij heeft ook een inkomen nodig om de schulden te betalen die hij heeft gemaakt om zijn rijbewijs te kunnen halen. Vanwege zijn status als asielzoeker kan hij niet al het beschikbare werk dat hij zou willen uitvoeren ook daadwerkelijk verrichten.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangen van de burgemeester in dit geval zwaarder dienen te wegen dan de belangen van verzoeker. Hij neemt daarbij in aanmerking dat hij het niet aannemelijk vindt dat verzoeker geen ander werk kan vinden dan het werk dat hem is aangeboden. Hij neemt verder aan dat het voor verzoeker gezien zijn status als asielzoeker minder makkelijk is om werk te vinden, maar dat dit niet betekent dat het onmogelijk is om een andere baan te vinden waarmee hij een inkomen kan verkrijgen. Op dit moment heeft verzoeker geen baan. Het arbeidscontract met de aanbieder van werk is namelijk nog niet getekend. Het besluit van de burgemeester leidt er daarom niet toe dat hij een inkomen verliest. Dat er sprake is van schulden waardoor hij het arbeidsaanbod wel zou moeten aanvaarden, heeft verzoeker gesteld, maar niet onderbouwd. De voorzieningenrechter gaat daar daarom aan voorbij.
De voorzieningenrechter heeft tot slot bij zijn oordeel betrokken dat als de voorziening zou worden toegewezen het maar zeer de vraag is of de burgmeester verzoeker een rijbewijs kan verstrekken. Verzoeker woont immers niet meer in de gemeente [plaats 1]. Alleen de burgemeester van de gemeente waarin iemand woonachtig is, kan een rijbewijs verstrekken. De behandeling van de vraag of de burgemeester verzoeker nu nog een rijbewijs zou kunnen verstrekken, leent zich daarbij niet voor afdoening door een voorzieningenrechter. Ook voor het treffen van een voorziening in een andere vorm, zoals door verzoeker verzocht, ziet de voorzieningenrechter geen ruimte en aanleiding.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester verzoeker het rijbewijs niet hoeft te verstrekken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: